Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6131

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
HA EXPL 13-1019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0328

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2353468 \ HA EXPL 13-1019

Uitspraak: 12 augustus 2014

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bol.com B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

gemachtigde mr. T.R. Dicke te Almere,

tegen

[gedaagde]

wonende te[plaats]

gedaagde,

gemachtigde mr. A.E. Martinez Linnemann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Bol en [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2014 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de akte houdende uitlatingen productie van [gedaagde], met producties,

  • -

    de antwoordakte van Bol.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De verdere beoordeling

1.

Bol heeft in deze procedure [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het onbetaald laten van de elektronische apparaten die de [vennootschap] (hierna: [vennootschap]) - waarvan [gedaagde] enig aandeelhouder en bestuurder is - in februari 2012 bij Bol heeft besteld. Bol heeft aan deze aansprakelijkstelling onder meer ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de bestellingen heeft geplaatst, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [vennootschap] de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet of niet binnen een redelijke termijn zou kunnen voldoen en evenmin verhaal zou bieden voor de daardoor door Bol geleden schade.

2.

Bij de beoordeling van dit verwijt dient tot vertrekpunt dat als onbestreden vaststaat dat [gedaagde] op 16 en 29 februari 2012 namens [vennootschap] voor in totaal circa € 11.889,95 een aantal nieuwe HD-Tv’s, tablets en smartphone’s bij Bol heeft aangeschaft en vervolgens binnen enkele maanden de activiteiten van [vennootschap] heeft gestaakt, met achterlating van slechts een weinig omvattende bedrijfsinventaris, terwijl de bij Bol bestelde producten nooit zijn betaald, maar kort na de aanschaf - met verlies - zijn verkocht om andere leveranciers van [vennootschap] te betalen.

3.

De kantonrechter stelt voorop dat deze gang van zaken sec bezien de conclusie rechtvaardigt dat de financiële toestand bij [vennootschap] ten tijde van het plaatsen van de bestellingen al te zwak was om de daaraan verbonden betalingsverplichtingen tegenover Bol (binnen een behoorlijke termijn) te kunnen nakomen en voldoende verhaal te kunnen bieden voor Bol. Die conclusie kan vanzelfsprekend anders zijn, indien blijkt van feiten en omstandigheden die erop wijzen dat ondanks de snelle teloorgang van [vennootschap] de financiële vooruitzichten in februari 2012 nog niet dusdanig waren dat toen al viel te voorzien dat de producten niet betaald konden worden. Het ligt in eerste instantie op de weg van [gedaagde] om zulke feiten en omstandigheden aan te voeren. Dit te meer, nu [vennootschap] - in strijd met de op haar rustende wettelijke verplichting - geen jaarrekeningen heeft gepubliceerd, zodat het bij gebrek aan inzicht in de baten en schulden van [vennootschap] voor derden zoals Bol nauwelijks mogelijk is daarover iets concreet en onderbouwd te stellen. Derhalve is gerechtvaardigd dat in dit verband op [gedaagde] een verzwaarde stelplicht wordt gelegd.

4.

[gedaagde] heeft dienaangaande op de comparitiezitting verklaard dat het feit dat de producten van Bol onbetaald zijn gebleven het gevolg is van een (onverwachte) samenloop van omstandigheden: de belangrijkste leverancier van [vennootschap] schroefde in maart 2012 het krediet terug met € 20.000,- met een navenante vordering tot gevolg, een koopsom voor niet geleverde goederen werd pas in maart 2012 terugbetaald, gelden moesten gebruikt worden om andere leveranciers te betalen en er was een huurachterstand ontstaan (vgl. tussenvonnis onder 4). [gedaagde] ontkent aldus dat van meet af aan duidelijk was dat de bestelde producten niet betaald konden worden.

5.

In het tussenvonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om (in het kader van de hiervoor genoemde verzwaarde stelplicht) zijn stellingen ten aanzien van de vermogenspositie van [vennootschap] vanaf februari 2012 aan de hand van nadere (schriftelijke) gegevens te onderbouwen. [gedaagde] heeft daarop bij nadere akte de afschriften van de betaalrekening van [vennootschap] overgelegd over de periode 4 januari tot en met 30 april 2012. Die bankafschriften tonen volgens [gedaagde] aan dat er tot en met eind april 2012 nog een grote cash flow was in de onderneming.

6.

De kantonrechter overweegt dat uit de bankafschriften inderdaad van geldstromen blijkt (zij het dat na maart 2012 geen noemenswaardige transacties meer plaatsvinden), maar dat daarbij de belangrijke kanttekening moet worden gemaakt dat over de gehele periode de in- en uitgaande geldstromen telkens vrijwel gelijk zijn, zodat de bankrekening per saldo nooit voor langere tijd een noemenswaardig batig saldo heeft vertoond. Ook in de periode voorafgaand aan de bestellingen bij Bol in (februari 2012) zijn alle binnengekomen gelden vrijwel onmiddellijk weer gebruikt voor transacties naar - veelal buitenlandse - bankrekeningen en is het resterend saldo op de bankrekening vrijwel nihil. Bovendien geeft [gedaagde] geen enkele toelichting op de in- en uitgaande geldstromen, anders dan de blote stelling dat de bedragen allen betrekking hadden op de in- en verkoop van goederen.

7.

Daarbij komt dat [gedaagde], ondanks dat hem daartoe in het tussenvonnis uitdrukkelijk de gelegenheid is verschaft, nog steeds nauwelijks inzicht verschaft in de precieze schuldpositie van [vennootschap] in de genoemde periode. Aldus valt niet vast te stellen of en in hoeverre de opeisbare (huur)schulden, die [vennootschap] naar zeggen van [gedaagde] tot de (verlieslijdende) verkoop van de bestelde apparaten noopten, pas in maart 2012 zijn ontstaan en bijvoorbeeld niet al bestonden toen [vennootschap] die apparaten in februari 2012 bij Bol bestelde. Verder heeft [gedaagde] geen enkele nadere informatie verstrekt ten aanzien van de door hem genoemde vertraagde terugbetaling van een niet geleverde partij kaas, de gedeeltelijke intrekking van het krediet van Central Point of (gebrek aan) ander vermogen waarover [vennootschap] naast de eerdergenoemde bankrekening kon beschikken. Gesteld noch gebleken is dat het voor [gedaagde] onmogelijk was om deze gegevens over de schulden en baten van [vennootschap] in het geding te brengen.

8.

Nu [gedaagde] aldus, ook na uitdrukkelijk verzoek daartoe, heeft nagelaten om een duidelijk en volledig inzicht te verschaffen in de toenmalige vermogenspositie van [vennootschap], wordt hetgeen hij daaromtrent heeft gesteld als onvoldoende onderbouwd gepasseerd en wordt, in lijn met hetgeen hiervoor onder 3 is vooropgesteld, geoordeeld dat bij gebrek aan gegevens die op het tegendeel kunnen wijzen, op basis van de, uit de onbetwiste feiten, blijkende gang van zaken moet worden geconcludeerd dat de financiële positie van [vennootschap] aanstonds al te zwak was om de betalingsverplichtingen tegenover Bol te kunnen nakomen.

9.

Dat betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 6:162 BW als bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die Bol daardoor heeft geleden. Nu de facturen voor de bestelde goederen tot op heden alle onbetaald zijn gebleven en gesteld noch gebleken is dat op de resterende vermogensbestanddelen van [vennootschap] in dit verband nog noemenswaardig verhaal bieden, kan de door Bol geleden schade zoals gevorderd worden gesteld op een bedrag van € 11.889,95. De door Bol gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2012 is als onweersproken eveneens toewijsbaar. De primaire vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen, zodat de kantonrechter niet toekomt aan beoordeling van de subsidiaire vordering.

10.

Bol heeft tenslotte een bedrag van € 2.194,41 (inclusief btw) gevorderd ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst die vordering af. Bol heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd meer omvatten dan de gebruikelijke verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de hiernavolgende proceskostenveroordeling al een vergoeding pleegt in te sluiten.

11.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Bol tot op heden begroot op € 78,34 aan explootkosten, € 448,- aan griffierecht en € 750,- aan salaris gemachtigde (2,5 punt x liquidatietarief € 300,-), aldus in totaal € 1.276,34.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Bol van een bedrag van € 11.889,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van Bol, tot op heden begroot op € 1.276,34;

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door M.E.M. James - Pater, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter