Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6208

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_7543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW, 100% boete wegens schending inlichtingenplicht door de rechtbank lager vastgesteld. Duur van de periode van niet melden is mede te wijten aan omstandigheden aan de zijde van verweerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/7543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde R. Zaagsma).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 juli 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien over de periode van 10 december 2012 tot en met 24 februari 2013 en een bedrag van € 5.038,21 van hem teruggevorderd. Voorts heeft verweerder eiser een boete opgelegd, omdat hij niet correct en tijdig had doorgegeven dat hij weer aan het werk was.

Bij besluit van 18 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser ontving met ingang van 1 november 2012 een (herleefde) WW-uitkering.

2.

Op 10 december 2012 is eiser voor 38,75 uur per week aan het werk gegaan bij [firma].

3.

Bij wijzigingsformulier van 5 maart 2013 heeft eiser verweerder meegedeeld dat hij vanaf 1 februari 2013 weer volledig aan het werk is bij [firma]. Verweerder heeft vervolgens gegevens opgevraagd bij deze werkgever. Daaruit blijkt dat eiser al sinds 10 december 2012 bij deze werkgever werkzaam is.

4.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet tijdig mee te delen dat hij weer volledig aan het werk was sinds 10 december 2012. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot herziening en terugvordering van het onverschuldigde betaalde bedrag van € 5.038,21. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Eiser was op de hoogte van zijn inlichtingenplicht. Eiser kan zowel subjectief als objectief van het niet (tijdig en correct) melden een verwijt worden gemaakt. Wegens het niet (behoorlijk) nakomen van deze verplichting is dan ook terecht een boete opgelegd. Verweerder stelt de boete vast op € 3.950, wegens verminderde verwijtbaarheid.

5.

Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer niet langer werkloos is.

5.2.

Ingevolge artikel 25, van de WW - voor zover hier relevant - is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

5.3.

Artikel 27a van de WW bepaalt met ingang van 1 januari 2013 dat het UWV een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

Op grond van het achtste lid van artikel 27a kan het UWV:

  1. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

  2. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.4.

Artikel 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten – zoals dit luidt met ingang van 1 januari 2013 – bepaalt als volgt.

1.

De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, en bij recidive van overtreding van de inlichtingenverplichting op 150 procent van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

6.5.

Artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten bepaalt:

1.

Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

6.6.

Artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel boete werknemer 2013 (inwerking getreden op 1 december 2013 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013, Staatscourant 9 december 2013, Nr. 31799) bepaalt dat het basisboetebedrag is gelijk aan 100% van het benadelingsbedrag of, indien er sprake is van recidive, gelijk aan 150% van het benadelingsbedrag.

6.7.

Artikel 5 van de Beleidsregel boete werknemer 2013 bepaalt als volgt:

1.

De hoogte van de boete na afstemming wordt berekend door het basisboetebedrag te vermenigvuldigen met een percentage. Uitgangspunt zijn boetes van 25%, 50%, 75% of 100% van het basisboetebedrag.

2.

Indien verwijtbaarheid geheel ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

6.

Eiser heeft (eerst) ter zitting aangevoerd dat hij persisteert bij de in bezwaar aangevoerde gronden. Eiser betwist niet de herziening en terugvordering van de teveel betaalde WW-uitkering, maar enkel de opgelegde boete. Eiser stelt dat de boete onevenredig hoog is. Verweerder heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de eerst ter zitting aangevoerde gronden. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot een beoordeling van de door verweerder opgelegde boete.

7.

Niet in geschil is dat eiser de op 10 december 2012 aangevangen werkzaamheden niet tijdig, namelijk eerst bij wijzigingsformulier van 5 maart 2013, aan verweerder heeft gemeld. Het niet tijdig melden van werkzaamheden is, gelet op artikel 25 in samenhang met artikel 27a van de WW, een boetewaardige gedraging. Eiser kan van deze gedraging zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. Verweerder is ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW gehouden eiser een boete op te leggen. Bovendien zal, bij verwijtbaarheid, de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarvan deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden van het geval. (zie Centrale Raad van Beroep uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2800)

8.

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (hierna: Sanctiewet) op de boete het sinds 1 januari 2013 geldende artikel 27a van de WW op deze zaak van toepassing. Op grond van genoemd artikel XXV blijft ten aanzien van beboetbare overtredingen die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag van inwerkingtreding van de Sanctiewet en voortduren op de dag waarop de Sanctiewet in werking is getreden, het oude recht van toepassing mits de overtreding uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop de Sanctiewet in werking is getreden is opgeheven of geconstateerd. In dit geval is de overtreding geconstateerd op of na 5 maart 2013. De overtreding is dus niet opgeheven vóór 31 januari 2013. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op de zaak van eiser gelet op het overgangsrecht het nieuwe recht zoals dat geldt sinds 1 januari 2013 van toepassing is. Zie in een vergelijkbare zaak de uitspraak van 16 mei 2001 van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2001:AN7162.

9.

Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat schending van de inlichtingenplicht ook vóór 1 januari 2013 was aangemerkt als een strafwaardige gedraging, maar dat maximale sanctie aanzienlijk lager was dan in het nieuwe boeteregime. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten zoals dit gold tot 1 januari 2013) werd de bestuurlijke boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52 wordt vastgesteld. Na de inwerkingtreding van de Sanctiewet en daarmee artikel 27a van de WW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) wordt voor dezelfde gedraging op of ná 1 januari 2013 in beginsel een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank verzet hetgeen is bepaald in de artikelen 15, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 7, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 1 van het Wetboek van Strafrecht en 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich ertegen dat een gedraging wordt bestraft met een sanctie die hoger is dan de sanctie die gold op het tijdstip waarop het feit of de omstandigheid zich voordeed. Indien de strafdreiging is verhoogd na het plegen van het feit, moet de rechter bij de straftoemeting blijven binnen het maximum dat gold ten tijde van het plegen van het feit. Dit betekent dat de boete zoals die is opgelegd niet in rechte standhoudt. Verweerder heeft immers over de gehele periode een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag.

10.

Gelet op artikel 8:72a, van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en bepalen welke boete passend en geboden is. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8 komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder voor de schending van de inlichtingenplicht gepleegd vóór 1 januari 2013 een boete kan opleggen die maximaal het bedrag van de op dat moment geldende maatregel bedraagt. Voor de schending van de inlichtingenplicht in de periode met ingang van 1 januari 2013 is verweerder in beginsel gehouden een boete op te leggen van 100% van het benadelingsbedrag. Een en ander betekent dat eiser over de periode van 10 december 2010 tot en met 31 december 2012 een boete zal worden opgelegd ten bedrage van € 125 (10% van € 1.245 de uitkering over 21 dagen). Over de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 maart 2013 zal een boete worden opgelegd van € 3.793 (100% van het benadelingsbedrag), zodat de boete in totaal € 3.918 zal bedragen.

11.

Voorts heeft verweerder verminderde verwijtbaarheid aangenomen, die op grond van artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten zou moeten leiden tot verlaging tot 75% van de boete. Dit betekent dat de boete € 2938 zou moeten bedragen.

12.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de opgelegde boete evenredig is. (zie in dit verband onder meer CRvB 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780, en CRvB 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914, AB 2010/229, m.nt. R. Stijnen). Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser blijkens het wijzigingsformulier van 5 maart 2013 meermalen (tienmaal) heeft geprobeerd door te geven dat hij weer aan het werk was, maar dat dit is mislukt vanwege telefonische en digitale onbereikbaarheid van verweerder. Verweerder heeft dit niet betwist. In het bestreden besluit heeft verweerder ook erkend dat er in januari 2013 problemen zijn geweest met de website. Verweerder heeft echter niet aangegeven hoe lang deze situatie heeft geduurd. Onduidelijk voor de rechtbank is dan ook in hoeverre de schending van de inlichtingenplicht is doorgelopen door aan verweerder te wijten omstandigheden. De rechtbank ziet in dit alles aanleiding om de boete verder te beperken tot in totaal € 1000,-.

13.

De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen die zouden moeten leiden tot het afzien van het opleggen van een boete.

14.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de boete opleggen zoals die in rechtsoverweging 12 is vastgesteld. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

15.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser, die worden begroot op € 236,- (1 punt voor het beroepschrift x € 472,-). De wegingsfactor van het beroepschrift is verlaagd omdat de voormalige gemachtigde van eiser slechts beroep op nader aan te voeren gronden heeft ingediend.

Verweerder zal eiser tevens het betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt bestreden besluit;

- legt eiser een boete op van € 1.000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het gestorte griffierecht ten bedrage van € 44,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter, in aanwezigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:

SB