Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6136

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
HA ZA 14-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert schadevergoeding op grond van de stelling dat het besluit van het UWV tot schorsing van zijn uitkering een onrechtmatige daad oplevert. Rechtbank wijst de vordering af nu sprake is van formele rechtskracht van het schorsingsbesluit. Tegen dit besluit is immers bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij beslissing op bezwaar is afgewezen. Hiertegen is vervolgens beroep ingesteld, maar dat beroep is weer ingetrokken. Daarmee heeft het schorsingsbesluit formele rechtskracht gekregen. Een verzoek tot herziening van het schorsingsbesluit doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0795

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/561170 / HA ZA 14-284

Vonnis van 13 augustus 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R. Kiewitt te Alkmaar,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERS VERZEKERINGEN,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en UWV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 mei 2014 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 juli 2014 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van 8 maart 2010 heeft het UWV aan [eiser] een uitkering krachtens de Ziektewet toegekend.

2.2.

Bij besluit van 2 juni 2010 heeft het UWV de uitkering van [eiser] geschorst, omdat [eiser] zonder bericht van verhindering niet op het spreekuur van de verzekeringsarts was verschenen.

2.3.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.4.

Bij brief van 31 augustus 2010 heeft [eiser] de voorzieningenrechter van de (destijds nog) rechtbank Alkmaar, sector Bestuursrecht verzocht in een procedure tegen het UWV een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 21 oktober 2010, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…) 8. (…) Dit betekent dat verweerder de schorsing van de ZW-uitkering ten

onrechte heeft gebaseerd op artikel 47a, tweede lid onder c, van de ZW in verbinding met artikel 45, aanhef, eerste lid en onder c, van de ZW en artikel 3 van de controlevoorschriften.

9. In hetgeen in de voorgaande overweging is aangegeven, ziet de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat verzoeker artikel l7, eerste lid, van de controlevoorschriften heeft geschonden. (…)
De schorsing van de ZW-uitkering kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve worden gebaseerd op artikel 47a, tweede lid, aanhef en onder c van de ZW in verbinding met artikel 45, eerste lid en onder e van de ZW en artikel 7, eerste lid, van de controlevoorschriften. Dit kan in de beslissing op bezwaar door verweerder alsnog aan de schorsing van de ZW-uitkering ten grondslag worden gelegd. (…)

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. (…)”

2.5.

Bij beslissing op bezwaar van 8 oktober 2010 heeft het UWV het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft het door hem daartegen ingestelde beroep ingetrokken.

2.6.

Ingevolge besluit van 9 november 2010 is de uitkering van [eiser] hervat. De uitkering over de periode van 2 juni 2010 tot 9 november 2010 is vervolgens alsnog, met vergoeding van wettelijke rente, uitgekeerd.

2.7.

[eiser] heeft bezwaar ingesteld tegen het besluit van het UWV omtrent de vergoeding van de wettelijke rente. Bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2011 is dit bezwaar afgewezen.

2.8.

[eiser] heeft tegen de beslissing op bezwaar van 10 maart 2011 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 1 december 2011 is door de bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…)
1.1. De rechtbank neemt de volgende feiten in ogenschouw.

1.2.

Bij besluit van 2 juni 2010 heeft verweerder eisers Zw-uitkering met ingang van 3 mei 2010 geschorst omdat hij niet op het spreekuur van de verzekeringsarts was verschenen en geen bericht van verhindering had verzonden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 8 oktober 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit laatste besluit geen rechtsmiddelen ingediend zodat dit besluit in rechte vast staat.

(…)

4. Nu eiser in het besluit van 8 oktober 2010 heeft berust, moet geoordeeld worden dat de schorsing van eisers Zw-uitkering per 3 mei 2010 rechtmatig is. (…)”

2.9.

Tegen de uitspraak van 1 december 2011 is geen hoger beroep ingesteld.

2.10.

Bij brief van 23 oktober 2012 heeft (de advocaat van) [eiser] het UWV aansprakelijk gesteld voor door [eiser] geleden schade als gevolg van de schorsing van de uitkering per 2 juni 2010.

2.11.

Bij brief van 28 juli 2014 heeft [eiser] bij het UWV een verzoek om herziening van de beslissingen van 2 juni 2010 en 8 oktober 2010 ingediend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, te verklaren voor recht dat het UWV aansprakelijk is voor de schade welke [eiser] heeft geleden als direct gevolg van de onrechtmatige daad van het UWV, met veroordeling van het UWV in de kosten van het geding.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – dat het UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden.

3.3.

UWV voert verweer en voert daartoe – kort gezegd en zakelijk weergegeven – aan dat de vorderingen van [eiser] gelet op de formele rechtskracht van de in de bestuurs-rechtelijke procedure gegeven beslissingen moeten worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Formele rechtskracht

4.1.

De vordering van [eiser] is gegrond op de stelling dat het schorsingsbesluit van 2 juni 2010 jegens hem een onrechtmatige daad oplevert. [eiser] beroept zich derhalve op de ongeldigheid dan wel onrechtmatigheid van dat besluit.

4.2.

De taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter brengt mee dat indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, maar deze rechtsgang niet is gebruikt, de burgerlijke rechter, indien de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, in beginsel van die geldigheid dient uit te gaan, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden gemaakt. Eenzelfde uitgangspunt geldt in het geval gebruik is gemaakt van een bestuursrechtelijke rechtsgang, in welk geval de burgerlijke rechter in beginsel van de geldigheid van het besluit dient uit te gaan wanneer het bestreden besluit in stand is gelaten, ook indien dat op een andere grond is gebeurd dan aanvankelijk daaraan ten grondslag is gelegd.

4.3.

De taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter brengt voorts mee dat de burgerlijke rechter weliswaar bevoegd is kennis te nemen van vorderingen waaraan, zoals in dit geval, ten grondslag is gelegd dat een onrechtmatige daad is gepleegd, maar dat uitgangspunt is dat een burger die niet of tevergeefs gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen tegen een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit door de burgerlijke rechter niet ontvankelijk dient te worden verklaard indien hij de schadevergoeding vordert in een civiele procedure op grond van de ongeldigheid of onrechtmatigheid van dat besluit.

4.4.

[eiser] heeft tegen het besluit van 2 juni 2010 bezwaar gemaakt, welk bezwaar is afgewezen bij beslissing op bezwaar van 8 oktober 2010. Vervolgens is door [eiser] beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, maar dit beroep is later door hem ingetrokken. Dat betekent dat het besluit van 2 juni 2010 door [eiser] is aangevochten, maar in stand is gebleven. Daarmee heeft dit besluit in beginsel formele rechtskracht gekregen.

4.4.1.

Hier komt nog bij dat in de uitspraak van 21 oktober 2010 door de voorzieningenrechter (zie 2.4) is geoordeeld dat er voldoende grond was om tot het besluit van 2 juni 2010 te komen en dat in de uitspraak van 1 december 2011 door de bestuursrechter is vastgesteld dat het besluit van 2 juni 2010 in rechte vast staat. Tegen deze uitspraken is [eiser] niet opgekomen.

4.5.

De omstandigheid dat [eiser] op 28 juli 2014 bij het UWV een verzoek tot herziening van (onder meer) het besluit van 2 juni 2010 heeft ingediend doet niet af aan de formele rechtskracht van het besluit en geeft evenmin aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden totdat op dat verzoek is beslist. Daartoe geldt het volgende.

4.5.1.

Zijdens het UWV is onbetwist gesteld dat het voor een belanghebbende altijd mogelijk is om een verzoek tot herziening van een besluit in te dienen en dat tegen de op dat besluit gegeven beslissing vervolgens bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Daarbij kan een verzoek om herziening meerdere malen (met betrekking tot hetzelfde besluit) worden ingediend en staat vervolgens steeds bezwaar en beroep open, aldus – onbetwist – het UWV.

4.5.2.

Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank een verzoek tot herziening een bijzondere procedure betreft, die buiten de reguliere bestuursrechtelijke rechtsgang valt. Het indienen van een dergelijk verzoek doet daarmee geen afbreuk aan de formele rechtskracht van een besluit. Zou dit ook anders zijn, dan zou het in theorie mogelijk zijn om door herhaalde verzoeken tot herziening (gevolgd door bezwaar en beroep) er voor zorg te dragen dat een besluit nooit onherroepelijk wordt.

4.5.3.

In het onderhavige geval komt daar nog bij dat [eiser] het verzoek tot herziening eerst nadat door het UWV in deze procedure is aangevoerd dat het besluit van 2 juni 2010 formele rechtskracht heeft gekregen heeft ingediend. Dat terwijl de laatste beslissing in de bestuursrechtelijke procedure op dat moment bijna drie jaar geleden gegeven was, zonder dat door [eiser] daartegen is geageerd. Gesteld noch gebleken is dat nadien is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die [eiser] hebben genoopt tot het indienen van het verzoek op dit moment. Desgevraagd heeft de advocaat van [eiser] op de comparitie te kennen gegeven niet te weten waarom het verzoek tot herziening op dit moment is ingediend. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat het indienen van het verzoek tot herziening primair als reden heeft het verweer van het UWV in deze procedure te poneren.
Dat [eiser] er voor gekozen heeft om al tot dagvaarden over te gaan voordat hij het herzieningsverzoek had ingediend, moet echter voor zijn rekening blijven. Uitkomst en duur van de herzieningsprocedure zijn op dit moment zo ongewis dat de onderhavige procedure niet wordt aangehouden om daarop te wachten.

4.6.

Conclusie van het voorgaande is dat het besluit van 2 juni 2010 formele rechtskracht heeft. Dat betekent dat in deze procedure als vaststaand moet worden aangenomen dat het besluit van 2 juni 2010 tot schorsing van de uitkering van [eiser] rechtmatig was. Nu [eiser] (enkel) de onrechtmatigheid van het besluit van 2 juni 2010 aan de onderhavige vordering ten grondslag heeft gelegd, geldt dat hij niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Overig

4.7. Hetgeen door partijen voor het overige is aangevoerd kan gelet op het bovenstaande onbesproken worden gelaten.



4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van UWV worden begroot op:
- griffierecht € 608,00
- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)
Totaal € 1.512,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van UWV tot op heden begroot op € 1.512,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.