Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5938

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
C/13/567206 / KG ZA 14-771
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens (wbp). De registratie van de handelsnaam en het kvk-nummer van de vennootschap onder firma van eiser in een door gedaagde in het leven geroepen en op haar website aangehouden 'nationaal wanbetalersregister' wordt onrechtmatig jegens eiser bevonden, nu het register een 'zwarte lijst' betreft en mede gelet op de onder andere in artikel 7, 8 en 11 van de Wbp neergelegde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voorshands moet worden aangenomen dat een zwarte lijst in ieder geval beperkt moet blijven tot een nauw omschreven kring van gebruikers en niet op internet voor een ieder toegankelijk mag worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens, geldigheid: 2014-09-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/106 met annotatie van K. Konings
JBP 2015/32 met annotatie van K. Konings
NJF 2014/424
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1135

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/567206 / KG ZA 14-771 HJ/MRSB

Vonnis in kort geding van 12 september 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 2 juli 2014,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING NWR,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.F.J.M. Mulders te Echt.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Stichting worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 9 juli 2014, alwaar mr. Loonstein, voornoemd, is verschenen namens [eiser] en [persoon], als statutair bestuurder, namens de Stichting, heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Stichting heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. De voorzieningenrechter heeft de Stichting bij tussenvonnis van 21 juli 2014 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de opname van de naam en het kvk-nummer van de eenmanszaak van [eiser] ([naam]) in het door de Stichting aangehouden ‘nationaal wanbetalersregister’ (hierna het register) in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Bij brief van 4 augustus 2014, met producties, heeft mr. Mulders, voornoemd, zich voor de Stichting gesteld en namens de Stichting een akte uitlating overgelegd. [eiser] heeft bij brief van zijn raadsman van 14 augustus 2014, met één productie, verzocht de bij de akte gevoegde producties alsmede de in de akte opgenomen passages die niet zien op de beantwoording van de in het tussenvonnis gestelde vraag buiten beschouwing te laten en de reactietermijn te verlengen. De Stichting heeft bij brief van 19 augustus 2014 verzocht het verzoek van [eiser] af te wijzen en een vonnisdatum te bepalen. De voorzieningenrechter heeft [eiser] bij brief van 19 augustus 2014, met kopie aan de Stichting, bericht dat hij op de onderdelen die voor de beantwoording van de in het tussenvonnis gestelde vraag niet relevant zijn, niet behoeft in te gaan, dat de overgelegde producties bij de beoordeling zullen worden betrokken, voor zover zij antwoord geven op de in het tussenvonnis gestelde vragen, en dat de termijn om een reactie in te dienen wordt bepaald op 22 augustus 2014. [eiser] heeft bij antwoordakte van 21 augustus 2014 op de zijdens de Stichting overgelegde akte gereageerd. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[persoon] heeft bij akte van 24 maart 2014 de stichting NWR (de Stichting) opgericht. De afkorting NWR staat voor ‘nationaal wanbetalersregister’. [persoon] is aangesteld als statutair bestuurder van de Stichting. De Stichting stelt zich blijkens artikel 2 van de Statuten ten doel “het voorkomen en bestrijden van wanbetaling”, alsmede “het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn”. Ter verwezenlijking van deze doelstelling heeft de Stichting het register in het leven geroepen dat zij op de openbaar toegankelijke website nationaalwanbetalersregister.nl aanhoudt.

2.2.

In voorwaarden die de Stichting hanteert staat - voor zover voor deze procedure van belang - het volgende:

“VOORWAARDEN

  • -

    Als wanbetaler kunnen slechts bedrijven worden vermeld. In verband met de bescherming van persoonsgegevens is het vermelden van voor- en achternamen van personen niet toegestaan.

  • -

    Uw vordering is maximaal 3 jaar oud en dient onbetwist te zijn. Een vordering is onbetwist indien niet door uw debiteur is gereclameerd, dan wel indien uit de feiten en omstandigheden onomstotelijk de juistheid van de vordering kan worden vastgesteld. Een vonnis waarin uw debiteur tot betaling is veroordeeld geldt tevens als onbetwiste vordering.

  • -

    (…) Een vermelding kan in principe slechts op uw verzoek worden verwijderd. Indien uw debiteur het op enige wijze niet eens is met de plaatsing kan het Nationaal Wanbetalersregister uw debiteur naar u doorverwijzen voor verdere afhandeling.

WERKWIJZE

(…) Uw wanbetaler wordt door middel van een e-mail en/of sms en in mogelijke gevallen telefonisch op de hoogte wordt gebracht van de aanmelding op de website en verzocht binnen 48 uur alsnog aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Tevens wordt uw debiteur verzicht direct na betaling het betaalbewijs door te mailen aan het Nationaal Wanbetalersregister teneinde plaatsing te voorkomen. (…)

Mocht het Nationaal Wanbetalersregister een inhoudelijke reactie en/of bezwaar ontvangen van uw debiteur, dan zal deze naar u worden doorgestuurd. (…) Indien uit de reactie blijkt dat de vordering betwist wordt of er omstandigheden zijn die een plaatsing onredelijk zouden maken, behoudt het Nationaal Wanbetalersregister zich het recht voor de plaatsing geen doorgang te laten vinden.

(…)

Kosten

Het gebruik van het register is geheel gratis, een donatie wordt uiteraard altijd op prijs gesteld. (…)”

2.3.

[eiser] is eigenaar van de eenmanszaak [naam]. In die hoedanigheid is hij op vordering van de besloten vennootschap Card Services Zwolle B.V. (hierna Card Services) bij vonnis op tegenspraak van 11 september 2013 door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.583,17 te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede in de proceskosten van € 1.132,67. Het vonnis is bij exploot van 24 oktober 2013 aan [eiser] betekend.

2.4.

Bij e-mail van 14 februari 2014 heeft de Stichting [eiser] bericht dat hij terzake de onder 2.3. genoemde veroordeling is aangemeld bij het register en dat hij ter voorkoming van plaatsing 48 uur in de gelegenheid wordt gesteld om aan de vordering te voldoen.

2.5.

[eiser] heeft niet voldaan aan het verzoek van de Stichting. Op 18 februari 2014 is de volgende registratie in het register opgenomen:

“Gegevens wanbetaler

Naam bedrijf

[naam]

Naam: [naam] / [naam]

Vestigingsadres: [adres]

Vestigingsplaats: [postcode] [woonplaats]

KvK-nummer: [nummer]

Vestigingsnummer: [nummer]

Soort Inschrijving: Hoofdvestiging

www.[naam].nl

Openstaand bedrag € + 5000,-

Toelichting: Ik heb een vonnis op dit bedrijf waar geen gehoor aan wordt gegeven.”

De Stichting heeft [eiser] daarvan per e-mail van 18 februari 2014 op de hoogte gesteld.

2.6.

[eiser] heeft zich bij e-mail van zijn advocaat d.d. 6 maart 2014 tot de Stichting gewend en haar gesommeerd zijn registratie in het register ongedaan te maken, op de grond dat deze onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig is en bovendien in strijd is met de regelgeving met betrekking tot privacy van natuurlijke personen. Bovendien heeft [eiser] gesteld een tegenvordering op Card Services te hebben, waarvan geen melding is gemaakt.

2.7.

De Stichting heeft bij e-mail van 7 maart 2014 geweigerd aan de sommatie te voldoen.

2.8.

De Stichting heeft [eiser] bij e-mails van 25 mei 2014 en 12 juni 2014 aangemaand de vordering te voldoen. Bij e-mail van 12 juni 2014 heeft de Stichting bericht dat de registratie van [naam] in het register een top 10 positie in de zoekmachine Google heeft verworven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de Stichting wordt veroordeeld de vermelding van [eiser] onder zijn eigen naam en/of zijn handelsnaam [naam] in het register te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. De registratie van [naam] is onrechtmatig jegens [eiser]. De registratie is met onvoldoende waarborgen omkleed. De Stichting biedt geen redelijke mogelijkheid tot wederhoor. De enige mogelijkheid voor verwijdering uit het register betreft betaling. De Stichting houdt zich verder niet aan haar eigen voorwaarden voor registratie. Zo is de vordering onjuist vermeld, is niet vermeld dat [eiser] een tegenvordering op Card Services heeft en heeft registratie zonder nadere sommatie plaatsgevonden ondanks dat in de e-mail van 14 februari 2014 is gemeld dat registratie pas plaatsvindt als na meerdere sommaties niet wordt betaald. De registratie van de onderneming van [eiser] is voorts onrechtmatig omdat daarmee in strijd met de Wbp persoonsgegevens van [eiser], als bedoeld in artikel 1 sub a van de Wbp, worden verwerkt. Met de (handels)naam en het kvk-nummer van de onderneming van [eiser] kan immers de voor- en achternaam van [eiser] eenvoudig worden achterhaald. Het gegeven dat [naam] een schuld heeft aan een derde partij, op wie zij bovendien een tegenvordering heeft, rechtvaardigt niet dat de Stichting de persoonsgegevens van [eiser] in het register opneemt. Dat geldt te minder nu aan de zijde van [eiser] geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht.

[eiser] wordt door de registratie in een kwaad daglicht gesteld. Hij heeft mede door de registratie in het register, die bij invulling van de naam van zijn onderneming op google in de top-10 resultaten voorkomt, zijn bedrijfsactiviteiten moeten staken. [eiser] heeft derhalve een spoedeisend belang bij de gevorderde verwijdering. [eiser] kan zich ten slotte niet aan de indruk onttrekken dat het register in het leven is geroepen om deurwaarders een oneigenlijk instrument te geven om debiteuren onder druk te zetten aan de vordering te voldoen. Dat zou naast onrechtmatig handelen ook misbruik van recht opleveren. De vorderingen zijn op grond van het voorgaande toewijsbaar, aldus - steeds - [eiser].

3.3.

De Stichting voert verweer. Op dat verweer zal in het hiernavolgende - voor zover van belang - nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of de registratie van [naam] in het register onrechtmatig is jegens [eiser]. Indien dat het geval is, kan van [eiser] niet worden gevergd dat hij het resultaat van een bodemprocedure afwacht. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

4.2.

De Stichting heeft een belang bij het registreren van ondernemingen die een of meer vorderingen onbetaald hebben gelaten, nu zij zich het voorkomen en bestrijden van wanbetaling in haar statuten ten doel heeft gesteld. Zij handelt daarbij niet in strijd met een recht van [eiser], de wet of hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, voor zover zij de belangen van de betrokken onderneming voldoende in het oog houdt. Te beoordelen is dus of de procedure die de Stichting hanteert voldoet aan de redelijkerwijs te stellen eisen. Dit is niet het geval. Weliswaar beperkt de Stichting zich terecht tot onbetwiste vorderingen en rekent zij daartoe ook het geval dat tegen een debiteur een vonnis wordt gewezen, waaraan niet wordt voldaan. Uit de voorwaarden van de stichting blijkt dat de betrokken onderneming een termijn krijgt om aan de gestelde vordering te voldoen en dat indien de betrokken onderneming aantoont dat de vordering niet voldoet aan de definitie die de Stichting aan een ‘onbetwiste vordering’ geeft, de Stichting zich het recht voorbehoudt plaatsing van de onderneming te weigeren. De door de Stichting gehanteerde procedure schiet echter tekort nu zij debiteuren die de vordering betwisten verwijst naar de schuldeiser. Zij behoort een eigen onderzoek te verrichten naar de vraag of de vordering onbetwist is.

In dit geval leidt dat evenwel niet tot het oordeel dat de publicatie van de vordering op [eiser] achterwege had moeten blijven, omdat vast staat dat de schuldeiser een vonnis tegen [eiser] heeft verkregen en niet is betwist dat deze daaraan niet voldoet. Het verweer dat [eiser] een tegenvordering heeft zou, ook indien de Stichting van dat verweer kennis zou hebben genomen, niet zonder meer tot gevolg hebben dat de Stichting de vordering niet had mogen publiceren. Ook aan die tegenvordering zou dan immers de eis gesteld moeten worden dat deze onbetwist zou zijn dan wel dat deze zou blijken uit een vonnis. Dat dit het geval is met de vordering van [eiser] is niet gesteld of gebleken.

4.3.

Ten aanzien van het betoog van [eiser] dat publicatie van de vordering op het nationaal wanbetalersregister enkel dient als een oneigenlijk instrument om debiteuren onder druk te zetten om aan de vordering te voldoen wordt als volgt geoordeeld. De publicatie van de vordering op de website van de Stichting zal voor [eiser] negatieve gevolgen hebben. De crediteur die een vordering doet publiceren streeft daarbij op zichzelf een rechtmatig belang na. Het is echter wel de vraag of het inzetten van internet als middel om een debiteur tot betaling te bewegen niet kan worden gekwalificeerd als bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW). Wat dat laatste betreft is van algemene bekendheid dat ondernemers in grote mate van internet afhankelijk zijn en negatieve berichten op internet hen dus ernstig kunnen treffen.
Dat zou te meer het geval zijn als de Stichting niet alleen wanbetaling publiceert op haar website, maar ook activiteiten verricht die er op gericht zijn haar website in zoekopdrachten naar bedrijven die op haar website vermeld zijn zo hoog mogelijk te laten eindigen. Hoewel in de onder 2.8 genoemde e-mail aan [eiser] is medegedeeld dat de registratie van [naam] in de bovenste tien zoekresultaten van Google staat, is evenwel niet gesteld of gebleken dat de Stichting hierop invloed heeft gehad.
Of de activiteiten van de Stichting en/of de crediteur die de vordering op de website van de Stichting heeft geplaatst jegens [eiser] bedreiging of misbruik van omstandigheden opleveren behoeft nader onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is. Dit is in dit geding daarom voorshands onvoldoende aannemelijk geworden.
Dat betekent dat beslissend zal zijn of de verwerking van gegevens door de Stichting voldoet aan de eisen van de Wbp.

4.4.

In het tussenvonnis van 21 juli 2014 is geoordeeld dat de registratie voor wat betreft de naam en het kvk-nummer van [eiser] in dit geval als de verwerking van persoonsgegevens kan worden aangemerkt. Artikel 6 Wbp neemt tot uitgangspunt dat de verwerking van persoonsgegevens slechts is toegestaan indien dat in overeenstemming met de wet en op een behoorlijke en zorgvuldige wijze plaatsvindt. Op dat beginsel is in de Wbp een aantal uitzonderingen gemaakt. De Stichting is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de registratie van de naam en het kvk-nummer van de onderneming van [eiser] in overeenstemming is met de Wbp. De Stichting heeft zich er in dit verband ten eerste op beroepen dat de Wbp niet van toepassing is nu de Stichting de gegevens uitsluitend verwerkt voor journalistieke doeleinden (artikel 3, lid 1, Wbp). Ten tweede heeft de Stichting aangevoerd dat de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van degenen aan wie de gegevens worden verstrekt (artikel 8 sub f Wbp). Toewijzing van de vordering leidt volgens de Stichting tot een beperking van haar vrijheid van meningsuiting, hetgeen met name nu de Stichting met de registratie een maatschappelijk doel dient, te weten het waarschuwen van het publiek tegen wanbetaling door bedrijven, slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet aan de orde zijn, toelaatbaar is.

4.5.

[eiser] heeft betwist dat zijn persoonsgegevens enkel zijn verwerkt voor journalistieke doeleinden en voert aan dat ook indien dit het geval zou zijn, artikel 3 Wbp bepaalt dat artikel 8 Wbp onverkort van toepassing blijft. De registratie van de naam en het kvk-nummer van zijn onderneming in het register vormt volgens [eiser] een inbreuk op het in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) gewaarborgde grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 8 sub f Wbp sluit verwerking van persoonsgegevens uit, indien het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer prevaleert boven het door de Stichting gestelde belang bij behartiging van de gerechtvaardigde belangen van degenen aan wie de gegevens worden verstrekt. Dat is volgens [eiser] hier aan de orde, waarmee de registratie van de (handels)naam en het kvk-nummer van [naam] jegens hem als onrechtmatig dient te worden aangemerkt.

4.6.

De voorzieningenrechter zal eerst moeten beoordelen of het publiceren van de gegevens over bedrijven zoals de Stichting dat doet op haar website als “de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke (…) doeleinden” kan worden gezien. Daaronder is te verstaan activiteiten om het publiek te informeren over onderwerpen van maatschappelijk belang. Wanbetaling is op zichzelf een onderwerp van maatschappelijk belang. Het gaat bij de activiteiten van de Stichting echter niet om het in het algemeen informeren van het publiek over wanbetaling, maar uitsluitend om het waarschuwen tegen concrete wanbetalers. Ook is geen sprake van de normale journalistieke werkzaamheden, zoals het verzamelen en analyseren en verwerken van informatie, het combineren van informatie uit verschillende bronnen en het presenteren van het resultaat van eigen meningsvorming, dat alles in de vorm van een zelf samengestelde tekst, met het doel een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat. Hier wordt de aangeleverde informatie zonder verdere verwerking gepubliceerd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de journalistieke exceptie van artikel 3 Wbp niet van toepassing is. Hier is veeleer sprake van een ‘zwarte lijst’. Het doel van een zwarte lijst is bedrijven in staat te stellen te beoordelen of zij met een bepaalde persoon een overeenkomst willen aangaan. Dit is op zichzelf niet zonder meer ontoelaatbaar. Wel zal aan de meldingsplicht van artikel 27 e.v. Wbp moeten worden voldaan, terwijl het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) hier een voorafgaand onderzoek zal moeten doen op grond van artikel 31 lid 1 onder c Wbp, aangezien de Stichting “…voornemens is ten behoeve van derden (…) gegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag te verwerken, (…).
Uit de stellingen van de Stichting leidt de voorzieningenrechter af dat een dergelijke melding achterwege is gebleven, nu de Stichting zich (ten onrechte) op het standpunt stelt dat zij valt onder art. 3 Wbp. Het voorafgaand onderzoek heeft dan ook niet plaatsgevonden.

4.7

Hoewel een beoordeling van het Cbp dus vooralsnog (ten onrechte) niet heeft plaatsgevonden moet op grond van de beoordeling van het Cbp van andere zwarte lijsten en mede gelet op de onder andere in artikel 7, 8 en 11 van de Wbp neergelegde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voorshands worden aangenomen dat een zwarte lijst in ieder geval beperkt moet blijven tot een nauw omschreven kring van gebruikers en niet op internet voor een ieder toegankelijk mag worden gemaakt. Het vorenstaande leidt aldus tot de voorlopige conclusie dat de registratie van de (handels)naam en het kvk-nummer van [naam] in dit geval jegens [eiser] onrechtmatig is. Dat betekent dat de Stichting zal worden veroordeeld de (handels)naam en het kvk-nummer van de onderneming van [eiser] uit het register te verwijderen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd als na te melden.

4.9

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,79

- griffierecht 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.191,79

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de Stichting binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de registratie van de (handels)naam en het kvk-nummer van [naam] uit het door de Stichting in het leven geroepen en aangehouden ‘nationaal wanbetalersregister’ te verwijderen;

5.2.

veroordeelt de Stichting aan [eiser] een dwangsom te voldoen van € 250,- voor elke dag dat de Stichting niet aan de onder 5.1. gegeven veroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt;

5.3.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.191,79;

5.4.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.