Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6225

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
AMS-13_5309
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In samenhang met zaaknummer AMS 13/5311: aanvraag AOW en aanvraag tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenevening (TRP). Vervalste formulieren gebruikt bij aanvragen. Ontvangststempels van SVB en ontvangstempels op zogenaamd bij de rechtbank ingediende beroepschriften stroken niet met door de SVB en de rechtbank gebruikte stempels.

Gelet op alle ongerijmdheden in de door eiser overgelegde ‘bewijsstukken’ concludeert de rechtbank dat eiser opzettelijk valse documenten heeft opgemaakt. Frauduleus handelen en onredelijk gebruik van procesrecht.

Samenvatting (inclusief zaaknummer AMS 13/5311):

Eiser heeft bij verschillende instanties per afzonderlijke brieven beroep ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op een bezwaarschrift, aanvragen om AOW-pensioen en een aanvraag op grond van de TRP. Het beroep van eiser ziet daarnaast op het reële besluit waarbij zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de TRP ongegrond wordt verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat eiser de aanvragen daadwerkelijk op de door hem gestelde data bij verweerder heeft ingediend. Ten aanzien van het bezwaarschrift is dit evenmin gebleken, hetgeen ook al bij een eerdere uitspraak van de Rechtbank Amsterdam is overwogen (7 oktober 2013, zaaknummer AMS 13/1673). Verschillende formulieren en stempels zijn vervalst. Slotsom is dat de beroepen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk zijn, nu verweerder niet in verzuim is geweest (tijdig) te beslissen. Het beroep tegen het reële besluit wordt ongegrond verklaard. Er is evident sprake van onredelijk gebruik van het procesrecht. Nu niet gebleken is dat door verweerder voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt, gaat de Rechtbank niet over tot een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/5309

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats] (Portugal), eiser,

(gemachtigde: voorheen[naam 1], thans mr. J.E. Groenenberg)

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van der Weerd).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op door hem in 2007 en 2008 gedane aanvragen om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Daarnaast heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen een besluit van 1 februari 2011, waarin verweerder de aanvraag van eiser om een AOW-pensioen had afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2014.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld door[naam 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een AOW-pensioen afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2013 (met zaaknummer AMS 13/1673) is het beroep van eiser tegen het besluit van 25 maart 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.[naam 1] was in die procedure eisers gemachtigde.

3.

Tegen de uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2013 heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Op het hoger beroep is nog niet beslist.

4.

Bij brief van 30 mei 2013, ingekomen bij de rechtbank Limburg op 31 mei 2013, heeft eiser meegedeeld dat hij op 15 juni 2011 een gerechtelijke procedure is begonnen tegen verweerder wegens het niet (op tijd) beslissen op zijn bezwaar van 15 februari 2011 tegen het besluit van 1 februari 2011.

5.

Bij brief van 15 juli 2013, ingekomen bij de rechtbank Limburg op 17 juli 2013, heeft eiser meegedeeld dat hij op 12 januari 2010 een gerechtelijke procedure is begonnen tegen verweerder wegens het niet (op tijd) afgeven van een beslissing met betrekking tot zijn AOW-aanvragen van 12 december 2007 en 12 december 2008.

6.

De brieven van 30 mei 2013 en 15 juli 2013 zijn aangemerkt als beroepschriften niet tijdig beslissen. Deze zijn (met bijgevoegde stukken) door de rechtbank Limburg doorgezonden aan de rechtbank Amsterdam. Deze rechtbank acht zich bevoegd kennis te nemen van de door eiser ingediende beroepschriften.

7.

Bij de beoordeling van beide beroepschriften, welke hierna afzonderlijk zullen worden beoordeeld, neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt.

8.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

9.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

10.

Een bestuursorgaan is in gebreke als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb indien het nog geen besluit heeft genomen en indien de wettelijke termijn voor het nemen van dat besluit is overschreden.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen om AOW-pensioen

11.

Eiser stelt dat hij op 12 december 2007 en op 12 december 2008 aanvragen om een AOW-pensioen bij verweerder heeft gedaan, dat een beslissing daarop is uitgebleven en dat hij verweerder daarna herhaaldelijk in gebreke heeft gesteld. Al deze stukken heeft de vroegere gemachtigde van eiser bij de balie van de vestiging van verweerder in Leiden afgegeven. Als bewijs dat de aanvragen en ingebrekestellingen bij verweerder zijn ingeleverd, heeft eiser kopieën van die betreffende stukken overgelegd met daarop een ontvangststempel van verweerder. Ook op die ingebrekestellingen heeft verweerder volgens eiser niet gereageerd. Verder stelt eiser dat hij in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn aanvragen om een AOW-pensioen op 12 januari 2010 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Roermond. Eiser heeft een kopie van een op 12 januari 2010 gedateerde en aan de rechtbank Roermond gerichte brief overgelegd, waarin staat dat hij beroep indient wegens het uitblijven van een tweetal aangevraagde beschikkingen voor een AOW-pensioen. Als bewijs dat die brief destijds door de rechtbank is ontvangen, heeft eiser gewezen op de op de kopie geplaatste stempel met de tekst: “Griffieexemplaar ingekomen op 12 JAN 2010 bij de Centrale Balie”. Daarnaast heeft eiser een kopie van een aan hem gerichte brief van 1 februari 2010 overgelegd, waarin de ontvangst van eisers beroepsprocedure van 12 januari 2010 wordt bevestigd. Ter zitting in beroep is namens eiser het (nadere) standpunt ingenomen dat de vroegere gemachtigde van eiser,[naam 1], de brief van 12 januari 2010 niet bij de centrale balie van de rechtbank Roermond, maar bij de centrale balie van de rechtbank Amsterdam heeft ingediend met het verzoek die brief door te sturen naar de rechtbank Roermond. De ontvangststempel in de rechterbovenhoek van de brief van 12 januari 2010 is door een medewerker van de centrale balie van de rechtbank Amsterdam geplaatst, aldus eiser.

12.

Verweerder heeft uitdrukkelijk betwist de aanvragen, die eiser bij verweerder stelt te hebben ingediend op 12 december 2007 en 12 december 2008, te hebben ontvangen. Ook heeft verweerder betwist dat hij enige in verband hiermee beweerdelijk door eiser verzonden ingebrekestelling heeft ontvangen. Van al die beweerdelijk ingediende stukken is niets geregistreerd in het systeem van verweerder. De stempel op de door eiser overgelegde stukken die bij de vestiging van verweerder in Leiden zouden zijn afgegeven, is niet de stempel die door verweerder wordt gebruikt voor inkomende post of wanneer iemand iets aan de balie afgeeft. Verweerder wijst er bovendien op dat op de door eiser overgelegde kopie van het aanvraagformulier van december 2007 rechtsonder de code ‘5NT/0308’ is vermeld. Blijkens die code is dat formulier pas vanaf maart 2008 in gebruik is genomen, zodat eiser het formulier niet in december 2007 kan hebben gebruikt. Datzelfde geldt voor de bij het door eiser overgelegde aanvraagformulier gevoegde bijlage ‘Inkomstenopgave’. Op dat formulier ‘Inkomstenopgave’ is rechtsonder de code ‘NT 01/09’ vermeld. Blijkens deze code is dit formulier pas in 2009 in gebruik genomen door verweerder. De voordien gebruikte formulieren hadden een andere code. Ten aanzien van de door eiser overgelegde ingebrekestelling van 12 juni 2008 merkt verweerder nog op dat eiser daarin verwijst naar de huidige artikelen 4:17 tot en met 4:20 van de Awb, terwijl die bepalingen pas op 1 januari 2009 in de wet zijn opgenomen.

Volgens verweerder heeft hij voor het eerst op 30 juni 2010 een aanvraag van eiser om een AOW-pensioen ontvangen. Op die aanvraag is beslist in het besluit van 1 februari 2011, aldus verweerder.

13.

De rechtbank is van oordeel dat eiser geenszins aannemelijk heeft gemaakt, laat staan heeft aangetoond, dat hij in 2007 en 2008 aanvragen om een AOW-pensioen heeft gedaan bij verweerder of dat hij verweerder ter zake van die aanvragen in gebreke heeft gesteld. Hiertoe is onder meer van belang dat die aanvragen en ingebrekestellingen bij verweerder in het geheel niet bekend zijn, dat het beweerdelijk door eiser gebruikte aanvraagformulier en de bijgevoegde Inkomstenopgave destijds nog niet in gebruik waren bij verweerder en dat de op de door eiser overgelegde (beweerdelijk bij de balie van de vestiging van verweerder in Leiden afgegeven) stukken geplaatste stempels door verweerder niet werden of worden gebruikt om de ontvangst van ingekomen of aan de balie afgegeven stukken te bevestigen. Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat sprake is van ongerijmdheden en discrepanties in de stellingname van eiser waarvoor hij geen deugdelijke verklaring heeft kunnen geven.

14.

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser niet eerder dan op 30 juni 2010 een aanvraag om een AOW-pensioen heeft gedaan. Op die aanvraag is beslist bij besluit van 1 februari 2011. Dit betekent dat het door eiser ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn AOW-aanvraag – veronderstellenderwijs uitgaande van de door eiser gestelde datum van indiening van dat beroepschrift (12 januari 2010) – prematuur is ingediend, omdat eiser op dat moment nog geen AOW-aanvraag had gedaan en verweerder dus niet in gebreke was als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op beweerdelijk door hem in 2007 en 2008 gedane aanvragen om een AOW-pensioen.

15.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat overigens niet kan worden uitgegaan van de door eiser gestelde datum van indiening van zijn beroepschrift. Dit verandert evenwel niets aan de constatering dat verweerder niet in gebreke was in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb op het moment dat eiser zijn beroepschrift wegens niet tijdig beslissen op zijn aanvraag indiende. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

16.

Het beroepschrift van eiser tegen het niet tijdig beslissen op door hem gedane aanvragen om AOW-pensioen is op 17 juli 2013 ontvangen. Anders dan eiser stelt, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk geworden, laat staan aangetoond, dat hij al eerder, te weten op 12 januari 2010, een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank had ingesteld. Daartoe is het volgende redengevend.

17.

Vastgesteld moet worden dat noch bij deze rechtbank, noch bij de rechtbank Limburg (als rechtsopvolger van de rechtbank Roermond), een procedure geregistreerd is ter zake van het beweerdelijk door eiser bij brief van 12 januari 2010 ingestelde beroep. Verder heeft de griffier van de rechtbank Limburg bij brief van 1 augustus 2013 meegedeeld dat in 2010 nimmer op enigerlei wijze, ook niet bij de centrale balie, de beweerdelijke brief van 12 januari 2010 door de rechtbank Roermond is ontvangen.

18.

Met betrekking tot eisers eerst ter zitting ingenomen standpunt dat hij de brief van 12 januari 2010 heeft afgegeven bij de centrale balie van de rechtbank Amsterdam wordt het volgende overwogen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de stempel, zoals deze is geplaatst in de rechterbovenhoek van de brief van 12 januari 2010, niet werd gebruikt door de centrale balie van deze rechtbank. Noch in 2010, noch op enig ander moment daarvoor of daarna, is een dergelijk stempel bij (de centrale balie van) deze rechtbank in gebruik geweest. Dit betekent dat het uitgesloten is dat de stempel op de brief van 12 januari 2010 afkomstig is van (de centrale balie van) deze rechtbank.

19.

Over de door eiser overgelegde kopie van een brief van 1 februari 2010, waarin de ontvangst van een via de rechtbank Amsterdam ontvangen beroepsprocedure van 12 januari 2010 wordt bevestigd, overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het briefhoofd zou die brief afkomstig zijn van “de Rechtspraak, Rechtbank Limburg”. Vastgesteld moet echter worden dat de rechtbank Limburg niet eerder dan op 1 januari 2013 met de Wet herziening gerechtelijke kaart is ontstaan als samenvoeging van de rechtbanken Roermond en Maastricht. Het is zodoende onmogelijk dat eiser op 1 februari 2010 een brief heeft ontvangen die afkomstig is van de rechtbank Limburg.

20.

Gelet op het voorgaande moet eisers stelling, dat hij op 12 januari 2010 het beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, worden verworpen. Aangezien het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvragen om AOW-pensioen pas op 17 juli 2013 is ontvangen, terwijl verweerder reeds op 1 februari 2011 had beslist op eisers aanvraag om toekenning van een AOW-pensioen, is niet voldaan aan het in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb gestelde vereiste, dat verweerder ten tijde van de indiening van eisers beroepschrift in gebreke was.

21.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op beweerdelijk door hem in 2007 en 2008 gedane aanvragen om een AOW-pensioen, alsmede voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van de door hem op 30 juni 2010 gedane aanvraag om een AOW-pensioen.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar

22.

Eiser stelt dat hij op 15 februari 2011 een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend tegen het besluit van 1 februari 2011, waarin zijn aanvraag om een AOW-pensioen is afgewezen. Verder stelt eiser dat hij in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar op 15 juni 2011 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Roermond. Eiser heeft een kopie van een op 15 juni 2011 gedateerde en aan de rechtbank Roermond gerichte brief overgelegd, waarin staat dat hij genoodzaakt is een gerechtelijke procedure te beginnen tegen verweerder wegens het niet (op tijd) beslissen op zijn bezwaar van 15 februari 2011. Als bewijs dat die brief destijds door de rechtbank Roermond is ontvangen, heeft eiser gewezen op de op die brief geplaatste stempel met de tekst: “Griffieexemplaar ingekomen op 15 JUN 2011 bij de Centrale Balie”. Ter zitting in beroep is namens eiser het (nadere) standpunt ingenomen dat de vroegere gemachtigde van eiser de brief van 15 juni 2011 niet bij de centrale balie van de rechtbank Roermond, maar bij de centrale balie van de rechtbank Amsterdam heeft ingediend met het verzoek die brief door te sturen naar de rechtbank Roermond. De ontvangststempel in de rechterbovenhoek van de brief van 15 juni 2011 is door een medewerker van de centrale balie van de rechtbank Amsterdam geplaatst, aldus eiser.

23.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op 15 februari 2011 geen bezwaarschrift heeft ingediend, maar dat dat eerst op 25 oktober 2012 is gebeurd. Op dat bezwaar is beslist in het besluit van 25 maart 2013, zodat van een niet tijdig beslissen op het bezwaar geen sprake is, aldus verweerder. Verweerder wijst erop dat dit geschilpunt reeds onderwerp is geweest van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 7 oktober 2013. Daarin is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat eiser op 15 februari 2011 bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2011. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak vastgesteld dat eiser niet eerder dan op 25 oktober 2012 bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2011, zodat dat bezwaar door verweerder in het besluit van 25 maart 2013 terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding.

24.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet reeds op 15 februari 2011 maar pas op 25 oktober 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2011. De rechtbank verwijst naar hetgeen in de uitspraak van 7 oktober 2013 (met zaaknummer AMS 13/1673) hierover is overwogen en maakt die overwegingen tot de hare. Dit betekent dat het door eiser ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift – hierbij veronderstellenderwijs uitgaande van de door eiser gestelde datum van indiening van dat beroepschrift (15 juni 2011) – prematuur is ingediend, omdat eiser op dat moment nog geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 1 februari 2011 en verweerder dus niet in gebreke was als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2011.

25.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat overigens niet kan worden uitgegaan van de door eiser gestelde datum van indiening van zijn beroepschrift. Dit verandert evenwel niets aan de constatering dat verweerder niet in gebreke was in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb op het moment dat eiser zijn beroepschrift wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar indiende. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

26.

Het beroepschrift van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar is op 31 mei 2013 ontvangen. Anders dan eiser stelt, is geenszins aannemelijk geworden dat hij al eerder, te weten op 15 juni 2011, een beroep niet tijdig beslissen had ingesteld. Daartoe is het volgende redengevend.

27.

Noch bij deze rechtbank, noch bij de rechtbank Limburg (als rechtsopvolger van de rechtbank Roermond) is een procedure geregistreerd ter zake van het beweerdelijk door eiser bij brief van 15 juni 2011 ingestelde beroep.

28.

Verder is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de stempel, zoals deze is geplaatst in de rechterbovenhoek van de brief van 15 juni 2011, niet werd gebruikt door de centrale balie van deze rechtbank. Noch in 2011, noch op enig ander moment daarvoor of daarna, is een dergelijk stempel bij (de centrale balie van) deze rechtbank in gebruik geweest. Dit betekent dat het uitgesloten is dat de stempel op de brief van 15 juni 2011 afkomstig is van (de centrale balie van) deze rechtbank.

29.

Op grond van het voorgaande moet eisers stelling, dat hij op 15 juni 2011 beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, worden verworpen. Nu het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar eerst op 31 mei 2013 is ontvangen, terwijl verweerder reeds in zijn beslissing van 25 maart 2013 had beslist op eisers bezwaar, is niet voldaan aan het in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, gestelde vereiste, dat verweerder ten tijde van de indiening van eisers beroepschrift in gebreke was.

30.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat eiser eveneens niet-ontvankelijk is in zijn beroep in zoverre dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2011.

Slotsom en proceskosten

31.

Eiser is niet-ontvankelijk in zijn beroep. Bij deze uitkomst wordt niet toegekomen aan beoordeling van de door eiser gevorderde dwangsommen.

32.

Hoewel verweerder in deze zaak niet heeft gevraagd eiser te veroordelen in de proceskosten ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding in dit verband niettemin het volgende te overwegen.

33.

Op basis van het samenstel aan geconstateerde ongerijmdheden concludeert de rechtbank dat eiser, dan wel diens vroegere gemachtigde ([naam 1]), de zogenaamde brief van de rechtbank Limburg van 1 februari 2010 valselijk heeft opgemaakt, alsmede dat eiser dan wel zijn vroegere gemachtigde in strijd met de waarheid documenten met valse of vervalste datumstempels heeft opgesteld, waaronder de zogenaamde ontvangstbevestigingen van de AOW-aanvragen uit 2007 en 2008, het zogenaamde bezwaarschrift van 15 februari 2011 en de zogenaamde beroepschriften van 12 januari 2010 en 15 juni 2011. Vast staat dat de brief van 1 februari 2010 niet afkomstig is van de rechtbank Limburg en dat de op de andere stukken geplaatste ontvangststempels niet zijn geplaatst door respectievelijk verweerder, deze rechtbank of de rechtbank Roermond. Met deze handelswijze heeft (de gemachtigde van) eiser opzettelijk een onjuist beeld van de werkelijkheid geschetst en zich daarbij bovendien bediend van valselijk opgemaakte documenten. Kennelijk is dit gedaan met geen ander doel dan te trachten dwangsommen en schadevergoedingen te incasseren. Dit moet worden aangemerkt als frauduleus handelen. Daarmee is evident sprake van onredelijk gebruik van procesrecht, hetgeen rechtvaardigt dat eiser in de door verweerder gemaakte kosten wordt veroordeeld. Een eventueel handelen van de gemachtigde van eiser moet in dit verband aan eiser worden toegerekend.

34.

Aangezien verweerder evenwel niet is vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig aan hem rechtsbijstand heeft verleend en ook overigens niet is gebleken van door verweerder gemaakte kosten, is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

35.

Voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht kan, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.K. van Wijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.

de griffier

de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

D: B

SB