Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6120

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/650332-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf na bewezenverklaring doodslag kind. Kind viel van balkon in Amsterdam Zuidoost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650332-13 (Promis)

Datum uitspraak: 19 september 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

laatstelijk ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

gedetineerd in [detentieadres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 3, 4 en 5 september 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.M.M. Gabel en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.R. Koenders naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 9 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam 1] (geboren op [geboortedatum]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [naam 1] vanaf de galerij op de zesde verdieping van een flat (op een hoogte van ongeveer 30 meter) over de reling gegooid en/of geduwd en/of laten vallen, tengevolge waarvan voornoemde [naam 1] (uiteindelijk) op de grond terecht is gekomen en/of tengevolge waarvan voornoemde [naam 1] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 09 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed van (een grote hoeveelheid) alcohol en/of cannabis [naam 1] (geboren op [geboortedatum]) op de galerij op de zesde verdieping van een flat op zodanige wijze op te tillen dat voornoemde [naam 1] ten val heeft kunnen komen, tengevolge waarvan voornoemde [naam 1] (uiteindelijk) op de grond terecht is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [naam 1] zodanig letsel, te weten een miltverscheuring die heeft geleid tot bloeduitstorting en/of algehele weefselschade door verbloeding en/of longkneuzingen en/of een scheur in het rechterdeel van het middenrif en/of ribbreuken, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 09 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig onder invloed van (een grote hoeveelheid) alcohol en/of cannabis [naam 1] (geboren op [geboortedatum]) op de galerij op de zesde verdieping van een flat op zodanige wijze heeft opgetild dat voornoemde [naam 1] ten val heeft kunnen komen, tengevolge waarvan voornoemde [naam 1] (uiteindelijk) op de grond terecht is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [naam 1] zodanig letsel, te weten een miltverscheuring die heeft geleid tot bloeduitstorting en/of algehele weefselschade door verbloeding en/of longkneuzingen en/of een scheur in het rechterdeel van het middenrif en/of ribbreuken, heeft bekomen, dat voornoemde [naam 1] aan de gevolgen daarvan is overleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Beoordeling verklaringen getuige [naam 2]

Allereerst zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de verklaringen van getuige [naam 2] voor het bewijs van het ten laste gelegde – in welke vorm dan ook – kunnen worden gebruikt.

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat de verklaringen van getuige [naam 2], voor zover inhoudende dat hij heeft gezien dat – en hoe – verdachte [naam 1] (hierna ook: [naam 1]) naar beneden heeft gegooid of laten vallen, te wankel zijn om voor het bewijs te gebruiken. In eerste instantie heeft [naam 2] niet verklaard dat hij deze handelingen heeft gezien en zijn verklaringen omtrent door hem gedane waarnemingen verschillen ook op andere punten onderling van elkaar. Daarnaast past hetgeen [naam 2] heeft verklaard niet bij de verklaringen van de ouders van [naam 1] en bij de telefoongegevens van getuige [naam 3]. Ten aanzien van de verklaring van [naam 2], voor zover inhoudende dat hij een man op de galerij heeft zien staan die ‘Makoenoe, Makoenoe’ schreeuwt, ligt het volgens de officier van justitie anders. Aangezien meerdere getuigen verklaren dat zij iets hebben horen zeggen in het Ghanees dat “I killed him” betekent, kan de verklaring van [naam 2] wat dat onderdeel betreft wel voor het bewijs worden gebruikt.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van getuige [naam 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [naam 2] heeft niet alleen in zijn eerste twee verklaringen anders verklaard dan in zijn laatste twee verklaringen en zijn verklaringen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting, ook in de weergave van het incident zitten belangrijke verschillen en onduidelijkheden in de verklaringen van [naam 2]. De verklaringen van [naam 2] over wat hij van het ten laste gelegde incident heeft gezien, komen niet overeen met de verklaringen van de ouders van [naam 1] of met het door hen geschetste tijdspad en worden evenmin ondersteund door de verklaringen van de getuigen [naam 4] en [naam 5]. De verklaring van [naam 2] dat hij heeft gezien dat verdachte [naam 1] over de reling heeft gegooid of laten vallen, is niet betrouwbaar en waarschijnlijk het gevolg van zijn inbeelding.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Getuige [naam 2] heeft in het opsporingsonderzoek diverse verklaringen afgelegd. Ook heeft hij ter terechtzitting op 4 september 2014 een verklaring afgelegd. De eerste keer dat getuige [naam 2] is gehoord, was op 8 mei 2013 en derhalve bijna een maand na het incident. Op die datum heeft [naam 2] – net als in zijn verklaring op 16 mei 2013 – kort gezegd verklaard dat hij niet heeft gezien hoe [naam 1] op de grond terecht is gekomen. Op 17 mei 2013 en 27 juni 2013 heeft [naam 2] verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [naam 1] over de reling heeft getild en heeft losgelaten. Bij de rechter-commissaris heeft [naam 2] op 4 en 5 december 2013 verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [naam 1] op de reling zette en hem naar beneden gooide. Ter terechtzitting heeft [naam 2] verklaard dat verdachte [naam 1] niet heeft gegooid maar heeft losgelaten, waardoor [naam 1] ten val kwam.

Nu de verklaringen van [naam 2] onderling niet met elkaar overeenkomen en zijn laatste vier verklaringen wat betreft de feitelijke door hem waargenomen handelingen van verdachte evenmin met elkaar overeenstemmen, is van belang te bezien in hoeverre zijn verklaringen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Geen van de getuigen van wie zich een verklaring in het dossier bevindt, heeft echter verklaard iets te hebben waargenomen over hoe [naam 1] op de grond terecht is gekomen. Getuige [naam 3], die volgens [naam 2] naast hem stond op het moment dat [naam 2] zag dat verdachte [naam 1] losliet, heeft in zijn verklaringen herhaaldelijk verklaard dat toen hij op de galerij aankwam [naam 1] reeds op de grond lag. Geen van de getuigen die in de loop van het onderzoek een verklaring hebben afgelegd, bevestigen de verklaring van [naam 2] wat betreft het loslaten of gooien van [naam 1] door verdachte. Ook lijkt hetgeen [naam 2] daarover heeft verklaard moeilijk te passen in de verklaringen van de ouders van [naam 1] over de tijdspanne waarin het ten laste gelegde moet hebben plaatsgevonden en de verklaringen van [naam 3] en [naam 6] over wat [naam 2] al dan niet heeft kunnen zien. De verklaringen van de getuigen [naam 4] en [naam 5] maken dat niet anders, nu zij zelf geen getuige zijn geweest van het ten laste gelegde voorval maar enkel hebben verklaard over hetgeen zij van [naam 2] hebben gehoord. Verder is van belang dat uit de gegevens van het onderzoek aan de telefoons van getuige [naam 3] niet is gebleken dat [naam 3] kort voor het incident aan het telefoneren was, zoals getuige [naam 2] herhaaldelijk heeft verklaard.

Gelet op de voornoemde inconsistenties in de verklaringen van getuige [naam 2] en vanwege het feit dat zijn verklaringen geen dan wel onvoldoende ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen, zal de rechtbank de verklaringen van getuige [naam 2] bij het beoordelen van het ten laste gelegde dan ook buiten beschouwing laten.

5 Inzicht door verdachte in de draagwijdte van zijn handelen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte als gevolg van zijn alcoholgebruik geen inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan.

Nu voor beide varianten van het onder primair ten laste gelegde het mogelijk bestaan van opzet van belang is, zal de rechtbank het verweer van de raadsman op deze plaats bespreken.

5.1.

Het standpunt van de verdediging

Uit het toxicologisch onderzoek blijkt dat verdachte ten tijde van het incident mogelijk een alcoholpromillage van 4,7 mg/ml had. Bij dat promillage kan sprake zijn van bewusteloosheid en zelfs coma. Het geheugen van verdachte moet dan ook ernstig verstoord zijn geweest. De vergaande mate van intoxicatie en de gevolgen daarvan voor het bewustzijn, gekoppeld aan de verklaring van de moeder van [naam 1], [moeder] (hierna ook: [moeder]), de bevindingen van verbalisanten over het gedrag van verdachte en de verklaring van verdachte zelf dat hij zich niets meer kan herinneren, toont aan dat van enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan geen sprake was bij verdachte.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien voorbedachte raad niet kan worden bewezen – minst genomen sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Het gemiddelde alcoholpromillage dat uit het toxicologisch onderzoek blijkt is 3,2 mg/ml. Hoewel het alcoholgebruik van verdachte kan hebben geleid tot een black-out en hij zich mogelijk niets van het incident kan herinneren, wil dat niet zeggen dat hij op dat moment geen opzet heeft gehad op zijn handelen. Niemand heeft aan het gedrag van verdachte iets bijzonders gemerkt, ook al was hij onder invloed van alcohol. De door verdachte geuite woorden en zijn gedrag passen bovendien bij zijn bedoeling om [naam 1] te doden. Niets wijst er derhalve op dat verdachte geen inzicht had in zijn handelen en in de gevolgen daarvan.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de resultaten van het toxicologisch onderzoek blijkt dat verdachte onder invloed van alcohol was en dat het alcoholpromillage in zijn bloed ten tijde van het ten laste gelegde tussen de 2,4 en 4,7 mg/ml heeft gelegen. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) leidt de rechtbank af dat de effecten van genoemde ethanolconcentraties uiteenlopen van onduidelijke spraak, verlies van zintuiglijke waarneming, verlies van luchtwegreflexen en slechte spiercontrole tot coma, bewusteloosheid, ademhalingsstilstand en kans op overlijden. Daargelaten dat de mate van effect afhankelijk is van de gewenning aan ethanol en verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verslaafd was aan alcohol, blijkt uit geen van de getuigenverklaringen dat door hen bij verdachte één of meer van de voornoemde effecten zijn waargenomen. Het enkele feit dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde onder invloed van alcohol was en dat het alcoholpromillage in zijn bloed tussen de genoemde waarden lag, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat verdachte reeds daarom geen inzicht kon hebben in zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook indien verdachte zich – zoals aangevoerd – achteraf niets van het ten laste gelegde kan herinneren, dit niet zonder meer hoeft te betekenen dat hij ook ten tijde van het delict geen inzicht had in de gevolgen van zijn handelen. Het is dan ook van belang na te gaan wat er uit het dossier kan worden afgeleid aangaande het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij niet weet wat er zich heeft afgespeeld, noch wat er in hem omging. Uit de getuigenverklaringen kan wel het een en ander worden afgeleid over de bewustzijnstoestand waarin verdachte zich bevond. De getuigen [moeder], de vader van [naam 1] [vader] (hierna ook: [vader]) en [naam 7] (hierna: [naam 7]) hebben verklaard over het gedrag van verdachte op de avond van 9 april 2013. [naam 7] heeft verklaard dat hij kon zien dat verdachte had gedronken. [naam 7] heeft verder gezien dat verdachte één van de kinderen optilde en dat hij een telefoongesprek heeft gevoerd. Ook [moeder] en [vader] hebben verklaard dat verdachte een telefoongesprek heeft gevoerd. Verder hebben zij verklaard dat verdachte met [naam 1] speelde en dat hij hem optilde. Verdachte is met [naam 1] naar buiten gelopen en is zonder hem de woning weer binnengekomen. Verdachte gaf, onmiddellijk nadat [naam 1] van zes hoog op de grond voor de flat [flat] terecht was gekomen, adequaat antwoord op de door [moeder] en [vader] gestelde vragen, hoe onvoorstelbaar zijn antwoorden ook mogen zijn geweest. Volgens [moeder] deed hij dat op een normale manier. Even later is door de getuigen [naam 8] en [naam 9] gehoord dat een man “Makhoenoe” (fon.) zei, althans een woord in het Twi dat zou betekenen: “Ik heb hem gedood”. Ook heeft getuige [naam 8] waargenomen dat verdachte op de galerij stond met zijn vuisten in de lucht.

De door de getuigen waargenomen handelingen van verdachte, passen naar het oordeel van de rechtbank niet bij een situatie waarin het verdachte aan inzicht in zijn handelen en de gevolgen daarvan ontbrak. Verdachte was in staat een gesprek te voeren, adequaat te reageren op hem gestelde vragen en zijn motoriek was dusdanig dat hij een kind kon optillen en daar mee naar buiten kon lopen. Ook uit het gedrag van verdachte nadat [naam 1] op de grond terecht was gekomen, leidt de rechtbank af dat verdachte wist wat er was gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte in een toestand verkeerde waarin van enige bewustheid van zijn handelen en de gevolgen daarvan geen sprake was. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

6 Beoordeling van het primair ten laste gelegde

6.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte primair ten laste gelegde moord kan worden bewezen. Het bestanddeel “voorbedachten rade” kan volgens de officier van justitie worden bewezen, nu verdachte uit de keuken kwam en tegen [naam 1] heeft gezegd “de politie neemt je vandaag mee”. Hij heeft [naam 1] vervolgens opgetild, is met hem door de gang gelopen naar de voordeur, heeft de voordeur geopend en is met [naam 1] de galerij opgegaan. Op de galerij heeft hij [naam 1] mogelijk eerst op de reling gezet en vervolgens laten vallen, of over de reling getild en laten vallen of over de reling gegooid. Daarna is verdachte naar binnen gegaan en heeft enkele uitspraken gedaan die de strekking hebben dat hij [naam 1] heeft neergelegd of gegooid en dat de politie hem zo komt halen. Verdachte heeft tijd en gelegenheid gehad zich te beraden op zijn voorgenomen handelen. Vanaf het moment dat verdachte zijn voornemen kenbaar naar buiten bracht door de woorden “de politie neemt je vandaag mee”, heeft hij bij iedere daarop volgende handeling opnieuw gelegenheid tot bezinning gehad. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van een gemoedsopwelling.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Verdachte was vlak voordat hij naar buiten is gelopen op de grond aan het spelen met [naam 1], pakte diens stropdas af, nam [naam 1] op zijn schouder en zei: “De politie komt je vandaag meenemen”. Verdachte liep naar de galerij, deed de deur open en kwam zonder [naam 1] weer binnen. Dit alles heeft zich in een kort tijdsbestek afgespeeld en komt over als een verrassende en impulsieve wijze van handelen. In ieder geval lijkt geen sprake te zijn van bedaard nadenken en dan handelen, waardoor van bewezenverklaring van moord in juridische zin geen sprake kan zijn.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

In het navolgende zal de rechtbank overwegen of (i) het handelen van verdachte heeft geleid tot het overlijden van [naam 1], en zo ja (ii) of sprake was van opzet op dat handelen en zo ja (iii) of sprake was van voorbedachte raad.

( i) Causaal verband

De rechtbank stelt op grond van het rapport van de patholoog vast dat [naam 1] is overleden als gevolg van de verwondingen die hij heeft opgelopen door de val van de galerij van de flat. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het aannemelijk is dat [naam 1] naar beneden is gevallen door toedoen van verdachte of dat [naam 1] zelf over de balustrade van de galerij is geklommen, als gevolg waarvan hij ten val is gekomen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit het rapport van het NFI van 18 maart 2014 kan worden afgeleid dat [naam 1] in staat moet zijn geweest zelfstandig over de balustrade te klimmen. De door [moeder] en [vader] beschreven zeer korte tijdsspanne waarbinnen verdachte met [naam 1] naar buiten is gelopen en vervolgens zonder hem naar binnen is gekomen, waarna [moeder] [naam 1] op de galerij is gaan zoeken, verdraagt zich evenwel niet met de theoretische mogelijkheid dat [naam 1] zelf over de balustrade is geklommen. Op het moment dat [moeder] op de galerij kwam, zag zij [naam 1] nergens en moet hij al op de grond onder de flat [flat] hebben gelegen. Gelet op het feit dat de balustrade vier centimeter hoger was dan [naam 1] en zich op de galerij geen hulpmiddelen bevonden om het eventuele klimmen te vergemakkelijken, zou het klimmen [naam 1] enige moeite en tijd moeten hebben gekost. Dat hij in de voornoemde korte tijdspanne, indachtig de moeite die het klimmen hem zou hebben gekost, zelfstandig over de balustrade is geklommen, acht de rechtbank dan ook onaannemelijk. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit het dossier geen enkele aanwijzing te vinden is dat [naam 1] ooit de neiging had op de balustrade te klimmen, en dat [vader] verschillende keren heeft verklaard dat [naam 1] juist niet langs de balustrade liep, omdat hij daar bang voor was.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte door zijn handelen de dood van [naam 1] heeft veroorzaakt.

( ii) Opzet

De volgende vraag die moet worden beantwoord is hoe verdachte heeft gehandeld en of verdachte opzet had op de dood van [naam 1]. Zoals hierboven overwogen zijn er geen getuigen die hebben gezien welke handelingen verdachte op de galerij heeft verricht, ten gevolge waarvan [naam 1] van zes hoog op de grond onderaan de flat is terecht gekomen en heeft verdachte verklaard dat hij zich niets kan herinneren. De vaststelling van wat er zich in dit korte tijdsbestek precies heeft afgespeeld kan – voor zover mogelijk – derhalve uitsluitend worden gedaan op basis van hetgeen getuigen kort voor en kort na het gebeurde op de galerij hebben waargenomen.

[moeder] heeft verklaard dat verdachte in de woning tweemaal tegen [naam 1] heeft gezegd “Je wordt vandaag meegenomen door de politie”. Verdachte heeft [naam 1] vervolgens opgetild, tegen zijn schouder gelegd en is met hem uit het zicht van [moeder] gelopen. Toen [moeder] daarop de voordeur van de woning open hoorde gaan, is zij opgestaan en naar de voordeur gelopen. In de gang van de woning kwam zij verdachte tegen, die zonder [naam 1] de woning weer inliep. [moeder] heeft verdachte gevraagd waar [naam 1] was, waarop verdachte heeft verklaard “Ik heb [naam 1] ([naam 1]) daar opgelegd. De politie komt hem ophalen”. [moeder] heeft verklaard dat zij haar vraag enkele malen heeft herhaald, waarop verdachte in essentie telkens heeft geantwoord dat hij [naam 1] had neergelegd. Hij zei dat alsof er niets was gebeurd. De laatste keer dat hij antwoordde, heeft verdachte naar beneden gewezen in de richting van de galerij. [vader] heeft verdachte op de vraag van [moeder] waar [naam 1] was horen verklaren: “Ik heb hem daar neergelegd. De politie komt hem zo halen”. Toen [vader] [moeder] hoorde schreeuwen en huilen, is hij naar buiten gegaan. [moeder] vertelde hem dat [naam 1] op de grond lag. Verdachte liep achter [vader] en zei: “Ik heb hem weggegooid”. [moeder] en [vader] zijn naar beneden gegaan waar [naam 1] op de grond lag. Op of rond het moment dat zij beneden waren, hebben de getuigen [naam 9] en [naam 8] verdachte in het Twi woorden horen zeggen die kunnen worden vertaald als “Ik heb hem gedood”. [naam 9] heeft daarnaast gehoord “Ik heb hem weggegooid”. [moeder] heeft verdachte, toen zij weer boven bij haar woning kwam, horen zeggen: “Ik heb hem vermoord”.

Verdachte heeft, nadat [naam 1] op de grond terecht moet zijn gekomen, gerefereerd aan zijn eerdere – in de woning gedane – uitspraken omtrent de politie. De door verdachte gebruikte woorden “op gelegd” of “neergelegd”, “(weg)gegooid” en “gedood” duiden naar het oordeel van de rechtbank op een welbewuste handeling van verdachte. Zij passen in ieder geval niet bij een noodlottig ongeval. Verdachte lijkt bovendien op geen enkel moment ontredderd of in paniek te zijn geweest. In geval van een noodlottig ongeval tijdens – bijvoorbeeld – een spelsituatie, had een dergelijke reactie voor de hand gelegen. Ook overigens heeft de rechtbank uit geen van de stukken die zich in het dossier bevinden aanknopingspunten gevonden dat sprake zou zijn geweest van een spel met als gevolg een noodlottig ongeval. De hierboven geschetste door verdachte gebruikte woorden en verrichte handelingen kort voor en kort na het moment waarop [naam 1] op de grond voor de flat moet zijn beland, duiden er op dat verdachte zich bewust was van wat hij deed en dat hij opzettelijk handelde.

( iii) Voorbedachte raad

Ten slotte dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of uit het hierboven vastgestelde kan worden afgeleid dat verdachte handelde met voorbedachte raad. Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vereist is dat vast komt te staan dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging heeft gehandeld, maar dat hij tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen en zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (Hoge Raad 28 februari 2012, LJN BR2342 en Hoge Raad 16 januari 2013, LJN BY5678).

Uit de verklaringen van verdachte kan – nu hij zich van het ten laste gelegde niets zegt te kunnen herinneren – niet worden afgeleid op welk moment bij hem het voornemen ontstond om [naam 1] te doden. Wel staat vast dat er geen sprake was van een van te voren gepland bezoek door verdachte aan de woning van [naam 1]. Uit het dossier blijkt immers dat [moeder] namens [vader] verdachte heeft gebeld met het verzoek om langs te komen omdat [vader] zich niet goed voelde. [moeder] heeft verklaard dat verdachte op enig moment tegen [naam 1] heeft gezegd dat de politie hem zou komen halen, aan welke uitspraak hij onmiddellijk nadat hij zonder [naam 1] in de woning terugkeerde, heeft gerefereerd. Het dossier biedt in ieder geval geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat het voornemen [naam 1] te doden al vóór de eerste uitspraak van verdachte over de politie is ontstaan. Verdachte is vervolgens van de woonkamer naar de galerij van de flat gelopen met [naam 1] op zijn arm. Korte tijd later is hij de woning weer binnengekomen, zonder [naam 1]. Over de afstand die verdachte met [naam 1] op zijn arm heeft afgelegd en hoe lang dat heeft geduurd, zijn geen nadere gegevens bekend. Er kan dan ook niet méér worden vastgesteld dan dat de gang van verdachte naar de galerij en weer terug zich in korte tijd heeft afgespeeld, zoals [moeder] en [vader] hebben verklaard. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten biedt voor een moment van beraad en reflectie in die korte tijd aan de zijde van verdachte, kan het bestanddeel voorbedachte raad niet worden bewezen. Dat het dossier evenmin aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat verdachte handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maakt dat niet anders.

Verdachte zal dan ook van moord, als het meer of anders ten laste gelegde, worden vrijgesproken.

6.4.

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het primair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

1. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 oktober 2013, betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, niet doorgenummerd, onder meer inhoudende:

[naam 1], geboren op [geboortedatum] te Amsterdam, is overleden in het AMC te Amsterdam op 10 april 2013 omstreeks 1.20 uur. Bij sectie op het lichaam van [naam 1] wordt het intreden van de dood verklaard door algehele weefselschade door zuurstofgebrek ten gevolge van verbloeding, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch hoogenergetisch geweld.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132E 2013085827-10 van 10 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2], doorgenummerde pag. 13-15.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 9 april 2013 omstreeks 23.00 uur kregen wij de opdracht te gaan naar [flat] te Amsterdam, alwaar een persoon van de flat zou zijn gegooid of gevallen. Ter plaatse zagen wij geen slachtoffer liggen. Van omstanders die op de galerijen van de flat stonden begrepen wij dat er op de 6e verdieping van de flat iets moest hebben plaatsgevonden. Onmiddellijk begaven wij ons naar de zesde verdieping, waar wij een vrouw hevig overstuur aantroffen. Ter plaatse op de galerij hoorden wij dat de verdachte mogelijk nog in de woning aanwezig was. Hierop hebben de collega’s van de [nummer] samen met mij, [opsporingsambtenaar 1], de verdachte in de woning aangehouden.

Ik, [opsporingsambtenaar 2], heb mij over de vrouw ontfermd. Wij hebben haar mee in de woning [woonadres] genomen en op een stoel in de keuken laten plaatsnemen. Daarna verklaarde de vrouw, die later opgaf te zijn genaamd [moeder], het volgende. Ik ben de moeder van [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [naam 1]), geboren op [geboortedatum]. [naam 1] is net naar beneden gegooid.

3. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL132F 2013085827-2 van 10 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4], doorgenummerde pag. 72-73.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 9 april 2013 te 23.10 uur hielden wij op de locatie [woonadres] te Amsterdam als verdachte aan [verdachte], geboren op [geboortedatum en plaats].

4. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 14 oktober 2013 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [moeder], wonende te [woonplaats], zakelijk weergegeven:

U vraagt mij te vertellen wat er de avond van het incident (de rechtbank begrijpt: op 9 april 2013) gebeurd is. Ik heb [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) gebeld in opdracht van mijn vriend [vader] (de rechtbank begrijpt: [vader]). Mijn vriend was ziek en vroeg mij [verdachte] te bellen zodat [verdachte] hem naar het ziekenhuis kon brengen. [verdachte] is toen naar ons huis gekomen.

Toen wij televisie zaten te kijken, was [verdachte] aan het spelen met de kinderen, met [naam 10] en [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [naam 1]). [verdachte] ging verder met spelen met [naam 1]. Zij speelden samen met de autootjes. [verdachte] lag op de grond en [naam 1] zat ernaast in de woonkamer. [vader] lag op de bank, ook in de woonkamer. Ineens zag ik dat [verdachte] de stropdas van de nek van [naam 1] trok. Toen hij dat deed zei [verdachte] tegen [naam 1]: ‘vandaag wordt jij meegenomen door de politie’. Ik heb geen idee waarom [verdachte] tegen [naam 1] zei ‘je wordt meegenomen door de politie’. Nadat [verdachte] zei dat [naam 1] zou worden meegenomen door de politie liep [verdachte] met het stropdasje in zijn handpalm naar de keuken en [naam 1] liep achter hem aan en zei: ‘ja, politie, tu-ta-tu-ta’. [verdachte] heeft de stropdas naar de keuken gebracht en is daarna weer naar binnen, naar de woonkamer, gelopen. [naam 1] liep achter hem aan en ging staan bij de bank waar ik op zat, vlak achter mij. Als je op die plek achter de bank staat, kan je richting de keuken kijken waar [verdachte] stond. [verdachte] zei opnieuw: ‘je wordt vandaag meegenomen door de politie’. Op dat moment stond hij voor [naam 1] in de woonkamer en [naam 1] stond dus achter de bank. Het klopt dat [verdachte] een tweede keer heeft gezegd dat [naam 1] meegenomen zou worden door de politie en dat ik daarvoor had gezegd tegen [verdachte] ‘waarom zeg je dat?’. Toen heeft [verdachte] [naam 1] opgetild en op zijn schouder gelegd. Ik hoorde de deur opengaan en toen zijn ze naar buiten gegaan. U vraagt mij wat ik precies bedoel met ‘op de schouder gelegd’. [verdachte] had [naam 1] vast waarbij het hoofd van [naam 1] op zijn schouder rustte en zijn billen werden ondersteund door de arm van [verdachte]. In eerste instantie pakte [verdachte] [naam 1] vast met twee armen, later hield [verdachte] [naam 1] vast met één arm. Eén arm ondersteunde dus de billen van [naam 1], de andere arm hing los. Ik heb dit gezien in de woonkamer.

Op een gegeven moment hoorde ik de deur opengaan. Ik heb niet gezien dat de deur werd geopend. Het laatste moment dat ik [naam 1] heb gezien was dat [verdachte] met hem op weg naar de deur ging de woonkamer uit. U vraagt mij of zij nog iets gezegd hebben voordat zij de deur uitgingen. Nee. Toen ik de deur open hoorde gaan, liep ik achter hen aan. Tegen de tijd dat ik bij de deur kwam, zag ik [verdachte] alleen naar binnen terugkomen. U vraagt mij waar ik [verdachte] ontmoette toen hij weer terugkwam. In het halletje tussen de voordeur en de keuken. U vraagt mij of ik er meteen achteraan ging toen ik de deur open hoorde gaan. Op dat moment was ik aan het eten. Ik hoorde de deur opengaan, heb mijn bord neergelegd en ben er achteraan gegaan. Ik deed dat niet in haast. Ik was nog steeds aan het eten toen ik de deur hoorde. Ik heb niet verder gegeten, maar mijn bord neergezet en ben naar de voordeur gegaan. Ik trof [verdachte] in het halletje. Ik vroeg hem: waar is [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [naam 1])? Hij zei: ‘ik heb [naam 1] daarop gelegd. De politie komt hem ophalen’. Ik stond voor de deur in het halletje en vroeg waar hij [naam 1] had gelegd. [verdachte] maakte een gebaar. Hij heeft een hand naar achteren gedaan. Wij stonden toen in het halletje tegenover elkaar. Ik stond met mijn gezicht richting de deur en hij stond met zijn rug richting de opening van de deur en wees dus met een hand naar achteren richting de galerij. Opmerking rechter-commissaris: de getuige maakt een beweging waarbij de hand omhoog wordt gebracht en langs de zijkant van haar hoofd naar achteren wordt bewogen. Ik was in de galerij aan het kijken en riep: ‘[naam 1], [naam 1]’. Toen ik [naam 1] niet kon vinden, zei ik tegen [verdachte]: ‘waar heb je [naam 1] gelaten?’. Ik ben [verdachte] gepasseerd en naar de galerij gelopen en heb: ‘[naam 1]’ geroepen. Ik was in de galerij en keek richting het einde van de galerij. Ik bleef vragen waar [naam 1] was. Ik ben niet op de galerij gaan lopen maar bleef [naam 1] roepen. Ik vroeg een tweede keer aan [verdachte] ‘[verdachte], waar is mijn kind?’. Hij zei: ‘ik heb hem hier neergelegd’ en op dat moment ging ik naar beneden kijken. [verdachte] stond in het halletje en stond naar mij te kijken toen ik riep. U vraagt mij of [verdachte] ook in het halletje stond toen ik de tweede keer vroeg waar mijn zoon was. Ja, ik draaide mij toen naar hem om en vroeg: ‘Waar is mijn kind, het is laat’. Toen wees hij met zijn hand en zei: ‘Ik heb hem daar neergelegd, de politie komt hem ophalen’. Hij wees naar beneden richting de galerij. Hij stond op dat moment in het halletje. Ik ging toen naar beneden kijken en vroeg weer aan [verdachte] ‘Waar heb je hem neergelegd?’. Ik ging een tweede keer kijken en toen zag ik dat hij op de grond lag. Toen ik voor de tweede keer ging kijken en zag dat [naam 1] op de grond lag, schreeuwde ik hard en [vader] kwam eraan. Ik zei: ‘Hij heeft mijn kind op de grond gegooid’. Ik zei dat in de taal Twi. U vraagt mij of ik weet waar [verdachte] was toen [vader] naar buiten kwam. [verdachte] stond op dezelfde plek in het halletje. Ik ben naar beneden gegaan. Toen ik beneden kwam, zag ik dat [naam 1] werd opgetild en in de auto werd gelegd door [vader].

Ik ben samen met de man die mij vasthield naar boven gegaan en riep om hulp omdat mijn andere kind nog binnen was. Er kwamen heel veel mensen en wij bonkten op de deur van onze woning. De deur was namelijk dicht gegaan en [verdachte] was binnen. De deur ging van binnenuit open. [verdachte] deed de deur open. Ik zag hem bij de deur staan. Ik ben zelf niet naar binnen gegaan. [verdachte] vroeg aan de mensen: ‘wat is er aan de hand?’. De mevrouw die ik van gezicht herkende zei: ‘Je bent een duivel, je hebt net een kind vermoord. De politie komt eraan’. [verdachte] zei: ‘Ja, ik heb het gedaan, ik heb hem vermoord’. Hij zei dit in de taal Twi. Opmerking rechter-commissaris: ik laat de tolk opschrijven wat [verdachte] volgens de getuige letterlijk gezegd heeft en dat luidt als volgt: Me icuo no me kuo no. Dat betekent volgens de tolk: ik heb hem vermoord, ik heb hem vermoord. U vraagt mij of [verdachte] wat gezegd of geroepen heeft voordat de politie boven was. Het enige wat ik hoorde was: ‘Me kuo no’. De politie heeft [verdachte] meegenomen. De raadsman vraagt mij of er op de avond zelf, toen [vader] op de bank lag, nog is gebeld. [vader] en [verdachte] hebben samen gebeld naar de moeder of vader van [verdachte]. Ik weet niets van de inhoud van dat gesprek af. De moeder en vader van [verdachte] wonen in Ghana.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2013085827 van 10 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 5] en [opsporingsambtenaar 6], doorgenummerde pag. 138-159.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [moeder], zakelijk weergegeven:

Op 9 april 2013 was [verdachte] aan het spelen met [naam 1] op de grond. Hij tilde hem op zijn schouders en toen zei hij “de politie komt je vandaag ophalen”. Ik hoorde dat hij de deur open deed. Ik kwam ook naar de deur en [verdachte] kwam mij voorbij lopen. Ik kwam naar de voordeur, hij heeft hem niet dichtgedaan. Toen jullie elkaar passeerden, wat viel je op aan [verdachte]? Niks. Hij zei gewoon “Ik heb hem daar neergelegd en de politie komt hem ophalen”. Hij zei dat op een normale manier. Alsof er niks gebeurd was? Ja.

6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 2 december 2013 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [vader], zakelijk weergegeven:

U vraagt mij of het klopt dat ik op de dag van het incident (de rechtbank begrijpt: op 9 april 2013) ziek was. Ja, ik lag ziek op de bank in de woonkamer. Ik heb [moeder] gevraagd om [verdachte] te bellen zodat [verdachte] mij naar het ziekenhuis kon brengen. [verdachte] is bij mij gekomen. Daarna heb ik gegeten en lag ik nog steeds op de bank en [verdachte] was met [naam 1] aan het spelen. U vraagt mij of ik kon zien dat [verdachte] met [naam 1] aan het spelen was. Ja, ik lag op de bank en was wakker.

De officier van justitie vraagt mij of er een telefoongesprek is geweest met de familie op het moment dat [verdachte] en [moeder] in huis waren. Ja, [verdachte] heeft vader en moeder gebeld uit Ghana. Ik heb ook met vader en moeder gesproken. [verdachte] heeft gezegd in dat gesprek dat hij bij mij was omdat ik ziek was. [verdachte] sprak met zijn moeder, dat is mijn zus.

[moeder] vertelde mij, toen ik op de bank lag en wakker werd, dat [verdachte] de stropdas van [naam 1] heeft weggetrokken. Ik zag dat [naam 1] achter [verdachte] liep. Dat was nadat [moeder] mij verteld had over de stropdas. [naam 1] liep achter [verdachte] aan. [verdachte] heeft [naam 1] opgetild en op zijn schouder gezet. Hij hield [naam 1] met twee handen vast. [naam 1] was met zijn gezicht naar [verdachte] toe gericht. [verdachte] heeft [naam 1] op zijn borst gezet, waarbij het hoofd van [naam 1] tegen zijn schouder rustte. [verdachte] hield [naam 1] met twee handen vast. Met één hand hield hij het hoofdje vast en de andere hand ondersteunde zijn billen. [verdachte] heeft [naam 1] in de woonkamer opgetild, hij stond tussen de eettafel en de bank. U vraagt mij of [naam 1] en [verdachte] voordat [naam 1] werd opgetild aan het spelen waren. Ze waren wel aan het spelen in de woonkamer. Toen [verdachte] [naam 1] heeft opgetild, zijn zij beiden naar de hoofdingang gegaan. Via daar kun je ook naar de keuken gaan. Ik dacht dat zij aan het spelen waren toen zij naar de voordeur liepen. Ineens hoorde ik de deur open gaan. Het heeft niet zo lang geduurd en toen is [verdachte] weer naar binnen gekomen. Hij kwam binnen zonder [naam 1]. Ik hoor [moeder] aan [verdachte] vragen: ‘waar is [naam 1]?’. [verdachte] zei: ‘ik heb hem daar neergelegd. De politie komt hem zo ophalen’. Ik zei tegen [verdachte]: ‘het is 23u ’s avonds. Waarom heb jij het kind buiten gezet?’. Ik vroeg [moeder] om het kind binnen te halen. Ik hoor [moeder] de naam van [naam 1] roepen, maar ik hoor niets terug. Ineens hoor ik [moeder] schreeuwen en huilen. Ik lag nog steeds op de bank. Ik ben naar buiten gegaan en vroeg [moeder] wat er aan de hand was. [moeder] zei ‘kijk, [naam 1] ([naam 1]) ligt op de grond’. [verdachte] kwam achter mij aan en zei: ‘ja, ik heb hem weggegooid’. Ik ben met de trap naar beneden gegaan vanaf de zesde verdieping. Ik zag [naam 1] op de grond liggen.

U vraagt mij of [verdachte] nog boven was en of ik hem nog gezien heb. Ja, toen ik vanuit de woonkamer weg liep was hij achter mij. Toen ik op de galerij was zei ik tegen hem ‘wat heb je gedaan?’. Hij zei ‘ik heb hem weggegooid’. Ik ben snel naar beneden gegaan, naar [naam 1]. Ik was alleen toen ik bij [naam 1] kwam. Toen kwam er een andere meneer naar mij toe. Met die man ben ik in de auto van een Surinaamse man gestapt om [naam 1] naar het ziekenhuis te brengen.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL135D 2013085827-35 van 11 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 7] en [opsporingsambtenaar 8], doorgenummerde pag. 221-224.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam 9], wonende [woonadres 1] te [woonplaats], zakelijk weergegeven:

Ik hoorde (de rechtbank begrijpt: op 9 april 2013) een schreeuw. Het was in het Twi. Ik hoorde Makuno, wat betekent: “I have killed him”. Ik was in de gang onderweg vanuit de woonkamer naar het toilet. Op dat moment wist ik niet of het een mannelijke of vrouwelijke stem was die Makuno zei. Ik ben naar buiten gegaan, de galerij op. Ik woon op de eerste verdieping. Toen ik buiten was, hoorde ik veel stemmen praten en schreeuwen. De stemmen kwamen van boven mij. De stemmen schreeuwden Wckuno, dat betekent: “He has killed him”. Ik kon weer niet zeggen of een man of een vrouw dit schreeuwde. Toen hoorde ik Matuonoakyene. Dat betekent: “I’ve thrown him away”. Ik moet even verbeteren dat ik dit al hoorde toen ik nog binnen was in mijn woning. Dus ik hoorde in mijn woning eerst “Matuonoakyene”, gevolgd door “Makuno”. Het was dezelfde stem, maar ik kon niet horen of het een man of een vrouw was. Ik ben toen naar buiten de galerij op gegaan. Ik hoorde toen buiten een andere stem gillen: “Wckuno”. Omdat ik iemand hoorde schreeuwen: “I’ve thrown him away”, keek ik over de galerij naar beneden. Ik zag een man die een kind oppakte van de grond en tegen zijn schouder drukte. Ik zag de man het kind oppakken en hij liep met het kind naar een auto.

8. Een proces-verbaal van bevindingen vertaling uitspraak getuige met nummer 2013085827 van 11 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 9], doorgenummerde pag. 226.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op 11 april 2013 werd een getuigenverklaring afgenomen van getuige [naam 9]. Dit verhoor heeft plaatsgevonden in de Engelse taal. In het verhoor vertaalt [naam 9] een aantal Ghanese begrippen. Door de Ghanese tolk met registratienummer 2053 zijn de begrippen als volgt vertaald:

Makuno - Ik heb hem gedood

Matuonoakyene - Ik heb hem weggegooid

Wckuno - Je hebt hem gedood.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2013085827 van 16 mei 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 10] en [opsporingsambtenaar 8], doorgenummerde pag. 479-483.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam 8], wonende te [woonplaats], zakelijk weergegeven:

Ik was thuis en keek naar buiten. Ik begreep dat er iets was gebeurd en er waren heel veel mensen. Het was rond elf uur en het was donker (de rechtbank begrijpt: op 9 april 2013). Ik zag heel veel mensen op de galerij. De man op de zesde verdieping, ik woon zelf op de zevende verdieping. Ik zag schuin vanaf mijn verdieping een man op de zesde verdieping met zijn armen omhoog staan. De man riep: “Mahkoenoe” wat zou betekenen: “Ik heb het gedaan”. Ik zag echt dat de man met zijn vuisten in de lucht stond. Ik heb het hem twee keer horen roepen. Hij bleef daarna staan en liet zijn handen niet zakken.

7 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onder 6.3. overwogene en de onder 6.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 9 april 2013 te Amsterdam opzettelijk [naam 1], geboren op [geboortedatum], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [naam 1] vanaf de galerij op de zesde verdieping van een flat over de reling gegooid of geduwd of laten vallen, ten gevolge waarvan [naam 1] op de grond terecht is gekomen en ten gevolge waarvan [naam 1] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf en maatregel

10.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft er op gewezen dat gedurende de laatste jaren voor doodslag gemiddeld een gevangenisstraf van acht jaren wordt opgelegd.

10.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [naam 1], een kind dat nog aan het begin van zijn leven stond, van dat leven beroofd. De wijze waarop dit is geschied heeft de samenleving ernstig geschokt. Het handelen van verdachte is onvoorstelbaar en daarnaast onverklaarbaar gebleken. Door zijn handelen heeft verdachte aan de ouders van [naam 1] onnoemelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Hun levens zijn, zoals ook is gebleken uit hun gezamenlijke slachtofferverklaring, voor altijd veranderd en geschaad. Verdachte heeft het vertrouwen dat in hem werd gesteld door zowel de ouders als [naam 1] zelf, als neef van [naam 1], ernstig geschonden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, zodat slechts een vrijheidsbenemende straf van lange duur een passende sanctie is. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de strafoplegging in vergelijkbare zaken en op de zogenaamde Amsterdamse oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voornoemde oriëntatiepunten geven als oriëntatiepunt voor doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 jaren. De rechtbank heeft dit oriëntatiepunt tot uitgangspunt genomen en is van oordeel dat – vanwege de voornoemde ernst van het feit – de bovengrens van het oriëntatiepunt (gevangenisstraf van 8 jaren) tot uitgangspunt moet worden genomen. De rechtbank laat strafverzwarend meewegen dat, zoals hiervoor is overwogen, de rechtsorde door het door verdachte begane feit ernstig is geschokt, dat verdachte een kind van diens jonge leven heeft beroofd en dat hij de nabestaanden aldus onherstelbaar leed heeft toegebracht. Dit leidt de rechtbank tot een verhoging van het voornoemde uitgangspunt met 2 jaren.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 augustus 2014 in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de pro justitia-rapportage betreffende verdachte van 8 november 2013. De deskundigen concluderen in dat rapport dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van alcohol. Aangezien de deskundigen echter geen verband hebben kunnen constateren tussen de vastgestelde stoornis en het ten laste gelegde, zien zij geen gronden om tot enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid te komen. Uit het rapport van de gedragsneuroloog van 4 oktober 2013 betreffende verdachte, kan niet worden afgeleid dat ten tijde van het ten laste gelegde het gedrag of de gedragskeuzen van verdachte beïnvloed zijn geweest door een hersenorganisch lijden. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over een maakt die tot de hare. De inhoud van de rapportages geeft de rechtbank dan ook geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Ook de omstandigheid dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld, geeft daartoe geen aanleiding. Gelet op het feit dat verdachte vreemdeling is zonder rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van de Vreemdelingenwet, komt hij overeenkomstig artikel 15 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht thans niet in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, zoals zijn raadsman heeft betoogd. Ook dit feit kan evenwel geen matigende werking op de straf hebben.

11 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

11.1.

[moeder]

[moeder] heeft een vordering benadeelde partij ingediend voor een bedrag van € 19.231,47. De advocaat van de benadeelde partij, mr. Muller, heeft deze vordering bij aanvullende brief gedateerd 31 augustus 2014 en haar mondelinge toelichting ter terechtzitting vermeerderd met de kosten voor het onderhoud van het graf van [naam 1] á € 87,00 per jaar voor 30 jaren. Dat betekent dat schadevergoeding is gevorderd tot een bedrag van € 21.841,47, waarvan

€ 10.000,00 voor immateriële schade en € 11.841,47 voor materiële schade.

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering benadeelde partij van [moeder] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 7.822,33 voor materiële schade en € 10.000,00 voor immateriële schade. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de gevorderde schadevergoeding voor de kosten van de begrafenis en het graf moeten worden afgewezen, nu deze zijn vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Wat de immateriële schade betreft, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Uitvaartkosten, kosten graf en grafsteen

Uit de door de advocaat van de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat de uitvaartkosten en de kosten voor het graf en de grafsteen zijn vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Niet kan derhalve worden gezegd dat deze kosten in juridische zin schade opleveren die geleden is door de benadeelde partij. De vordering tot schadevergoeding is voor de genoemde bedragen door subrogatie overgegaan op het Slachtofferfonds Geweldsmisdrijven. De vordering benadeelde partij wordt voor zover deze betrekking heeft op de voornoemde posten dan ook afgewezen.

Kosten onderhoud graf

In de aanvullende brief gedateerd 31 augustus 2014 zijn de kosten voor onderhoudsbijdrage voor het graf van [naam 1] toegevoegd. Het betreft de kosten voor het onderhoud van het graf over het jaar 2014. Uit de nota van begraafplaats [naam begraafplaats] van 15 mei 2013, behorende bij bijlage 4 van de vordering benadeelde partij, leidt de rechtbank af dat het graf van [naam 1] voor 10 jaren is gekocht. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting de kosten voor onderhoud van het graf voor 30 jaren gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de onderhoudskosten voor een periode van 10 jaar voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen. Wat betreft de onderhoudskosten voor de overige 20 jaren is de vordering onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Reiskosten, telefoonkosten en kosten oppas

De benadeelde partij heeft voorts vergoeding gevorderd van gemaakte reiskosten, telefoonkosten en de kosten van oppas voor haar kinderen gedurende de zittingsdagen. De wetgever heeft in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek een limitatieve opsomming gegeven van de vergoeding van schade die in geval van het overlijden van een persoon aan diens nabestaanden toekomt. Het betreft – kort gezegd – kosten van levensonderhoud en kosten van lijkbezorging. De door de benadeelde partij gevorderde reis- en telefoonkosten en de kosten voor oppas vallen niet onder één van de voornoemde categorieën. Hoewel het zeer goed te begrijpen is dat de benadeelde partij deze kosten naar aanleiding van het overlijden van [naam 1] heeft gemaakt, komen deze op basis van de wet niet voor vergoeding in aanmerking.

Shockschade

Ten slotte heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van geleden shockschade tot een bedrag van € 10.000,00. In de toelichting behorende bij de vordering van 31 augustus 2014, heeft de advocaat van de benadeelde partij aangegeven dat de benadeelde partij [naam 1] op de grond heeft zien liggen en heeft gezien hoe hij er aan toe was. Later heeft zij vernomen dat [naam 1] is overleden. De benadeelde partij heeft een trauma opgelopen door deze gebeurtenissen. Haar geestelijk letsel vloeit voort uit een hevige emotionele schok die teweeg is gebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad van verdachte. De benadeelde partij acht een vergoeding van € 10.000,00 op zijn plaats, nu zij [naam 1] heeft verloren, een langdurig trauma heeft opgelopen en haar hele leven zal moeten leven met het feit dat zij [naam 1] niet zal zien opgroeien, aldus de advocaat van de benadeelde partij.

De rechtbank stelt voorop dat het evident is dat de benadeelde partij een groot verlies heeft geleden door het overlijden van [naam 1]. Het is bij de behandeling van de vordering benadeelde partij echter van belang te bezien in hoeverre de wet ruimte biedt voor vergoeding van schade als gevolg van dat overlijden. De rechtbank overweegt, dat uit het stelsel van de wet volgt dat in beginsel geen vergoeding van immateriële schade mogelijk is voor affectieschade, te weten het verdriet om overlijden van anderen (Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002/240). Dat betekent dat het verlies van [naam 1] en het feit dat de benadeelde partij hem niet zal zien opgroeien – hoe vreselijk ook – in de ogen van de wetgever niet tot immateriële schadevergoeding kan leiden. Dat is anders voor zover kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij shockschade heeft geleden. Het moet dan gaan om schade die men lijdt door de schok ten gevolge van het waarnemen van of geconfronteerd worden met een ongeval of de gevolgen daarvan. Als die confrontatie of waarneming leidt tot geestelijk letsel, komt de daardoor ontstane schade voor vergoeding in aanmerking. Om van een aantasting in de persoon in de vorm van geestelijk letsel te kunnen spreken, moet sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit bijlage 9 die bij de aanvullende brief gedateerd 31 augustus 2014 is gevoegd, blijkt dat de benadeelde partij onder behandeling is bij een psycholoog voor een posttraumatische stress-stoornis. Als conclusie bij de beschrijvende diagnose, beschrijft de psycholoog dat bij benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stress-stoornis, chronisch, depressieve episode matig van ernst, rouwproblematiek, naar aanleiding van het verongelukken van haar zoontje. Voorts is bij de benadeelde partij eerder een posttraumatische stress-stoornis vastgesteld waarvan zij, blijkens voornoemde bijlage nog restklachten had. Uit de overgelegde stukken blijft weliswaar dat thans sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar niet dat dit ziektebeeld is veroorzaakt door de schok ten gevolge van de confrontatie met [naam 1] kort na het ten laste gelegde. Dat sprake is van shockschade is dus onvoldoende onderbouwd.

Hoewel niet valt te ontkennen dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de dood van haar zoon [naam 1] en zonder aan de ernst daarvan iets te willen afdoen, is de rechtbank van oordeel dat thans slechts blijkt van affectieschade. Voor vergoeding van affectieschade biedt de wet op dit moment geen ruimte. Het gaat de taak van de rechter te buiten af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel van schadevergoeding van onder meer artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering betreffende de immateriële schade kan de benadeelde partij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [moeder] voor het na te noemen deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 870,00 (achthonderdzeventig euro) voor materiële schade (kosten onderhoud graf). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Over een bedrag van € 87,00 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de factuurdatum 6 mei 2014. Voor het overige is de wettelijke rente niet toewijsbaar nu het toekomstige kosten betreft.

In het belang van [moeder] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De vordering voor zover deze kosten voor het onderhoud van het graf voor nog eens twintig jaren betreft is onvoldoende onderbouwd. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de uitvaartkosten en de kosten voor het graf en de grafsteen zijn vergoed door het Slachtofferfonds Geweldsmisdrijven, wordt de vordering van [moeder] wat die kosten betreft afgewezen. De vordering wordt ook wat betreft de reiskosten, telefoonkosten en de kosten van oppas afgewezen omdat de wet geen mogelijkheid biedt tot vergoeding van deze gevorderde schade.

11.2.

[vader]

[vader] heeft een vordering benadeelde partij ingediend voor een bedrag van

€ 10.567,07, waarvan € 567,07 voor materiële schade en € 10.000,00 voor immateriële schade. Bij brief van 1 september 2014 heeft de advocaat van de benadeelde partij, mr. Muller, de vordering onderbouwd.

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering moet worden toegewezen wat betreft de immateriële schade. De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade geen standpunt ingenomen en heeft zich wat de immateriële schade betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Reiskosten, parkeerkosten en telefoonkosten

De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van gemaakte reiskosten, parkeerkosten en telefoonkosten. De wetgever heeft in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek een limitatieve opsomming gegeven van de vergoeding van schade die in geval van het overlijden van een persoon aan diens nabestaanden toekomt. Het betreft – kort gezegd – kosten van levensonderhoud en kosten van lijkbezorging. De door de benadeelde partij gevorderde kosten vallen niet onder één van de voornoemde categorieën. Hoewel het zeer goed te begrijpen is dat de benadeelde partij deze kosten naar aanleiding van het overlijden van [naam 1] heeft gemaakt, komen deze op basis van de wet niet voor vergoeding in aanmerking.

Shockschade

Ten slotte heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van geleden shockschade tot een bedrag van € 10.000,00. In de toelichting behorende bij de vordering, heeft de advocaat van de benadeelde partij aangegeven dat de benadeelde partij [naam 1] op de grond heeft zien liggen en heeft gezien hoe hij er aan toe was. Hij is met hem naar het ziekenhuis gegaan en heeft van een afstand moeten toezien hoe [naam 1] overleed. De benadeelde partij heeft een trauma opgelopen door deze gebeurtenissen. Zijn geestelijk letsel vloeit voort uit een hevige emotionele schok die teweeg is gebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad van verdachte. De benadeelde partij acht een vergoeding van € 10.000,00 op zijn plaats, nu hij [naam 1] heeft verloren, een langdurig trauma heeft opgelopen en zijn hele leven zal moeten leven met het feit dat hij [naam 1] niet zal zien opgroeien, aldus de advocaat van de benadeelde partij.

De rechtbank stelt voorop dat het evident is dat de benadeelde partij een groot verlies heeft geleden door het overlijden van [naam 1]. Het is bij de behandeling van de vordering benadeelde partij echter van belang te bezien in hoeverre de wet ruimte biedt voor vergoeding van schade als gevolg van dat overlijden. De rechtbank overweegt, dat uit het stelsel van de wet volgt dat in beginsel geen vergoeding van immateriële schade mogelijk is voor affectieschade, te weten het verdriet om overlijden van anderen (Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002/240). Dat betekent dat het verlies van [naam 1] en het feit dat de benadeelde partij hem niet zal zien opgroeien – hoe vreselijk ook – in de ogen van de wetgever niet tot immateriële schadevergoeding kan leiden. Dat is anders voor zover kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij shockschade heeft geleden. Het moet dan gaan om schade die men lijdt door de schok ten gevolge van het waarnemen van of geconfronteerd worden met een ongeval of de gevolgen daarvan. Als die confrontatie of waarneming leidt tot geestelijk letsel, komt de daardoor ontstane schade voor vergoeding in aanmerking. Om van een aantasting in de persoon in de vorm van geestelijk letsel te kunnen spreken, moet sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit bijlage 7 die bij de vordering benadeelde partij is gevoegd, blijkt dat de benadeelde partij onder behandeling is bij een psycholoog voor een posttraumatische stress-stoornis. Als conclusie bij de beschrijvende diagnose, beschrijft de psycholoog dat bij benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stress-stoornis en een depressieve episode matig van ernst. De benadeelde partij is verwezen door de huisarts voor begeleiding bij vastgelopen rouw. Sinds het overlijden van [naam 1] heeft benadeelde partij veel last van nachtmerries en flashbacks van het ongeluk. Uit de overgelegde stukken blijft weliswaar dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar niet dat dit ziektebeeld is veroorzaakt door de schok ten gevolge van de confrontatie met [naam 1] kort na het ten laste gelegde. Dat sprake is van shockschade is dus onvoldoende onderbouwd.

Hoewel niet valt te ontkennen dat de benadeelde partij schade heeft geleden door de dood van zijn zoon [naam 1] en zonder aan de ernst daarvan iets te willen afdoen, is de rechtbank van oordeel dat thans slechts blijkt van affectieschade. Voor vergoeding van affectieschade biedt de wet op dit moment geen ruimte. Het gaat de taak van de rechter te buiten af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel van schadevergoeding van onder meer artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan de vordering betreffende de immateriële schade bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van [vader], voor zover die betrekking heeft op reis-, parkeer- en telefoonkosten wordt afgewezen omdat de wet geen mogelijkheid biedt tot vergoeding van deze door hem gevorderde schade.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [moeder], domicilie kiezend ten kantore van haar advocaat, mr. J.L. Muller, Hoogte Kadijk 51 1018 BE Amsterdam, toe tot € 870,00 (achthonderdzeventig euro) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 87,00 (zevenentachtig euro) vanaf 6 mei 2014 tot de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de advocaat van [moeder] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [moeder] voor de overige gevorderde kosten voor het onderhoud van het graf alsmede ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder] voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [moeder], aan de Staat € 870,00 (achthonderdzeventig euro) voor materiële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 87,00 (zevenentachtig euro) vanaf 6 mei 2014 tot de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 17 (zeventien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [vader] ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [vader] voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. van Eunen, voorzitter,

mrs. M.E.B. Nyman en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2014.