Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6227

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
AMS-13_5311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

in samenhang met zaaknummer AMS 13/5309:

Aanvraag AOW en aanvraag tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenevening (TRP). Vervalste formulieren gebruikt bij aanvragen.Ontvangststempels van SVB en ontvangstempels op zogenaamd bij de rechtbank ingediende beroepschriften stroken niet met door de SVB en de rechtbank gebruikte stempels.

Gelet op alle ongerijmdheden in de door eiser overgelegde ‘bewijsstukken’ concludeert de rechtbank dat eiser opzettelijk valse documenten heeft opgemaakt. Frauduleus handelen en onredelijk gebruik van procesrecht.

samenvatting (inclusief zaaknummer AMS 13/5309):

Eiser heeft bij verschillende instanties per afzonderlijke brieven beroep ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op een bezwaarschrift, aanvragen om AOW-pensioen en een aanvraag op grond van de TRP. Het beroep van eiser ziet daarnaast op het reële besluit waarbij zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de TRP ongegrond wordt verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat eiser de aanvragen daadwerkelijk op de door hem gestelde data bij verweerder heeft ingediend. Ten aanzien van het bezwaarschrift is dit evenmin gebleken, hetgeen ook al bij een eerdere uitspraak van de Rechtbank Amsterdam is overwogen (7 oktober 2013, zaaknummer AMS 13/1673). Verschillende formulieren en stempels zijn vervalst. Slotsom is dat de beroepen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk zijn, nu verweerder niet in verzuim is geweest (tijdig) te beslissen. Het beroep tegen het reële besluit wordt ongegrond verklaard. Er is evident sprake van onredelijk gebruik van het procesrecht. Nu niet gebleken is dat door verweerder voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt, gaat de Rechtbank niet over tot een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/5311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats] (Portugal), eiser,

(gemachtigde: voorheen [naam 1], thans mr. J.E. Groenenberg)

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde mr. A. van der Weerd).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP) afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op zijn aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de TRP.

Bij besluit van 24 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens nadere gronden ingediend tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2014.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TRP afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder twee redenen ten grondslag gelegd. In de eerste plaats is overwogen dat niet meer kan worden beslist op de aanvraag van eiser, omdat die aanvraag op 10 juni 2013 is ontvangen, terwijl op dat moment de TRP niet meer bestond. De TRP is op 1 januari 2008 ingetrokken. In de tweede plaats is overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de TRP, omdat eiser op 1 juli 2007 geen AOW-pensioen voor een alleenstaande ontving.

2.

Bij brief, ontvangen door de rechtbank Noord-Nederland op 17 juli 2013, heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op een door hem gedane aanvraag op grond van de TRP. Eisers brief is aangemerkt als een beroepschrift en is door de rechtbank Noord-Nederland doorgezonden aan de rechtbank Amsterdam.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit en de twee daarin genoemde afwijzingsgronden gehandhaafd. Daartoe is, samengevat, onder meer het volgende overwogen. Primair had eiser het aanvraagformulier TRP tussen 1 juli 2007 en 15 november 2007, eenmalig verlengd tot 12 december 2007, moeten indienen. Dat heeft hij niet gedaan. Het formulier dat eiser zegt op 12 november 2007 te hebben opgestuurd, kan hij destijds niet hebben ontvangen van verweerder, omdat eiser toen nog geen 65 jaar was en niet tot de kring van personen behoorde die in aanmerking kwamen voor een tegemoetkoming. Aan eiser is een dergelijk formulier nooit toegezonden. Voor andere belanghebbenden werd een ander formulier gebruikt. Verweerder acht het voorts niet geloofwaardig dat eiser op 12 november 2007 een formulier heeft ingeleverd, omdat – zoals ook was vermeld op de formulieren – aanvragen bij de vestiging van verweerder in Groningen moesten worden ingediend, terwijl het door eiser overgelegde formulier een datumstempel heeft van de vestiging van verweerder in Leiden. Indien het in Leiden zou zijn ingeleverd, zou dat zijn doorgestuurd naar Groningen, maar daar is nooit een dergelijke aanvraag ontvangen. Verweerder acht het bovendien niet aannemelijk dat het aanvraagformulier op 12 november 2007 in Portugal is ondertekend en op dezelfde dag in Leiden zou zijn ontvangen. Subsidiair heeft verweerder overwogen dat eiser pas op 12 december 2007 65 jaar is geworden, zodat hij niet voldeed aan de voorwaarde dat hij op 1 juli 2007 als ongehuwde pensioengerechtigde kon worden aangemerkt.

4.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding eerst de tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden te bespreken.

Het beroep tegen het bestreden besluit

5.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de TRP heeft – voor hier van belang – de persoon die op 1 juli 2007 wordt aangemerkt als ongehuwde pensioengerechtigde in de zin van de Algemene Ouderdomswet recht op een eenmalige tegemoetkoming.

6.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de TRP wordt een aanvraag tussen 1 oktober 2007 en 15 november 2007 bij de SVB ingediend door middel van een door de SVB beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

7.

Artikel 8, eerste lid, van de TRP bepaalt dat de TRP vervalt met ingang van 1 januari 2008.

8.

Eiser stelt dat hij op 12 november 2007 een aanvraag op grond van de TRP heeft gedaan door een daartoe strekkend aanvraagformulier in te dienen bij de vestiging van verweerder in Leiden. Als bewijs dat die aanvraag destijds door verweerder is ontvangen, heeft eiser een kopie van een aanvraagformulier van 12 november 2007 met daarop een ontvangststempel van verweerder (vestiging Leiden) overgelegd. Eiser stelt verder dat hij bij brieven van 7 januari 2008, 12 april 2008 en 7 januari 2009 bezwaar heeft gemaakt bij verweerder tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag, alsmede dat hij op 12 juni 2008 een schriftelijke ingebrekestelling bij verweerder heeft afgegeven wegens het uitblijven van een beslissing op de TRP-aanvraag. Daarnaast heeft eiser een aan hem gerichte brief van 1 september 2008 overgelegd, waarin onder meer wordt bevestigd dat eiser op 12 november 2007 persoonlijk een verzoek voor een uitkering op basis van de TRP heeft ingeleverd bij de vestiging van verweerder in Leiden. Deze brief is volgens eiser afkomstig van verweerder. Al deze stukken zijn volgens eiser door zijn vroegere gemachtigde, [naam 1], bij de balie van de vestiging van verweerder in Leiden ingeleverd.

9.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het eerst per e-mail op 10 juni 2013 een TRP-aanvraag namens eiser is ingediend. Met een beweerdelijk eerder ingediende aanvraag, alsmede met een bezwaar en ingebrekestelling tegen het uitblijven van een beslissing, is verweerder niet bekend. Verweerder betwist ten stelligste dat de kopie van het door eiser overgelegde aanvraagformulier op 12 november 2007 bij de vestiging in Leiden is ingeleverd. Binnen de organisatie van verweerder is de ontvangst van dat formulier niet bekend, terwijl alle correspondentie wordt geregistreerd en (digitaal) wordt opgeslagen. Bovendien was het pretense door eiser gebruikte aanvraagformulier destijds niet in gebruik bij verweerder. Ook betwist verweerder uitdrukkelijk dat de door eiser overgelegde brief van 1 september 2008 van verweerder afkomstig is.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank is geenszins aannemelijk geworden, laat staan aangetoond, dat eiser eerder dan 10 juni 2013 een aanvraag voor een eenmalige tegemoetkoming op grond van de TRP bij verweerder heeft gedaan. Daartoe is het volgende redengevend.

11.

Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat het door eiser overgelegde aanvraagformulier, zoals eiser stelt dat op 12 november 2007 aan de balie van de vestiging van verweerder in Leiden te hebben ingeleverd, op meerdere punten afwijkt van de destijds door verweerder gebruikte aanvraagformulieren TRP. Zo werd een aanvraagformulier voor-ingevuld toegezonden aan de bij verweerder bekende personen die aanspraak zouden kunnen maken op een tegemoetkoming op grond van de TRP. Eiser behoorde niet tot die groep en het door hem overgelegde formulier is niet voor-ingevuld. Indien andere belanghebbenden zich destijds meldden, kregen deze een andersoortig formulier. Verder wordt in het door eiser overgelegde formulier gevraagd naar de volledige voornamen, terwijl in het door verweerder gebruikte aanvraagformulier gevraagd werd naar uitsluitend de voorletters van de aanvrager. Daarnaast was op de door verweerder gebruikte formulieren altijd een bar-/streepjescode vermeld, terwijl een dergelijke code op het formulier van eiser ontbreekt. Met betrekking tot de stempel op het door eiser overgelegde formulier heeft verweerder toegelicht dat dat weliswaar een stempel is dat wordt gebruikt bij verweerder, maar dat dat stempel nooit wordt gebruikt voor inkomende post of wanneer iemand aan de balie een document afgeeft. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond hiervan worden vastgesteld dat sprake is van ongerijmdheden en discrepanties in de stellingname van eiser waarvoor hij geen deugdelijke verklaring heeft kunnen geven.

12.

Verweerder heeft voorts de authenticiteit en herkomst van de door eiser overgelegde brief van 1 september 2008 betwist. In de eerste plaats heeft verweerder aangegeven dat dit document niet bekend of geregistreerd is in het systeem van verweerder, terwijl alle correspondentie daarin automatisch (digitaal) wordt opgeslagen. In de tweede plaats heeft verweerder uiteengezet dat het kenmerk op de door eiser overgelegde brief niet correspondeert met de standaard werkwijze van verweerder. Als kenmerk wordt altijd een sofi-nummer vermeld en bij gebrek daaraan wordt aan de belastingdienst gevraagd een sofi-nummer toe te kennen. Nimmer wordt echter als kenmerk een algemene aanduiding als “aanvragen TRP/AOW”, zoals op de door eiser overgelegde brief, gehanteerd. In de derde plaats heeft verweerder erop gewezen dat elke door verweerder verzonden brief automatisch een (door de computer gegenereerd) uniek administratief nummer krijgt dat rechtsonder op een brief is vermeld. Een dergelijk administratief nummer ontbreekt op de door eiser overgelegde brief. Op grond van voornoemde omstandigheden is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de door eiser overgelegde brief van 1 september 2008 niet van verweerder afkomstig kan zijn.

13.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat eiser op 12 november 2007 een TRP-aanvraag heeft gedaan. Om die reden heeft verweerder de eerst in 2013 gedane aanvraag terecht afgewezen op de grond dat eiser zijn aanvraag te laat had ingediend.

14.

Dat eiser de door hem gestelde brieven van 12 april 2008 en 12 juni 2008 bij verweerder aan de balie van de vestiging Leiden heeft afgegeven, acht de rechtbank evenmin aannemelijk. Van die documenten is bij verweerder niets bekend, terwijl de daarop geplaatste stempel niet kan bijdragen aan het standpunt van eiser. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor (onder 11) over die stempel is overwogen. Daaraan wordt ten overvloede toegevoegd dat de rechtbank ook overigens aan de ontvangststempel op de brieven van 12 april en 12 juni 2008 geen waarde hecht, gelet op alle hiervoor geconstateerde ongerijmdheden in de andere onderdelen van de stellingname van eiser.

15.

Ten slotte overweegt de rechtbank nog dat eiser in december 2007 pensioengerechtigde in de zin van de AOW is geworden, zodat hij op 1 juli 2007 niet als zodanig kon worden aangemerkt. Daarmee voldoet eiser niet aan de in artikel 2 van de TRP gestelde voorwaarde om voor een eenmalige tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit betekent dat verweerder ook op deze zelfstandige grond eisers aanvraag terecht heeft afgewezen.

16.

De conclusie is dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.

17.

Eisers verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) moet worden afgewezen. Volgens vaste rechtspraak vangt die termijn aan met de indiening van het bezwaarschrift en mag de behandeling van het bezwaar en beroep ten hoogste twee jaar duren. In dit geval heeft eiser op 1 juli 2013 zijn bezwaarschrift ingediend. De behandeling van het bezwaar en het beroep heeft in dit geval tezamen bijna een jaar en drie maanden geduurd. Daarmee is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Overigens staan ook de overige omstandigheden van deze zaak – de rechtbank neemt daarbij met name de onwaarachtige proceshouding van eiser in ogenschouw – in redelijkheid aan toekenning van enige schadevergoeding in de weg.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen

18.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

19.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

20.

Een bestuursorgaan is in gebreke als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb indien het nog geen besluit heeft genomen en indien de wettelijke termijn voor het nemen van dat besluit is overschreden.

21.

Eiser stelt dat hij op 12 januari 2010 bij de rechtbank Amsterdam, geadresseerd aan de rechtbank Groningen, een beroepschrift heeft ingediend wegens het uitblijven van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de TRP. Verder stelt eiser dat hij vervolgens op 12 januari 2011 en 12 januari 2012 bij de rechtbank Amsterdam, geadresseerd aan de rechtbank Groningen, bezwaar heeft gemaakt, omdat een beslissing met betrekking tot de door hem op 12 januari 2010 aanhangig gemaakte beroepsprocedure uitbleef. Eiser heeft een kopie van deze op 12 januari 2010, 12 januari 2011 en 12 januari 2012 gedateerde brieven overgelegd. Als bewijs dat die stukken destijds door de rechtbank Amsterdam zijn ontvangen, heeft eiser gewezen op de daarop geplaatste stempels met de tekst: “Griffieexemplaar ingekomen op [datum] bij de Centrale Balie”. Ter zitting in beroep is namens eiser toegelicht dat de vroegere gemachtigde van eiser de brieven van 12 januari 2010, 12 januari 2011 en 12 januari 2012 bij de centrale balie van de rechtbank Amsterdam heeft ingediend met het verzoek die brief door te sturen naar de rechtbank Groningen. De ontvangststempels in de rechterbovenhoek van de drie voornoemde brieven zijn door een medewerker van de centrale balie van de rechtbank Amsterdam geplaatst, aldus eiser.

22.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de vaststelling hiervoor (zie de overwegingen 10-14) moet ervan uit worden gegaan dat eiser de aanvraag op grond van de TRP bij verweerder heeft ingediend op 10 juni 2013. Op die aanvraag is beslist op 14 juni 2013. Dit betekent dat het door eiser ingediende beroep tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op zijn TRP-aanvraag – veronderstellenderwijs uitgaande van de door eiser gestelde datum van indiening van het beroepschrift (12 januari 2010) – prematuur is ingediend, omdat eiser op dat moment nog geen TRP-aanvraag had gedaan en verweerder dus niet in gebreke was als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om een tegemoetkoming op de grond van de TRP.

23.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat overigens niet kan worden uitgegaan van de door eiser gestelde datum van indiening van zijn beroepschrift. Dit verandert evenwel niets aan de constatering dat verweerder niet in gebreke was in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb op het moment dat eiser zijn beroepschrift wegens niet tijdig beslissen op zijn aanvraag indiende. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

24.

Het beroepschrift van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag is op 17 juli 2013 ontvangen. Anders dan eiser stelt, is geenszins aannemelijk geworden dat hij al eerder een beroep niet tijdig beslissen had ingesteld. Daartoe is het volgende redengevend.

25.

Noch bij deze rechtbank, noch bij de rechtbank Noord-Nederland (als rechtsopvolger van de rechtbank Groningen) is een procedure geregistreerd ter zake van het beweerdelijk door eiser bij brief van 12 januari 2010 ingestelde beroep. Evenmin zijn de brieven van 12 januari 2011 en 12 januari 2012 destijds ontvangen. De griffier van de rechtbank Noord-Nederland heeft in dit verband bij brief van 6 september 2013 meegedeeld dat, afgezien van de op 17 juli 2013 van eiser ontvangen brief, geen nadere gegevens of procedures van eiser bekend zijn. Ook heeft de griffier van de rechtbank Noord-Nederland meegedeeld dat de stempel op de brief van 12 januari 2010 geen stempel lijkt te zijn van de toenmalige rechtbank Groningen.

26.

Verder is het deze rechtbank ambtshalve bekend dat de stempel, zoals deze is geplaatst in de rechterbovenhoek van de brieven van 12 januari 2010, 12 januari 2011 en 12 januari 2012, niet werd gebruikt door de centrale balie van deze rechtbank. Noch in 2010, noch op enig ander moment daarvoor of daarna, is een dergelijk stempel bij (de centrale balie van) deze rechtbank in gebruik geweest. Dit betekent dat het uitgesloten is dat de stempels op de drie voornoemde brieven afkomstig zijn van de centrale balie van deze rechtbank.

27.

Op grond van het voorgaande moet eisers stelling, dat hij op 12 januari 2010 een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, worden verworpen. Nu het beroep tegen het uitblijven van een beslissing eerst op 17 juli 2013 is ontvangen, terwijl verweerder reeds in zijn beslissing van 14 juni 2013 had beslist op eisers aanvraag, is niet voldaan aan het in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, gestelde vereiste, dat verweerder ten tijde van de indiening van eisers beroepschrift in gebreke was.

28.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om een tegemoetkoming op de grond van de TRP.

Proceskosten

29.

Verweerder heeft verzocht eiser in de kosten van deze procedure te veroordelen wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

30.

Op basis van het samenstel aan geconstateerde ongerijmdheden concludeert de rechtbank dat eiser, dan wel zijn vroegere gemachtigde, [naam 1], de zogenaamde brief van verweerder van 1 september 2008 valselijk heeft opgemaakt, alsmede dat eiser dan wel zijn vroegere gemachtigde in strijd met de waarheid documenten met valse of vervalste datumstempels heeft opgesteld, waaronder de door eiser overgelegde TRP-aanvraag van 12 november 2007 en de brieven van 12 april 2008, 12 juni 2008, 12 januari 2010, 12 januari 2011 en 12 januari 2012. Vast staat dat de brief van 1 september 2008 niet van verweerder afkomstig is en dat de op de andere stukken geplaatste stempels niet zijn geplaatst door respectievelijk verweerder, deze rechtbank of de rechtbank Groningen. Met deze handelwijze heeft (de gemachtigde van) eiser opzettelijk een onjuist beeld van de werkelijkheid geschetst en zich daarbij bovendien bediend van valselijk opgemaakte documenten. Kennelijk is dit gedaan met geen ander doel dan te trachten dwangsommen en schadevergoedingen te incasseren. Dit moet worden aangemerkt als frauduleus handelen. Daarmee is evident sprake van onredelijk gebruik van procesrecht, hetgeen rechtvaardigt dat eiser in de door verweerder gemaakte kosten wordt veroordeeld. Een eventueel handelen van de gemachtigde van eiser moet in dit verband aan eiser worden toegerekend.

31.

Aangezien verweerder evenwel niet is vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig aan hem rechtsbijstand heeft verleend en ook overigens niet is gebleken van door verweerder gemaakte kosten, is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Het door verweerder gedane verzoek is om die reden niet toewijsbaar.

32.

Voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht kan, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.K. van Wijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.

de griffier

de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

D: B

SB