Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6182

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
JE RK 14-1041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoek verlengen ondertoezichtstelling. De kinderrechter constateert dat, gelet op de standpunten van partijen, van een verbetering in de samenwerking tussen de vader en JBRA in de nabije toekomst niet veel te verwachten valt. Daargelaten dat zulks, zoals hierboven weergegeven, ook geen doel op zich is van een ondertoezichtstelling, maakt de kinderrechter zich zorgen dat de onderlinge slechte verstandhouding tussen de vader en JBRA zijn negatieve weerslag kan hebben op het welzijn van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging ondertoezichtstelling

Zaaknummer: C/13/569386 / JE RK 14/1041

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het verzoek van Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: JBRA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te[plaats] op [datum].

[moeder], wonende te[plaats], is de moeder.

[vader], wonende te [plaats], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de ouders.

1 Verloop van de procedure

Op 17 juli 2014 heeft JBRA een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waaronder het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden aan te houden.

Op 1 september 2014 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

- mevrouw [naam 1], namens JBRA,

- de moeder, bijgestaan door een tolk,

- de vader, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. G.M. Haring.

De beslissing is nader bepaald in afwachting van nadere stukken.

Op 2 september 2014 heeft JBRA een schrijven ingediend over de stand van zaken omtrent de speltherapie. De raadsvrouw heeft hier per fax van 9 september 2014 op gereageerd.

De uitspraak is bepaald op 10 september 2014.

2. Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 3 maart 2014 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 5 september 2014.

JBRA heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij het verzoek. JBRA heeft verklaard dat ondanks de email van april toch een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is. De moeder had het plan om met de minderjarige voorgoed naar Japan te gaan en de vader wilde daaraan meewerken. Het leek de goede kant op te gaan tussen de ouders. Toen kwam er echter een telefoontje en email van de vader waar zij enorm van geschrokken zijn. Er is veel misgegaan tussen JBRA en de vader. De moeder slaat dicht in gesprekken met de vader en zij is bang als hij boos wordt. De speltherapie is begin dit jaar gestopt omdat de problematiek rondom de scheiding tussen de moeder en de vader nog niet is opgelost en dat een zware druk legt op [minderjarige].

De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat de situatie niet is veranderd. De schoolresultaten van de minderjarige zijn wel verbeterd. Zij vindt dat zij als ouders nog steeds niet goed met elkaar praten. Zij zijn onder behandeling van een psychiater. De minderjarige heeft kind therapie gehad. Zij is ook een keer mee geweest. Zij zou graag teruggaan naar Japan, maar de vader is daar tegen. De komende zes maanden is begeleiding door een gezinsvoogd nog nodig.

De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is om verder te gaan met gesprekken. Hij staat ook niet onwelwillend tegenover het naar Japan gaan. Er moet dan echter heel veel geregeld worden omdat de vader zich dan ook in Japan wil vestigen. De communicatie tussen de ouders is op dit moment slecht. Daar wordt door psychiater [naam 2] echter aan gewerkt en verbeteringen zijn zichtbaar. Een ondertoezichtstelling werkt vertragend en is niet meer nodig. De speltherapie is stopgezet, omdat het beter ging, althans zo heeft de vader dat destijds begrepen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat de verlenging van de ondertoezichtstelling in april nog niet nodig was en niet is in te zien waarom dat in mei opeens anders was. Het is de vraag wat er sindsdien is veranderd in de problematiek. Het ingezette traject van hulpverlening wordt door alle partijen gevolgd.

OVERWEGINGEN

De kinderrechter overweegt als volgt.

Het oorspronkelijke standpunt van JBRA om de ondertoezichtstelling niet te verlengen

Uit het dossier volgt dat JBRA het afgelopen jaar langere tijd de mening was toegedaan dat een verlenging van de ondertoezichtstelling na 4 september 2014 niet nodig zou zijn.

In een door de raadsvrouw van de vader overgelegde email van 11 april 2014 van [naam 1] aan, onder meer, de ouders staat:

Ik ben van mening dat er geen dwang of drang hulpverlening nodig is in de vorm van een OTS, omdat ouders meewerken aan de hulpverlening. En [minderjarige] niet een meisje is dat uit huis zal worden geplaatst. Zij heeft ouders die beide veel van haar houden en het beste met haar voor hebben.

In een door de raadsvrouw van de vader overgelegde brief van 28 augustus 2014 van psychiater [naam 2]staat dat [minderjarige] en de ouders vanaf maart 2013 bij hem in behandeling/begeleiding zijn. [naam 2] stelt dat het op alle fronten beter gaat. [minderjarige] komt meer uit haar loyaliteitsproblemen, de ouders zijn duidelijk meer ‘on speaking terms’ en de schoolresultaten zijn duidelijk verbeterd, hetgeen bij de laatste bespreking bij JBRA werd onderstreept. Besloten werd dat er geen verlenging van de OTS zou worden aangevraagd. [naam 2] zou, als behandelend psychiater, meewerken aan een door [naam 1] op te stellen borgingsplan. De therapie van de ouders en [minderjarige] zou worden voortgezet eventueel aangevuld met andere therapeuten indien nodig. [naam 2] verbaast zich erover dat er alsnog een verlenging van de OTS is aangevraagd, aldus voormelde brief.

Ter zitting heeft JBRA desgevraagd aangegeven dat een verlenging alsnog noodzakelijk is nu er sprake is van een verslechtering in de samenwerking met de vader. De vader heeft dit ter zitting niet betwist en de kinderrechter heeft ook zelf kunnen constateren dat er tussen de vader en[naam 1] op dit moment geen sprake is van een goede verstandhouding.

Voorts stelt de kinderrechter vast dat de vader en de moeder ter zitting hebben aangegeven dat hun onderlinge communicatie op dit moment, anders dan de brief van [naam 2] op dit punt lijkt te suggereren, slecht is.

Aldus bezien is er sprake van een, in negatieve zin, veranderde situatie ten opzichte van de periode dat JBRA een verlenging niet langer noodzakelijk achtte.

Het gewijzigde standpunt van JBRA

De kinderrechter acht het van belang te benadrukken dat een ondertoezichtstelling gericht dient te zijn op het op een voor de minderjarige verantwoorde wijze teruggeven van het ouderlijk gezag aan de ouders. Problemen tussen enerzijds JBRA en anderzijds (een van) de ouders zouden aan die doelstelling niet in de weg moeten staan. In de onderhavige zaak lijkt dat, getuige het gebrek aan samenwerking tussen JBRA en de vader, echter wel het geval te zijn.

In het verlengingsverzoek heeft JBRA, zakelijk weergegeven, de volgende, in de verlengingsperiode na te streven, doelen geformuleerd:

  • -

    Met hulp van de psychiater een weg vinden om [minderjarige] aan elkaar te gunnen

  • -

    Hervatten Spel-therapie [minderjarige]

  • -

    Samenwerking met vader: zicht krijgen op de thuissituatie bij de vader.

De vraag die zich aandient is of de ouders ook zonder een ondertoezichtstelling aan deze doelen kunnen en zullen werken en, als nee, of deze doelen de ondertoezichtstelling kunnen dragen.

De kinderrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de ouders een sterke wil hebben om hun onderlinge communicatie ten positieve te veranderen en dat beide ouders ernaar streven om [minderjarige] op een ongecompliceerde wijze van beide ouders te kunnen laten houden.

Daartoe is, onder regie van psychiater [naam 2], een behandel- en begeleidingstraject ingezet.

Uit de brief van [naam 2] volgt dat dit traject zal worden doorgezet en dat, waar nodig, andere therapeuten zullen worden ingeschakeld. Ook de Spel-therapie van [minderjarige] kan dan weer aan bod komen.

Niet is gebleken dat de vader of de moeder van plan is om dit traject stop te zetten. Voorts is niet gesteld dat op dit vlak andere hulp ingezet moet worden en/of dat de ouders niet aan die eventuele andere hulp zouden (willen) meewerken.

Aan de eerste twee hierboven weergegeven doelen wordt aldus door de vader en de moeder gewerkt.

Resteert het derde doel, een betere samenwerking met de vader, waaronder zicht krijgen op de thuissituatie bij de vader. De kinderrechter heeft de vader ter zitting aldus verstaan dat er, zolang JBRA eerder gemaakte fouten niet ruiterlijk en schriftelijk erkent, van een goede samenwerking geen sprake zal zijn. Bovendien ziet de vader de meerwaarde niet van een huisbezoek, nu Altra eerder al uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar de thuissituatie bij de vader en toen alles goed is bevonden, aldus de vader. De kinderrechter begrijpt het antwoord van [naam 1] aldus dat het door haar leidinggevenden niet wordt toegestaan om aan het verzoek van de vader te voldoen en dat het onderzoek van Altra een onderzoek uit 2011 betrof en zij de thuissituatie bij de vader, gelet op het tijdsverloop en de bij JBRA gebruikelijke werkwijze, graag opnieuw wil beoordelen.

De kinderrechter constateert dat, gelet op de standpunten van partijen, van een verbetering in de samenwerking tussen de vader en JBRA in de nabije toekomst niet veel te verwachten valt. Daargelaten dat zulks, zoals hierboven weergegeven, ook geen doel op zich is van een ondertoezichtstelling, maakt de kinderrechter zich zorgen dat de onderlinge slechte verstandhouding tussen de vader en JBRA zijn negatieve weerslag kan hebben op het welzijn van [minderjarige].

Voorts acht de kinderrechter het niet noodzakelijk om een verlenging van de ondertoezichtstelling uit te spreken teneinde JBRA, al dan niet na een eventuele aanwijzing ex artikel 1:258 BW, de toegang te laten verschaffen tot de thuissituatie bij de vader. Onbetwist is immers gesteld dat de thuissituatie bij de vader in 2011 als goed is beoordeeld en niet is gebleken dat in de situatie dan wel het gedrag van de vader nadien wezenlijke veranderingen zijn opgetreden dan wel dat uit/via (het gedrag van) [minderjarige] afgeleid kan worden dat de thuissituatie bij de vader en zijn omgang met [minderjarige] aldaar niet in orde is. Bovendien was JBRA in april jl. nog de mening toegedaan dat een verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer nodig was terwijl een huisbezoek op dat moment nog niet had plaatsgevonden.

De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook afwijzen. De vader en de moeder zullen, op vrijwillige basis, het traject bij psychiater [naam 2] kunnen voortzetten. De kinderrechter hoopt dat dit traject dusdanige vruchten afwerpt dat [minderjarige] snel verder kan met haar Speltherapie. Om dat doel te bereiken is wellicht een intensivering van de begeleiding/behandeling van de moeder en/of de vader door [naam 2] en/of een andere therapeut noodzakelijk.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.G. Odink, kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van den Hout-Wilbers, griffier.1

de griffier is buiten staat deze

beschikking mede te ondertekenen.

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.