Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6143

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C-13-522808 - HA ZA 12-927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, een voormalige werknemer, heeft gesteld dat sprake is van een pensioentoezegging in de vorm van een eindloonregeling. Gedaagde, de voormalige werkgever, heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een beschikbare premieregeling, althans niet van een eindloonregeling in de door eiser bedoelde zin. In een eerder tussenvonnis van 3 april 2013 heeft de rechtbank als onvoldoende weersproken aangenomen dat sprake is van een eindloonregeling. De rechtbank komt terug op die bindende eindbeslissing op grond van de constatering dat de werkgever van meet af aan gemotiveerd heeft betwist dat sprake was van een eindloonregeling. De rechtbank beoordeelt het geschil opnieuw en in volle omvang. De rechtbank begrijpt dat de werknemer heeft bedoeld dat hem een pensioen is toegezegd waarvan de hoogte van de uitkeringen op het moment van de toezegging is gegarandeerd. Uit de door eiser overgelegde stukken kan echter niet worden opgemaakt dat hem uitkeringen met een gegarandeerde omvang zijn toegezegd. Eiser heeft op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat zijn standpunt wordt verworpen en aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/709
PJ 2014/159

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/522808 / HA ZA 12-927

Vonnis van 24 september 2014

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [plaats],

eiser,

advocaat mr. P.W. Roselle te Soest,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GETRONICS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.G. van Marwijk Kooy te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Getronics genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 juni 2014 en de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van mr. Roselle, voornoemd, en mr. J.W. de Bruin als advocaat van Getronics.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 5 maart 2014 heeft de rechtbank in deze zaak onder meer overwogen mogelijk terug te willen komen op de in het tussenvonnis van 3 april 2013 (hierna: het tussenvonnis) weergegeven bindende eindbeslissing dat sprake is van een eindloonregeling omdat dit onvoldoende door Getronics is weersproken. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het door Getronics ingenomen standpunt dat sprake is van een beschikbare premieregeling een betwisting inhoudt van de door [eiser] gestelde eindloonregeling en dat Getronics dit standpunt bij haar antwoordakte van 12 juni 2013 heeft verduidelijkt door aan te voeren dat de pensioentoezegging van [eiser] niet kwalificeert als een eindloonregeling in de zin van een uitkeringsovereenkomst (rechtsoverweging 2.7 tussenvonnis 5 maart 2014). Omdat het debat op dit punt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende was uitgekristalliseerd en zij partijen hierover wenste te horen, is een meervoudige comparitie gelast, welke op 27 juni 2014 heeft plaatsgevonden.

2.2.

Tijdens de comparitie heeft Getronics haar standpunt dat geen sprake is van een eindloonregeling in de zin van een uitkeringsovereenkomst nader toegelicht. Zij heeft betoogd dat de uitkeringsovereenkomst een begrip uit de huidige Pensioenwet (PW) is, waarbij de drie klassieke pensioenrisico’s (het renterisico, langlevenrisicio en beleggingsrisico) – anders dan bij een beschikbare premieregeling – niet bij de deelnemer maar bij de werkgever liggen. De Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW), die gold op het moment waarop de pensioentoezegging werd gedaan, kende dit begrip niet. Volgens Getronics doelt [eiser] met de door hem voorgestane interpretatie van zijn pensioentoezegging op een uitkeringsovereenkomst, nu hij zich erop beroept dat hem per de pensioendatum een bepaalde uitkering is toegezegd. [eiser] – die de pensioentoezegging is blijven aanduiden met eindloonregeling – heeft dit niet betwist, terwijl ook de rechtbank uit de stellingen van [eiser] opmaakt dat hij zich beroept op een gegarandeerde pensioenuitkering, derhalve op een uitkeringsovereenkomst.

2.3.

De rechtbank ziet in het aldus gevoerde debat inderdaad aanleiding terug te komen op de hiervoor onder 2.1 genoemde bindende eindbeslissing dat Getronics onvoldoende heeft weersproken dat sprake is van een eindloonregeling. Getronics heeft immers van meet af aan het standpunt ingenomen dat sprake is van een beschikbare premieregeling/kapitaalovereenkomst en heeft bovendien steeds betwist dat sprake is van een gegarandeerde uitkering (uitkeringsovereenkomst). Derhalve kan niet (langer) als vaststaand worden aangenomen dat de pensioentoezegging van [eiser] een eindloonregeling in de zin van een uitkeringsovereenkomst betreft.

2.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] thans opnieuw (in volle omvang) ter beoordeling voorliggen.

2.5.

Partijen zijn het niet eens over de juridische grondslag van de vorderingen van [eiser]. [eiser] zelf stelt dat zijn vorderingen zijn gegrond op nakoming van de pensioen-toezegging, welke grondslag hierna zal worden besproken. Voor zover echter, zoals Getronics aanvoert, mede sprake zou zijn van een (verkapte) vordering tot nakoming van een affinancieringsverplichting, dient het in dit kader door haar gedane beroep op verjaring – dat door [eiser] niet gemotiveerd is betwist – te worden beoordeeld. Met Getronics is de rechtbank van oordeel dat de verjaringstermijn van een eventuele affinancieringsvordering van [eiser] op grond van artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) 5 jaar bedraagt en dat deze termijn gaat lopen op de datum van uitdiensttreding. Nu [eiser] per 1 juni 2000 uit dienst is getreden, hij de verjaring bij brief van 30 mei 2005 van mr. Roselle heeft gestuit maar daarna niet meer, moeten de vorderingen van [eiser] op 30 mei 2010 – en derhalve bijna twee jaar voor het aanhangig maken van de onderhavige procedure – geacht worden te zijn verjaard.

2.6.

Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gegrond op nakoming van de pensioentoezegging, dient beoordeeld te worden of Getronics, dan wel zijn rechtsvoorganger, gegarandeerde pensioenuitkeringen heeft toegezegd, zoals [eiser] stelt en Getronics betwist.

2.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij aanvang van het dienstverband in oktober 1988 is aangeboden om deel te nemen in het pensioenfonds van [bedrijf] (hierna: [bedrijf]), maar dat hij destijds heeft gekozen voor een zogeheten C-polis bij verzekeringsmaatschappij Winterthur Levensverzekering Maatschappij (hierna: Winterthur). Ter zitting van 27 juni 2014 heeft [eiser] uitgelegd dat hij dit deed in verband met zijn eerdere pensioenopbouw en een pensioenbreuk. [eiser] stelt dat de C-polis slechts een middel was om de pensioentoezegging te financieren. Omdat hem is toegezegd dat hij dezelfde rechten zou hebben als de deelnemers in het pensioenfonds van [bedrijf] en artikel 5 lid 2 van het pensioenreglement van [bedrijf] een eindloonregeling behelst, is volgens [eiser] sprake van een eindloonregeling. Aldus heeft hij recht op € 3.863 per jaar aan tijdelijk overbruggingspensioen (hierna: TOP) en € 42.072 per jaar aan ouderdomspensioen. Getronics voert aan dat de C-polis kwalificeert als een beschikbare premieregeling, die op enig moment is gewijzigd in een zogenoemde ‘streefregeling’: een regeling waarvan de hoogte van de beschikbare premie met salaris mee omhoog gaat en waarmee wordt gestreefd naar een bepaald pensioen. Deze gewijzigde toezegging is vastgelegd in artikel 2.6 van de arbeidsovereenkomst van 19 januari 1999. Nu daarin geen uitkeringen maar uitsluitend premiebijdragen zijn toegezegd is geen sprake van de door [eiser] gestelde uitkeringsovereenkomst, maar van een streefregeling, waarbij het rente- en het langleven-risico bij [eiser] liggen, aldus Getronics.

2.8.

De rechtbank stelt vast dat de enige schriftelijke toezegging die [eiser] is gedaan is opgenomen in artikel 2.6 van de arbeidsovereenkomst van 19 januari 1999 (zie tussenvonnis onder 2.3), waar Getronics zich op beroept. Daarin is bepaald dat [eiser] “is entitled to receive pension contributions (…) to achieve an annual total contribution of 2% (two percent) of the projected pension”. Gelet op het gebruik van de woorden ‘receive pension contributions’ en ‘projected pension’ valt in deze pensioenclausule steun te vinden voor het standpunt van Getronics. Hetzelfde geldt voor het door Getronics overgelegde voorstel van 29 maart 1999 voor aanpassing van de pensioenpolis. Daarin is onderaan pagina 3 vermeld: “De voorbeeldpensioenen zijn gebaseerd op het huidige markttarief en een bruto rendement van 4%. Uiteraard veranderen deze bedragen bij toepassing van andere grondslagen of een ander beleggingsrendement”, hetgeen een contra-indicatie is voor de door [eiser] gestelde uitkeringsovereenkomst.

2.9.

Voor de uitleg van bepalingen komt het echter niet alleen aan op de zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Om een van de letterlijke tekst van een bepaling afwijkende uitleg aan te nemen moeten feiten en omstandigheden worden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat die afwijkende bedoeling bij beide partijen aanwezig was.

2.10.

[eiser] beroept zich ter ondersteuning van de door hem voorgestane uitleg van de pensioentoezegging, te weten de gegarandeerde uitkering, in de eerste plaats op de briefwisseling die eind 2002 / begin 2003 heeft plaatsgevonden tussen [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) en mr. Roselle (zie tussenvonnis onder 2.7 en 2.8). Nog daargelaten dat de bewuste brieven dateren van circa vier jaar na het doen van de (gewijzigde) toezegging, zodat het de vraag is in hoeverre deze mee kunnen wegen bij de beoordeling van de partijbedoeling destijds, valt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat sprake is van een uitkeringsovereenkomst. In de brief van [bedrijf 2] van 28 januari 2003 staan de door [eiser] gevorderde bedragen wel genoemd, maar daarbij is niet vermeld dat het om gegarandeerde uitkeringen gaat. Ook uit de brief van 30 december 2002 van [bedrijf 2] volgt dit niet. Weliswaar bevestigt [bedrijf 2] daarin – zoals [eiser] terecht stelt – dat sprake is van een eindloonregeling, maar nu Getronics daar onweersproken tegenin heeft gebracht dat [bedrijf 2] hiermee doelde op een eindloonregeling volgens de PSW en niet op een uitkeringsovereenkomst conform de PW, gaat de rechtbank van dit laatste uit. Bovendien valt in diezelfde brief juist een bevestiging van het standpunt van Getronics te lezen, waar [bedrijf 2] opmerkt dat Getronics na de additionele pensioenbijdrage van € 81.721,28 per einde dienstverband geen aanvullende betaling hoeft te doen omdat dit voldoende moet zijn voor de tijdsevenredige pensioenaanspraken. [eiser] heeft ter zitting nog gesteld dat het enkele feit dat in de brieven wordt gesproken van affinanciering duidt op een eindloonregeling omdat bij een beschikbare premieregeling nooit sprake is van affinanciering. Getronics heeft daar gemotiveerd tegen aangevoerd dat er in 2000 onzekerheid bestond over de vraag of streefregelingen ook afgefinancierd dienden te worden, maar dat deze vraag uiteindelijk bevestigend is beantwoord door de Verzekeringskamer en het Verbond van Verzekeraars. [eiser] heeft dit verweer onbesproken gelaten, zodat [eiser] niet in zijn stelling kan worden gevolgd.

2.11.

Voorts beroept [eiser] zich ter onderbouwing van zijn standpunt op de verklaring van [naam 1], destijds directeur Personeel & Organisatie (hierna: [naam 1]), en stukken ten aanzien van het einde dienstverband en de pensioenregeling van [naam 2], destijds directeur (hierna: [naam 2]). [naam 1] verklaart dat hij van januari 1994 tot en met september 1998 in dienst is geweest bij [bedrijf], dat het pensioen gebaseerd was op een eindloonregeling en dat hij niet bekend was met uitzonderingen op die regel. Ten aanzien van [naam 2] stelt [eiser] dat hij ook eerst over een beschikbare premieregeling beschikte maar wel pensioen conform de eindloonregeling uitgekeerd heeft gekregen. De rechtbank vindt in deze stukken geen steun voor het standpunt van [eiser], nu daaruit niet blijkt van expliciet aan het adres van [eiser] gedane toezeggingen. [eiser] had er – zoals hiervoor overwogen – nu juist zelf voor gekozen niet deel te nemen aan het pensioenfonds van [bedrijf] en het enkele feit dat [naam 1] niet met uitzonderingen op deelname aan het pensioenfonds bekend was of dat [naam 2] conform de eindloonregeling heeft uitgekeerd gekregen, betekent niet dat [eiser], ondanks zijn keuze voor de C-polis, een uitkeringsovereenkomst is toegezegd.

2.12.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] – op wie in deze de bewijslast rust – in het licht van het door Getronics gevoerde verweer, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de pensioentoezegging van [eiser] aldus moet worden uitgelegd dat Getronics de door [eiser] gevorderde pensioenuitkeringen heeft gegarandeerd of dat [eiser] daarop redelijkerwijs mocht vertrouwen, ook niet (zoals in subsidiair verband door [eiser] betoogd) tot 1 april 1998. [eiser] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen door het horen van getuigen, maar gelet op het voorgaande wordt aan bewijsvoering niet toegekomen. Daar komt bij dat niet gesteld is dat deze getuigen kunnen verklaren dat [eiser] een uitkeringsovereenkomst is toegezegd. Zelfs als aan de hand van getuigenverklaringen zou komen vast te staan dat een eindloonregeling aan [eiser] is toegezegd – zoals wel is gesteld – kunnen de vorderingen van [eiser] nog niet worden toegewezen, omdat deze stelling de vorderingen niet kan dragen. Daarmee staat immers nog niet vast dat partijen een uitkeringsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan.

2.13.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

2.14.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet in het verloop van de procedure aanleiding om bij het salaris advocaat uit te gaan van 2,5 punten, te weten 1 punt voor de conclusie van antwoord, 1 punt voor de twee gehouden comparities en 0,5 punt voor de akte van 12 juni 2013. Wat het tarief betreft, zal de rechtbank uitgaan van tarief II dat geldt bij zaken van onbepaalde waarde, omdat het totale beloop van de vordering niet valt vast te stellen. De kosten aan de zijde van Getronics worden derhalve begroot op:

  • -

    dagvaarding € 90,64

  • -

    griffierecht € 575,00

  • -

    salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punt x tarief € 452,00)

---------------

Totaal € 1.795,64

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Getronics tot op heden begroot op € 1.795,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien na dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, M.V. Ulrici en F.J. Verhoeven-van de Poel en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.1

1 *