Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:614

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
C/13/495525 / HA ZA 11-2208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Toedeling woning aan de man, zodat hij vervolgens (een deel van) de woning kan verkopen aan de zoon van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/495525 / HA ZA 11-2208

Vonnis van 12 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. G.B.M. Zuidgeest te Alphen aan den Rijn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.A. Bosshardt te Schiphol-Rijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 6 juni 2013 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte (na comparitie) van de zijde van [eiser] van 24 juli 2013, met producties;

  • -

    de antwoordakte uitlatingen verdeling inboedel van de zijde van [gedaagde] van 21 augustus 2013, met één productie;

  • -

    de akte uitlaten producties van de zijde van [eiser] van 4 september 2013.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank dient ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog te beslissen omtrent het volgende:

De voormalige echtelijke woning en de daarbij behorende grond en schuur/de spaarpolis en levensverzekeringen/de hypothecaire schuld

2.2.

In r.o. 3.15 van het tussenvonnis van 30 januari 2013 heeft de rechtbank overwogen dat zij geen gronden aanwezig acht om de bevindingen en opmerkingen van de [deskundige] ter zake van de waardering van de voormalige echtelijke woning, en de daarbij behorende grond en schuur, (hierna ook: de onroerende zaken van partijen) buiten beschouwing te laten.

2.3.

[eiser] heeft op de comparitie van 6 juni 2013 ingestemd met de taxatiewaarde van € 435.000,00 zoals door de deskundige vastgesteld. [gedaagde] handhaaft haar bezwaren tegen het deskundigenrapport en stelt zich op het standpunt dat de onroerende zaken tegen een hoger bedrag gewaardeerd dienen te worden, ten minste op een bedrag van € 600.000,00.

2.4.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] de zienswijze van de deskundige onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] verwijst naar rapporten van andere makelaars voor wat betreft de taxatie van de onroerende zaken van partijen, echter laat na concreet te onderbouwen op grond van welke feiten en omstandigheden het oordeel van de [deskundige], afgezet tegen de andere door [gedaagde] aangehaalde rapporten, onaanvaardbaar is. De enkele verwijzing naar andere rapporten, in het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het tussenvonnis van 30 januari 2013 (r.o. 3.15), volstaat niet. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank evenmin aanleiding nogmaals een deskundige te benoemen voor de bepaling van de waarde van de onroerende zaken. Ook [gedaagde], zo heeft zij ter comparitie verklaard, staat overigens niet achter de benoeming van een (andere) deskundige. De rechtbank maakt het oordeel van de [deskundige] dan ook tot het hare.

2.5.

Alhoewel [eiser] zelf niet de benodigde financiering kan verkrijgen teneinde aan [gedaagde] een vergoeding, zijnde de helft van € 435.000,00 derhalve € 217.500,00, te voldoen voor de overgang van de onroerende zaken van partijen gelegen aan de [adres] aan [eiser], is zijdens [eiser] wel verklaard dat [gedaagde] de helft van deze waarde kan worden uitgekeerd na verkoop van een deel van de onroerende zaken van partijen aan de zoon van partijen. De zoon van partijen, aldus [eiser], betaalt € 235.000,00 aan de gezamenlijke eigenaren ([eiser] en [gedaagde]), waarna [eiser] met het door hem ontvangen geld van de zoon van partijen op zijn beurt [gedaagde] kan uitkopen voor het resterende bedrag.

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 3:185 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf vaststelt, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. [eiser] wenst in de voormalige echtelijke woning te blijven wonen, en tussen partijen staat als onbetwist vast dat hij daartoe in staat is als de zoon van partijen een deel van de onroerende zaken van partijen overneemt. [eiser] wordt overbedeeld als de woning aan hem wordt toegedeeld, maar hij is in staat aan [gedaagde] de overwaarde (het bedrag van € 217.500,00) te vergoeden als een deel van de onroerende zaken wordt doorverkocht en geleverd aan de zoon van partijen. Gelet op de wederzijdse belangen van partijen, de (agrarische) bestemming van de gronden en de ook op dit geschil van toepassing zijnde redelijkheid en billijkheid (zie ook artikel 6:2 BW), acht de rechtbank het aangewezen dat, als de meest redelijke wijze van verdeling van de onroerende zaken, in lijn met het voorstel van [eiser] wordt beslist. Deze wijze van verdeling is bovendien in lijn met het standpunt dat [gedaagde] aanvankelijk in de procedure heeft ingenomen, zoals blijkt uit haar eis in reconventie onder III.

2.7.

[gedaagde] dient haar medewerking te verlenen aan de levering van (haar aandeel in) de onroerende zaken van partijen aan [eiser] zoals bedoeld in artikel 3:186 BW, welke levering naar het oordeel van de rechtbank op kosten van [eiser] dient plaats te vinden. De rechtbank zal de termijn waarop medewerking moet worden verleend aan de levering bepalen op maximaal drie maanden. Zo heeft [eiser] voldoende tijd om te bereiken dat de levering van het aandeel van [gedaagde] aan [eiser] op dezelfde dag kan plaatsvinden als de levering door [eiser] van (een deel van) de onroerende zaken aan de zoon van partijen, opdat de betaling van het (totale) bedrag van € 217.500,00 (uiterlijk) op de dag van de levering van het aandeel van [gedaagde] aan [eiser] kan plaatshebben.

2.8.

Onweersproken is dat de waarde van de levensverzekering bij ASR/Fortis met [nummer] en de hypotheekschuld met elkaar zijn verrekend, zodat de hypotheekschuld per saldo nihil is en in dat kader niets meer behoeft te worden verrekend.

2.8.1.

De spaarpolis bij Aegon met [nummer] en de levensverzekering bij RVS met[nummer] zullen, overeenkomstig hetgeen in r.o. 3.3 van het tussenvonnis van 30 januari 2013 is overwogen, worden toebedeeld aan [gedaagde], onder de verplichting de helft van de waarden op de verdelingsdatum aan [eiser] te vergoeden.

Banksaldi

2.9.

[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld haar stelling dat het saldo van € 28.742,00 op bankrekening [nummer] onder de uitsluitingsclausule valt van het testament van haar moeder van 28 december 1989 (en zodoende geen bestanddeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap) toe te lichten en te onderbouwen (r.o. 3.6. van het tussenvonnis van 30 januari 2013).

2.10.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van erfrecht, door [gedaagde] overgelegd als productie 16, blijkt dat de moeder van [gedaagde] is overleden op[datum]. Vaststaat dat het geldbedrag van € 28.742,00 afkomstig is uit de verkoop van een woning en dat dit bedrag is overgemaakt naar bankrekening [nummer] vóórdat de moeder van [gedaagde] is overleden. [gedaagde] stelt dat de woning van de moeder al was verdeeld voor haar overlijden. In het testament van de moeder staat, voor zover van belang ‘Ik bepaal, dat hetgeen uit mijn nalatenschap wordt verkregen niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen, waarin de verkrijgers ten tijde van mijn overlijden gehuwd zijn”. Hieruit leidt de rechtbank af dat de uitsluitingsclausule betrekking heeft op hetgeen ná het overlijden wordt verkregen. In dit licht bezien en tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser], heeft [gedaagde] niet onderbouwd waarom het, vóór het overlijden van haar moeder, ontvangen geldbedrag buiten de verdeling behoort te blijven. De rechtbank zal dan ook het saldo van de bankrekening aan [gedaagde] toedelen en bepalen dat zij de helft van het te verdelen saldo, en aldus € 14.371,00, dient te voldoen aan [eiser].

2.11.

Ter comparitie van 6 juni 2013 heeft [eiser] gesteld dat nog verdeling van de op zijn naam staande bankrekening “met [nummer] (nu [nummer])” per 30 november 2009 dient plaats te hebben. [gedaagde] heeft verklaard dat de per die datum op haar naam staande rekening eindigend op ‘[nummer]’ nog moet worden verdeeld. [eiser] heeft na de comparitie twee bankafschriften betreffende de bankrekeningen met de [nummer] en [nummer] in het geding gebracht, waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt, zich er daarbij op beroepende dat partijen zich blijkens het proces-verbaal van de comparitie van 6 juni 2013 niet over de saldi van de bankrekeningen mochten uitlaten.

2.12.

De rechtbank overweegt dat weliswaar aan partijen niet de gelegenheid was gegeven stukken over te leggen met betrekking tot de saldi van onverdeelde rekeningen, maar dat dit onverlet laat dat de saldi van vorengenoemde rekeningen nog moeten worden verdeeld. Uit de overgelegde producties leidt de rechtbank af dat op de overeengekomen verdelingsdatum (30 november 2009) rekeningnummer [nummer] en [nummer]bestonden. Op dat punt bestaat tussen partijen geen geschil. De rechtbank zal bepalen dat de rekeningen met nummers [nummer] en [nummer] alsmede de bij [gedaagde] bekende rekening eindigend op[nummer] zullen worden toebedeeld aan degene op wiens naam de desbetreffende rekening staat en dat de saldi per 30 november 2009 bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld. Partijen zullen elkaar, voor zover nodig, inzicht dienen te verschaffen in de saldi van de desbetreffende rekeningen op de peildatum.

Begrafenispolissen [nummer]/[nummer]/[nummer] en [nummer] bij Nationale Nederlanden

2.13.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de begrafenispolissen in die zin dat deze zullen worden afgekocht, waarna de afkoopsommen tussen partijen zullen worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat voor de waarde van de afkoopsommen aansluiting kan worden gezocht bij de datum van feitelijke verdeling en aldus bij het moment waarop de afkoopsommen aan één van partijen worden uitgekeerd.

Pensioenrechten

2.14.

De rechtbank heeft in r.o. 3.9 van het tussenvonnis van 30 januari 2013 overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de pensioenen worden verevend conform de Wet Verevening Pensioenrechten. De rechtbank gaat er, mede gelet op het verhandelde ter comparitie van 6 juni 2013, derhalve vanuit dat dat partijen geen belang meer hebben bij een beslissing op dit punt.

Roerende zaken/inboedelgoederen

2.15.

Tussen partijen bestaat een geschil omtrent de verdeling van de roerende zaken/inboedelgoederen (hierna ook: de inboedel). De discussie omtrent de verdeling van de inboedel en de verrekening van de waarde daarvan tussen partijen is met name uiteengezet in de stukken die na de laatste comparitie zijn ingediend.

2.16.

[eiser] stelt zich, samengevat, primair op het standpunt dat verdeling tegen gesloten beurzen dient plaats te hebben, waarbij hij de inboedelgoederen die hij onder zich heeft kan behouden indien de voormalige echtelijke woning aan hem wordt toebedeeld dan wel deze wordt verkocht aan de zoon van partijen. Anders dient tot een nieuwe verdeling te worden gekomen van de inboedelgoederen, waarbij ook dan verdeling met gesloten beurzen in de rede ligt, aldus [eiser].

2.17.

[gedaagde] stelt dat zij zelf voor een bedrag van € 2.524,50 aan zaken uit de inboedel heeft meegenomen en dat de waarde van de inboedel die [eiser] onder zich heeft € 24.809,50 vertegenwoordigt. Zij wenst voorts nog enkele door haar gespecificeerde zaken uit de inboedel te ontvangen die volgens haar een totale waarde hebben van € 122,00. Tussen partijen dient nog te worden verrekend, uitgaande van voornoemde bedragen, aldus [gedaagde].

2.18.

De rechtbank overweegt dat partijen er kennelijk (primair) beiden mee instemmen dat een ieder de goederen die hij of zij onder zich heeft, behoudt, met dien verstande dat [gedaagde] nog de goederen wenst te ontvangen die zij onder punt 6 van de ‘antwoordakte uitlatingen verdeling inboedel’ heeft gespecificeerd. Tegen die toedeling heeft [eiser] geen voldoende gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze vordering zal toewijzen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eiser] dat de trouwring buiten de verdeling behoort te blijven, reeds nu enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Ten aanzien van de overige inboedelgoederen zal de rechtbank gelet op de stellingen van partijen en mede vanuit praktisch oogpunt, in aanmerking genomen dat de aan partijen toebehorende onroerende goederen aan [eiser] worden toebedeeld en (deels) zullen worden verkocht aan de zoon van partijen, bepalen dat een ieder de zaken die hij thans onder zich heeft, krijgt toebedeeld.

2.19.

Verder overweegt de rechtbank dat het een algemeen gegeven is dat op een inboedel snel wordt afgeschreven en dat de restwaarde van een inboedel gering is. In dat licht bezien acht de rechtbank het redelijk en billijk dat partijen over en weer geen vergoeding meer aan elkaar zijn verschuldigd ter zake van de verdeling van de inboedel, met uitzondering van hetgeen de rechtbank hierna in r.o. 2.20 zal overwegen.

2.20.

Het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] wordt overbedeeld is, aldus [gedaagde], voor een groot deel gelegen in de waarde van de oldtimer en de trekkers. Met betrekking tot de Triumph Spitfire [kenteken] (oldtimer) en de trekkers Fordson Dexta en Same Minitauro overweegt de rechtbank dat [eiser] een taxatierapport in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat [taxateur] van [taxatiebedrijf] de oldtimer/de trekkers heeft gewaardeerd op respectievelijk tweemaal € 2.000,00 en € 1.200,00. De waarde van de trekkers is niet in geschil, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Deze zullen aan [eiser] worden toebedeeld. [gedaagde] betwist het taxatierapport en de daarin getaxeerde waarde van de oldtimer van € 2.000,00 en voert hiertegen aan dat deze € 10.000,00 tot € 12.000,00 waard zal zijn. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] tegenover de met stukken, te weten het taxatierapport, onderbouwde stelling van [eiser] inzake de waarde van de oldtimer niet kon volstaan met de enkele betwisting van de stelling van [eiser]. Het had op haar weg gelegen met concrete feiten en omstandigheden haar stelling te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Zij heeft geen feiten aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat het taxatierapport op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen. Verder ontbreken stukken waaruit kan worden afgeleid dat een oldtimer zoals de onderhavige een hogere waarde vertegenwoordigt dan die zoals in het rapport vermeld. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een waarde van € 2.000,00, zoals weergegeven in het rapport. Ook de oldtimer zal aan [eiser] worden toegedeeld. De rechtbank acht het redelijk dat beide partijen de kosten van het taxatierapport van € 200,00 dragen. Dit brengt met zich dat [eiser] ter zake van overbedeling en rekening houdende met de door hem betaalde kosten van taxatie nog € 2.500,00 aan [gedaagde] dient te voldoen. [gedaagde] heeft haar stelling dat [eiser] ten aanzien van de verdeling van de overige inboedelgoederen wordt overbedeeld, tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling, onvoldoende feitelijk onderbouwd.

2.21.

De proceskosten worden nu partijen ex-echtgenoten zijn gecompenseerd, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Dat geldt ook voor de kosten van het deskundigenbericht, welke kosten worden vastgesteld op in totaal € 2.415,70 en welke kosten door of namens partijen reeds zijn voldaan. Ten laste van [gedaagde] zijn in dit kader in afwachting van de eindbeslissing de helft van de kosten van de deskundige door de griffier van deze rechtbank voorlopig in debet gesteld. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 244 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van dat deel aan de griffier op de in het dictum bepaalde wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

gelast in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap dat:

3.1.1.

de onroerende zaken van partijen worden toegedeeld aan [eiser] onder de verplichting van [eiser] een bedrag van € 217.500,00 aan [gedaagde] te voldoen;

3.1.2.

[gedaagde] haar medewerking verleent aan de levering op kosten van [eiser], van (haar aandeel in) de onroerende zaken van partijen aan [eiser], binnen drie maanden na de datum van dit vonnis;

3.1.3.

de spaarpolis bij Aegon met [nummer] en de levensverzekering bij RVS met [nummer] worden toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting van [gedaagde] de helft van de waarden per de verdelingsdatum aan [eiser] te voldoen;

3.1.4.

de bankrekening met [nummer] wordt toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting van [gedaagde] een bedrag van € 14.371,00 aan [eiser] te voldoen;

3.1.5.

de rekeningen met [nummer] en [nummer] worden toegedeeld aan [eiser] en de rekening eindigend op [nummer] aan [eiser] onder de verplichting voor ieder der partijen de saldi van deze rekeningen per 30 november 2009 bij helfte tussen hen te verdelen;

3.1.6.

de afkoopsommen van de begrafenispolissen [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] bij Nationale Nederlanden bij helfte tussen partijen worden verdeeld, per de datum waarop de afkoopsommen worden uitgekeerd;

3.1.7.

de volgende goederen aan [gedaagde] worden toegedeeld, zonder nadere verrekening:

• twee tuinstoelen en een voetenbank van het merk Kettler;

• gele stoel met beer Paddington;

• grote pop;

• kleine lopende pop;

• persoonlijke foto’s;

• trouwring;

3.1.8.

de oldtimer Triumph Spitfire [kenteken] en de trekkers Fordson Dexta en Same Minitauro worden toegedeeld aan [eiser] onder de verplichting van [eiser] een bedrag van € 2.500,00 aan [gedaagde] te voldoen;

3.1.9.

aan ieder der partijen voor het overige de inboedelgoederen die hij/zij thans onder zich heeft worden toegedeeld, zonder nadere verrekening;

3.2.

bepaalt dat partijen na uitvoering van het onder 3.1.1. tot en met 3.1.9. bepaalde ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;

3.3.

verklaart het onder 3.1.1. tot en met 3.1.9. bepaalde voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, welke kosten worden vastgesteld op € 2.415,70;

3.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.207,85 aan de griffier op rekeningnummer IBAN NL09RBOS0569990491 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van ‘kosten deskundige’ en ‘C/13/495525 / HA ZA 11-2208’;

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2014.