Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6156

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13/845014-11 , 14/3517
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Raadkamer rekestprocedure betreffende het bezwaarschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris inhoudende de weigering om de door verdachte verzochte getuigen te horen.

De verdediging wenst primair het horen van de getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Subsidiair wenst de verdediging de getuigen in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te horen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet heeft gemaakt op welke wijze het horen van de getuigen kan bijdragen aan het vaststellen van relevante feiten in het kader van het onderzoek naar een mogelijk vormverzuim ex. artikel 359a Sv. De verdachte wordt bij deze stand van zaken dan ook redelijkerwijs niet in zijn verdediging ziende op artikel 359a Sv geschaad door het niet horen van de getuigen. Ook heeft de verdediging niet aannemelijk gemaakt dat het horen van de getuigen noodzakelijkerwijs kan bijdragen aan enig in deze strafzaak te nemen beslissing en is derhalve thans niet relevant te achten in het kader van beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift dan ook ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/845014-11

RK: 14/3517

BESCHIKKING

van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

wonend op het adres [adres], [woonplaats], domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. R-J Boswijk,

[adres, te plaats],

verder te noemen: verdachte.

1 Procesgang

Het bezwaarschrift is op 28 mei 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 12 augustus 2014 de gemachtigde raadsman van verdachte,

mr. R-J Boswijk, en de officieren van justitie, mrs. C.P.W. Kok en H.J. Hart, in besloten raadkamer gehoord.

Verdachte is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 23 mei 2014, inhoudende de weigering de door verdachte gewenste onderzoekshandeling te verrichten.

Namens verdachte heeft de raadsman op 1 mei 2014 de rechter-commissaris verzocht een

onderzoekshandeling te verrichten, te weten het horen als getuige van

  • -

    [naam 1];

  • -

    [naam 2];

  • -

    [naam 3];

  • -

    [naam 4].

Naar aanleiding van nieuwe stukken die op 27 juni 2014 aan het dossier zijn toegevoegd, heeft de raadsman per brief van 22 juli 2014 de rechter-commissaris verzocht haar beslissing van

23 mei 2014 in heroverweging te nemen.

Per brief van 7 augustus 2014 heeft de rechter-commissaris te kennen gegeven dat zij, gelet op de nieuwe stukken, aanleiding ziet om [naam 4] alsnog als getuige te horen. De rechter-commissaris persisteert bij de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [naam 3] en [naam 2] als getuigen te horen. Ook persisteert de rechter-commissaris bij de huidige stand van zaken bij de afwijzing van het verzoek om [naam 1] als getuige te horen.

De rechter-commissaris heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd.

Ten aanzien van [naam 2]

[Organisatie] heeft in haar verklaring van 17 juli 2014 te kennen gegeven dat van enige betrokkenheid geen sprake is geweest, noch van enige aandrang van de zijde van de

[Organisatie] of haar [functie 1]. Verder hebben de officieren van justitie bij brief van

7 augustus 2014 laten weten dat de beslissing om de zaak op te pakken door het Openbaar Ministerie is genomen, zonder enige ruggespraak of vooroverleg met [naam 2]. Op de vraag van de rechter-commissaris welk in het strafproces relevant vormverzuim de verdediging op het oog heeft bij het verzoek om [naam 2] als getuige te horen, heeft de verdediging te kennen gegeven dat, als [naam 2] als [functie 1] van [Organisatie] invloed heeft uitgeoefend op de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), Belastingdienst of het

Openbaar Ministerie, dat onderdeel van de strafzaak is en de verdediging er belang bij heeft om dat uit te kunnen zoeken. Gelet op de verklaring van [Organisatie] en die van de officieren van justitie en op het ontbreken van een deugdelijke juridische toelichting van de verdediging, wordt geen rechtens te respecteren verdedigingsbelang geschonden als het horen van [naam 2] achterwege wordt gelaten.

Ten aanzien van [naam 1]

De verdediging heeft niet toegelicht welke voor het strafproces relevante feiten tijdens een verhoor van [naam 1] verder vastgesteld zouden moeten worden. De nieuwe stukken werpen hierop geen ander licht. Bij de huidige stand van zaken wordt geen rechtens te respecteren verdedigingsbelang geschonden als het horen van [naam 1] achterwege wordt gelaten. Mochten de komende verhoren een ander licht werpen op de betrokkenheid van [naam 1], dan kan de verdediging opnieuw een verzoek om haar verhoor indienen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman verklaard dat het bezwaar niet langer is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris betreffende de afwijzing van zijn verzoek om [naam 3] als getuige. Ook richt het bezwaarschrift zich niet (langer) op gewenste (proces)stukken.

3 Het standpunt van de verdediging

In raadkamer heeft de raadsman, in aanvulling op het reeds ingediende bezwaarschrift en onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, aangevoerd dat de Belastingdienst in het vooronderzoek onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden jegens verdachte en dat de FIOD en het Openbaar Ministerie hiervan op de hoogte waren.

De verdediging hanteert de volgende werkhypothese:

  • -

    de Belastingdienst heeft de zaak (mede) voorbereid ten behoeve van strafrechtelijke bewijsbaarheid en

  • -

    de Belastingdienst heeft zonder grondslag bevoegdheden ingezet, contacten onderhouden en mogelijk haar geheimhoudingsplicht geschonden, terwijl de FIOD/het Openbaar Ministerie op de hoogte was/waren van het onderzoek van de Belastingdienst.

De verdediging heeft er belang bij te kunnen weten wie waarvan op de hoogte was, teneinde mogelijke verzuimen van de Belastingdienst ook aan het Openbaar Ministerie te kunnen toerekenen. Het beeld dat volgens de verdediging naar voren komt is dat de Belastingdienst [aangever] heeft geholpen met het vormen van zijn aangifte, waarna de Belastingdienst heeft geprobeerd het Openbaar Ministerie en de FIOD aan te sporen deze aangifte op te pakken.

Gelet hierop wenst de verdediging primair het horen van de verzochte getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, subsidiair in het kader van feitenonderzoek en de strafmaat.

Ten aanzien van [naam 1] is vast komen te staan dat zij een groot aantal stukken – direct of indirect afkomstig van [aangever] – heeft verstrekt aan [naam 5], ondergeschikte van [naam 1] bij de Belastingdienst. De verdediging wenst te onderzoeken of [naam 1] zich als ambtenaar laakbaar heeft gedragen en of er een belangenverstrengeling was. Daarnaast is het in belang van de verdediging haar te horen over hoe zij aan de stukken is gekomen, wat [aangever] haar heeft gevraagd, of zij een opdracht aan [naam 5] heeft gegeven om een fiscaal onderzoek in te stellen, waarom zij direct contact heeft gezocht met de FIOD en welk fiscaal of commuun belang speelde.

Ten aanzien van [naam 2] blijkt dat zij met [aangever] over de zaak heeft gesproken en dat zij contact heeft gezocht met [naam 6], [functie 2] Belastingdienst bij het

Ministerie van Financiën. Volgens de getuige [naam 7] gaat het verhaal dat de FIOD de zaak alsnog aan zich heeft getrokken nadat [aangever] [naam 2] erbij had betrokken. De verdediging heeft er belang bij [naam 2] te horen om erachter te kunnen komen wie waarvan op de hoogte was teneinde mogelijke verzuimen van de Belastingdienst aan het

Openbaar Ministerie te kunnen toerekenen. Tevens wenst de verdediging middels een getuigenverhoor van [naam 2] de verklaringen van [aangever] te toetsen.

Gelet op het voorgaande dient het bezwaarschrift voor wat betreft [naam 2] en [naam 1] gegrond verklaard te worden.

4 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Hiertoe hebben zij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk is gemotiveerd. Ten aanzien van het horen van [naam 2] en [naam 1] bestaat geen belang voor te nemen beslissingen in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. Een motivering in de zin van welke vormverzuimen (ex. artikel 359a Sv) sprake zou kunnen zijn en welke rechtsgevolgen hieraan moeten worden verbonden, heeft de verdediging niet gegeven.

5 Het oordeel van de rechtbank

Het bezwaarschrift is op 28 mei 2014 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Dat is derhalve binnen de in artikel 182, zesde lid Sv genoemde termijn van veertien dagen. Verdachte kan worden ontvangen in zijn bezwaar.

De rechtbank Amsterdam is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.

Op grond van de stukken en de behandeling in raadkamer stelt de rechtbank het volgende vast.

De verdediging heeft de rechter-commissaris verzocht een onderzoekshandeling te verrichten, te weten het horen van [naam 1] en [naam 2] als getuigen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen. Het bezwaarschrift is tegen deze beslissing gericht.

Beoordelingskader

De raadkamer hanteert als maatstaf of verdachte door de afwijzing van het verzoek om voormelde getuigen te horen in zijn verdediging wordt geschaad (verdedigingsbelang). Beoordeeld moet worden of de verdediging een rechtens te respecteren belang heeft bij het verhoor van voormelde getuigen. De verdediging moet onderbouwen waarin het verdedigingsbelang van het horen van de getuigen schuilt, met andere woorden: waarom het horen van die getuige relevant is voor enig in strafzaak te nemen beslissing uit hoofde van artikel 348 en 350 Sv.

Indien wordt verzocht om het horen van een getuige ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, wordt van de verdediging verlangd dat aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren duidelijk en gemotiveerd wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Van de verdediging, die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer een getuige wenst te horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, wordt gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe de getuige dient te worden gehoord.1

De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Voorts heeft artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op onherstelbare vormverzuimen.2 Onder vormverzuim wordt verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften.3

Het oordeel van de rechtbank

Primair: verdedigingsbelang ziende op art 359a Sv

De verdediging heeft de rechter-commissaris primair verzocht tot het horen van [naam 1] en [naam 2] als getuige in het kader van nader onderzoek naar onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv.

Voor zover de door de verdediging aangegeven werkhypothese aldus moet worden begrepen dat de Belastingdienst in opdracht van of tenminste met medeweten van de FIOD dan wel het Openbaar Ministerie onrechtmatig jegens verdachte heeft gehandeld en dit een vormverzuim ex art 359a Sr zou kunnen opleveren, overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van [naam 1]

Vaststaat dat [naam 1] stukken heeft ontvangen van [aangever] en deze stukken heeft verstrekt aan [naam 5], ondergeschikte van [naam 1] bij de Belastingdienst. Uit de nieuwe stukken, die op 27 juni 2014 aan het dossier zijn toegevoegd, blijkt uit een memo van 25 september 2009, opgesteld door [naam 5], dat [naam 1] heeft aangegeven informatie te hebben verstrekt aan [naam 4] (FIOD) en dat [naam 4] de stukken heeft overgedragen aan [naam 8] (tevens FIOD). Hieruit blijkt dat nog voor het gesprek tussen [aangever] en [naam 5] en [naam 7] op 20 oktober 2009, contact is geweest tussen de Belastingdienst en de FIOD.

Gezien het bovenstaande heeft de rechter-commissaris reeds aanleiding gezien om [naam 5], [naam 4] en [naam 8] als getuige horen. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdediging onvoldoende concreet heeft gemaakt op welke wijze het horen van [naam 1] kan bijdragen aan het vaststellen van relevante feiten in het kader van het onderzoek naar het voornoemde mogelijke vormverzuim ex artikel 359a Rv. De nieuwe stukken werpen hierop geen ander licht. De verdachte wordt bij deze stand van zaken dan ook redelijkerwijs niet in zijn verdediging ziende op artikel 359a Sv geschaad door het niet horen van [naam 1]. Mochten de verhoren van [naam 5], [naam 4] en [naam 8] een ander licht werpen op de betrokkenheid van [naam 1], dan kan de verdediging opnieuw een verzoek om haar verhoor indienen bij de rechter-commissaris.

Ten aanzien van [naam 2]:

Uit de nieuwe stukken, te weten een e-mailbericht van 10 juni 2010 opgesteld door [naam 5], blijkt slechts dat [aangever] via [naam 2] de zaak onder de aandacht heeft gebracht bij [naam 6], [functie 2] Belastingdienst bij het Ministerie van Financiën.

Niet gesteld noch gebleken is dat [naam 2] op enigerlei wijze betrokken is geweest in het vooronderzoek, laat staan dat zij op enigerlei wijze in verband kan worden gebracht met een mogelijke betrokkenheid van de FIOD dan wel het Openbaar Ministerie in het stadium van dat vooronderzoek. Mede gelet op de verklaring van [Organisatie] en die van de officieren van justitie, zoals reeds weergeven onder rubriek 2, heeft de verdediging onvoldoende nader toegelicht welke voor het voornoemde mogelijke vormverzuim ex artikel 359a Sv relevante feiten tijdens een verhoor van [naam 2] verder vastgesteld zouden moeten worden. Derhalve valt niet in te zien welk rechtens te respecteren verdedigingsbelang ziende op artikel

359a Sv wordt geschonden als het horen van deze getuige achterwege wordt gelaten.

Een beroep op een ander voor het strafproces relevant vormverzuim, dat wil zeggen anders dan het voornoemde mogelijke vormverzuim ex artikel 359a Sv, heeft de rechtbank uit de standpunten van de verdediging niet kunnen destilleren. In zoverre is het bezwaarschrift dan ook onvoldoende concreet onderbouwd.

Subsidiair: verdedigingsbelang ziende op het feitenonderzoek en de strafmaat

De rechtbank begrijpt deze subsidiair aangevoerde grondslag als een beroep op het verdedigingsbelang (overigens) in het kader van artikel 348 en 350 Sv.

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging ten aanzien van de beide gevraagde getuigen onvoldoende specifiek heeft onderbouwd welke concrete relevante informatie met betrekking tot welke rechtsvragen van artikel 348 en 350 Sv wordt beoogd met de ondervraging van deze getuigen, anders dan met het oog op het beoogde onderzoek naar het mogelijke vormverzuim ex artikel 359a Sv (de primaire grondslag) zoals hierboven reeds is benoemd en beoordeeld.

Derhalve is door de verdediging niet aannemelijk gemaakt dat het horen van deze getuigen (overigens) noodzakelijkerwijs kan bijdragen aan enig in deze strafzaak te nemen beslissing en is thans niet relevant in het kader van beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De subsidiaire grondslag van het bezwaarschrift kan derhalve evenmin tot gegrondverklaring leiden.

De slotsom is dan ook dat de rechtbank van oordeel is dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.

6 Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beslissing is op 26 augustus 2014 gegeven en uitgesproken door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. F. Salomon en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.7.

2 ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.4.2. en 3.4.3.

3 Zie HR 6 april 1999, NJ 1999/565.