Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5935

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
C-13-560836 - HA ZA 14-268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Over de vraag of verduistering van een auto valt onder het begrip “diefstal” in de zin van artikel 3:86 BW lid 3is de lagere rechtspraak verdeeld. De (strafkamer van de) Hoge Raad heeft echter beslist (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744 en ECLI:NL:HR:2001:AB1598) dat de bewoordingen van het artikel geen ruimte laten voor de opvatting dat de bescherming ook toekomt aan de eigenaar die het bezit van de zaak heeft verloren door oplichting, dus op een wijze die voor de toepassing van deze bepaling niet gelijk kan worden gesteld aan diefstal. De rechtbank is van oordeel dat verduistering voor toepassing van artikel 3:86 BW evenmin aan diefstal gelijkgesteld kan worden. Immers aan diefstal is eigen dat een onbevoegde zich meester heeft gemaakt van de zaak. Aan verduistering en oplichting is echter eigen dat degene die door de (voormalig) eigenaar ten onrechte werd vertrouwd, dat vertrouwen heeft beschaamd. Dat de voormalig eigenaar de oplichter / verduisteraar vertrouwde rechtvaardigt dat die voormalig eigenaar een minder vérgaande mate van bescherming verdient ten koste van derden te goeder trouw.

Eindvonnis: ECLI:NL:RBAMS:2015:3656.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/560836 / HA ZA 14-268

Vonnis van 17 september 2014

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie

advocaat mr. B. Parmentier,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

FCE BANK PLC,

kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.C. Meijroos.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en FCE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 februari 2014, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 14 mei 2014, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 augustus 2014, met de daarin genoemde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

FCE (handelend onder de [naam]) heeft een financieringsovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autoschadebedrijf Forepark B.V. (hierna: Forepark). Onderwerp van de financieringsovereenkomst was een [auto] met kenteken [kenteken] (hierna: de [auto]). Op grond van de financieringsovereenkomst werd FCE eigenaar van de [auto], en zou Forepark de [auto] houden als houder voor FCE.

2.2.

Indirect bestuurder van Forepark was tot 14 januari 2013 [naam 1] (hierna: [naam 1]). De directie van de onderneming is overgedragen aan [naam 2] (hierna: [naam 2]).

2.3.

Op 22 januari 2013 is het faillissement van Forepark uitgesproken. De curator trof de [auto] niet aan. Door FCE is – op een standaard-formulier – aangifte gedaan van diefstal dan wel verduistering.

2.4.

Op 4 maart 2013 stond op de website autoscout24.nl een advertentie voor de [auto]. In de advertentie stond een verkoopprijs genoemd van € 22.750,00 en het telefoonnummer van de aanbieder. De aanbieder werd (slechts) omschreven als Particulier, met een woonplaats in Delft.

2.5.

Op 8 maart 2013 is tussen de heer [naam 3] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] een overeenkomst gesloten. De overeenkomst houdt, voor zover hier van belang, in:

Gegevens verkoper :

Naam: [naam 3]

[…] woonplaats : [plaats]

[…]

Gegevens geleverd : personenauto gebruikt met uitvoerkenteken (duits)

[auto]

[-]

[-]

[datum]

Verkoopbedrag: zegge éénentwintigduizend euro (21000,00)

Koper is bekend met het schadeverleden en herinvoer is niet mogelijk i.v.m. BPM restitutie aan laatste eigenaar.

[…]

[Handgeschreven:] Per kas ontvangen

2.6.

De [auto] is thans in het bezit van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en staat geregistreerd als gestolen.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert in conventie – samengevat – na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: een verklaring voor recht dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de enig eigenaar van de [auto] is, een veroordeling van FCE om de [auto] van de rol te verwijderen (de rechtbank begrijpt: niet langer als gestolen te laten registreren) op straffe van een dwangsom, veroordeling van FCE tot vergoeden van de kosten van vervangend vervoer en de waardevermindering, met veroordeling van FCE in de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

FCE vordert in reconventie – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot teruggave van de [auto], op straffe van een dwangsom, veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot betaling van de waardevermindering van de [auto] ten bedrage van € 20.000,00, met veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

In conventie en in reconventie gaat het geschil over de vraag wie eigenaar is (geworden) van de [auto]. De rechtbank zal de conventie en de reconventie derhalve gezamenlijk behandelen.

4.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist niet dat FCE eigenaar was van de [auto]. Hij beroept zich op de bescherming van artikel 3:86 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat artikel bepaalt:

Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht […] van een roerende zaak, niet-registergoed […] geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

4.3.

Derhalve is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eigenaar geworden, ook als [naam 3] niet bevoegd was de [auto] te verkopen, indien de overdracht niet om niet was en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te goeder trouw was. FCE voert daartegen aan dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet te goeder trouw was, kort gezegd: omdat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de papieren niet voldoende heeft gecontroleerd en dat niet duidelijk is dat het bedrag van € 21.000,00 ook daadwerkelijk is betaald. Ook beroept FCE zich op lid 3 van artikel 3:86 BW. Daarin staat:

Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, […]

art. 3:86 lid 1 BW

4.4.

[naam 3] heeft verklaard dat hij de [auto] geleverd heeft gekregen van een nadien onvindbaar gebleken [naam 4]. Niet in geschil is dat als die verklaring juist is, die persoon niet bevoegd was om de [auto] aan [naam 3] te verkopen. Indien [naam 3] bij die koop echter te goeder trouw was, dan is [naam 3] eigenaar geworden en is er van onbevoegde levering aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geen sprake. Die stelling is echter niet uitdrukkelijk door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ingenomen, zodat de rechtbank – met partijen – ervan uit zal gaan dat [naam 3] niet beschikkingsbevoegd was om de [auto] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te leveren.

4.5.

FCE heeft ten aanzien van het ontbreken van goede trouw de stelplicht en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) de bewijslast. FCE stelt daartoe het volgende. De relatie tussen [naam 3] en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] roept vragen op. Ook is onduidelijk waarom [naam 3] zou verwijzen naar een advertentie van de vorige verkoper, op een moment dat [naam 3] zelf de [auto] al zou hebben gekocht. Ook heeft [naam 3], een maand voor de verkoop, de auto al aangemeld voor export, zoals blijkt uit het stempel met dagtekening 5 februari 2013. Op 5 maart 2013 treft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] [naam 3] – kennelijk in Duitsland – en koopt [naam 3] de [auto] in [plaats], waar de auto wordt gekeurd en op export gezet. Daarbij is gebruik gemaakt van een vals overschrijvingsbewijs. Op 8 maart 2013 koopt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de [auto] van [naam 3] – in Nederland – terwijl [naam 3] op 7 maart 2013 nog in Duitsland was om de formaliteiten voor het Duitse kenteken in orde te maken. Ook bevreemdt de transactie, gelet op de door [naam 3] genoemde koopprijs van € 20.000,00. Ook stond het kenteken van de [auto] tot en met 5 maart 2013 op naam van Autoschadebedrijf Forepark. Uit al deze omstandigheden volgt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet te goede trouw was.

4.6.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft over de gang van zaken ter comparitie het volgende verklaard:

Mijn vrouw en ik wonen in Duitsland, de onderneming staat in Nederland geregistreerd omdat ik met het Nederlandse belastingstelsel bekend ben. Ik zocht een fourwheeldrive auto voor mijn vrouw. Dat had ik verschillende kennissen verteld, waaronder [naam 5], van [B.V.] een grote winkel in nieuwe en tweedehands goederen op Bonaire. [naam 3] is zijn compagnon. Zij verkopen ook auto’s. Hun inkopen doen zij in Nederland. [naam 3] heeft de auto van [naam 4] gekocht, dat was voor de export, dus al exclusief BPM. Kouwen heeft [naam 3] verteld dat ik zo’n auto zocht, daarom nam [naam 3] contact met mij op. Ik heb gevraagd naar de prijs. Ik had nog meer vragen, en toen zei [naam 3] dat de advertentie nog op het internet stond, zodat ik de foto’s kon bekijken. Omdat autoscout een gratis site is, kost het niets om een advertentie te laten staan. Ik denk dat daarom de advertentie nog niet verwijderd was. Toen heb ik gebeld met het nummer dat daar stond. De persoon die opnam zei dat hij [naam 4] heette. De naam Forepark is in dat gesprek niet gevallen. [naam 4] zei wel dat de auto schade had gehad, maar dat dat professioneel hersteld was.

Op 7 maart is de auto naar Duitsland gebracht. Ik heb de auto toen bekeken en heb erin gereden. Ik heb ook de kopieën van de Nederlandse papieren gezien, geen originelen. Dat waren de papieren zoals overgelegd als bijlage 14 bij productie 5 aan de zijde van FCE. Daar staat in dat het kenteken op naam van Forepark BV staat. Dat is me toen niet opgevallen, ik wist dat [naam 3] de BPM niet ging terugvragen, dus ik verwachtte niet dat het kenteken op zijn naam zou staan. Bij de RDW heb ik gezien dat de auto niet als gestolen vermeld stond. Bij de RDW heb ik niet gekeken naar de tenaamstelling.

Ik heb de volgende dag in Nederland betaald, omdat ik pas wilde betalen als het Duitse kenteken erop zat. Ik kan de auto niet uitvoeren, omdat ik geen Nederlands ingezetene ben. Dat kon [naam 3] wel, via de garage.

4.7.

FCE heeft op haar beurt de juistheid van deze stellingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet – voldoende gemotiveerd – weersproken. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] consistent is en een verklaring biedt voor de omstandigheden die FCE als ongerijmdheden ziet. Onweersproken is ook gebleven dat op basis van de papieren die volgens FCE vals (moeten) zijn geweest, wel een Duits exportkenteken is verkregen. Over de gestempelde datum van 5 februari 2013 stelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat mogelijk sprake is van een stempel dat naar de onjuiste maand is gedraaid. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat mogelijk ook al op 5 februari 2013 is geprobeerd de auto te exporteren, niet zonder meer relevant is voor de vraag of [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te goeder trouw was op 5 en 8 maart 2013. Nu niet is gebleken dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] wist of behoorde te weten dat de papieren waarover [naam 3] beschikte vals waren, is die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet te goeder trouw was. De rechtbank is derhalve van oordeel dat FCE – gelet op de verklaring van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] – niet aan haar stelplicht heeft voldaan, met betrekking tot haar betoog dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet te goeder trouw was. Aan bewijslevering komt de rechtbank op dit punt niet toe.

4.8.

Het is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die de bewijslast draagt dat de [auto] niet “om niet” is verkregen. Hij wijst op de verklaring in de overeenkomst “voldaan per kas” die door zowel [eiser in conventie, verweerder in reconventie] als [naam 3] is ondertekend. Een koopprijs van € 21.000,00 rekening houdend met een teruggave BPM voor de (achterliggende) verkoper, acht de rechtbank niet zodanig laag dat er reeds daarom sprake zou zijn van verkrijging om niet. Door FCE is aangevoerd dat uit de administratie van de onderneming van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet blijkt dat de [auto] is verkocht, maar dat wordt verklaard door de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gestelde en niet weersproken omstandigheid dat hij reeds jaren niet meer in auto’s handelt en dat de [auto] voor zijn vrouw was bedoeld. Verder is niet – voldoende gemotiveerd – betwist dat er is betaald. Aan bewijslevering komt de rechtbank ook op dit punt niet toe.

4.9.

Daaruit volgt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] eigenaar is geworden van de [auto].

art. 3:86 lid 3 BW

4.10.

Artikel 3:86 BW lid 3 biedt de (voormalig) eigenaar, die het bezit door diefstal heeft verloren het recht de zaak op te eisen binnen drie jaar na de diefstal, ook als inmiddels een ander eigenaar is geworden van de zaak. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze bepaling zich ook uitstrekt tot (in casu) verduistering. FCE voert aan dat de ratio van de regel; het voorkomen van profiteren van heling, ertoe leidt dat het woord “diefstal” ruim moet worden uitgelegd. Over deze kwestie is de lagere rechtspraak verdeeld. De (strafkamer van de) Hoge Raad heeft echter beslist (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744 en ECLI:NL:HR:2001:AB1598) dat de bewoordingen van het artikel geen ruimte laten voor de opvatting dat deze bescherming ook toekomt aan de eigenaar die het bezit van de zaak heeft verloren door oplichting, dus op een wijze die voor de toepassing van deze bepaling niet gelijk kan worden gesteld aan diefstal. De rechtbank is van oordeel dat verduistering voor toepassing van artikel 3:86 BW evenmin aan diefstal gelijkgesteld kan worden. Immers aan diefstal is eigen dat een onbevoegde zich meester heeft gemaakt van de zaak. Aan verduistering en oplichting is echter eigen dat degene die door de (voormalig) eigenaar ten onrechte werd vertrouwd, dat vertrouwen heeft beschaamd. Dat de voormalig eigenaar de oplichter / verduisteraar vertrouwde rechtvaardigt dat die voormalig eigenaar een minder vérgaande mate van bescherming verdient ten koste van derden te goeder trouw.

4.11.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verduistering van een auto niet valt onder het begrip “diefstal” in artikel 3:86 BW lid 3. Zodoende kan FCE de [auto] slechts als haar eigendom opeisen als de auto gestolen (en niet: verduisterd) is. FCE stelt daartoe dat diefstal blijkt uit het feit dat de directeur van Forepark [naam 2], noch de voormalig indirect bestuurder [naam 1], hebben meegewerkt aan verkoop van de [auto] aan [naam 4]. Zij zij hebben de [auto] derhalve niet verduisterd, zodat diefstal als enig mogelijke alternatief resteert. Uit het feit dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] over een originele sleutel beschikt, volgt dat de [auto] waarschijnlijk is gestolen met de sleutel erin, aldus steeds FCE. Daarnaar is echter geen navraag gedaan door FCE of de curator van Forepark.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Dat Forepark het houderschap van de auto verloren heeft, staat vast. Het is aan FCE die op het rechtsgevolg van diefstal (haar recht tot het opeisen van de [auto]) beroept om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat er sprake is geweest van diefstal. Voor het door haar, zij het summier, geschetste scenario spreekt dat Forepark nog steeds beschikt over één originele sleutel en kentekenbewijs I-A en I-B. Daaruit volgt dat de betrokkene bij het houderschapsverlies hetzij niet over die reservesleutel en kentekenbewijzen kon beschikken of daarentegen heeft beseft te veel verdenking op zich te laden als hij ook die sleutel en kentekenbewijzen aan zijn wederpartij (hetzij de onbekend gebleven “[naam 4]”, hetzij [naam 3]) zou verschaffen. Ook verklaren [naam 1] en [naam 2] dat zij niet meegewerkt hebben aan de verkoop. Mocht die verklaring echter onjuist zijn, dan valt eenvoudig in te zien waarom zij desondanks zouden verklaren zoals zij hebben gedaan. Door op een en ander te wijzen heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voldoende gemotiveerd betwist dat er sprake moet zijn geweest van diefstal. FCE zal derhalve worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling.

4.13.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt FCE op te bewijzen dat zij het bezit van de [auto] door diefstal is verloren,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 oktober 2014 voor uitlating door FCE of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat FCE, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat FCE, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2014 tot en met februari 2015 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.F. Aalders in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Aalders en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.1

1 type: EJvVcoll:*