Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_6747
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij zijn besluit rekening heeft gehouden met het wettelijke onderscheid dat bestaat tussen het toepassen van bestuursdwang en het verhalen van de kosten hiervan. Verweerder had dienen te motiveren waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om het kostenverhaal geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/6747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. V. Platteeuw),

en

[woonplaats],

verweerder

(gemachtigde mr. R.J.M. Peeters).

Procesverloop

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Blijkens het proces-verbaal van 15 juni 2013 heeft verweerders Dienst Stadstoezicht op 15 juni 2013 08:59 uur het voertuig van eiser, voorzien van het[kenteken], weggesleept, omdat het in strijd met artikel 24, eerste lid, sub f, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) stond geparkeerd. De parkeerplaats maakte deel uit van een wegvak, aan het begin en aan het einde van welk wegvak een verkeersbord E7 (gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen), inclusief een onderbord met daarop de tekst ‘i.v.m. evenement op 15-06-2013 8.30 - 23.00h’ was geplaatst.


1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van bestuursdwang de auto van eiser weggesleept, omdat deze op een laad- en loshaven stond geparkeerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Bezwaarschriftencommissie Wegslepen van 8 oktober 2013, - samengevat weergegeven -overwogen dat het wegslepen van de auto noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van zogenaamde “aangewezen weggedeelten en wegen” ten behoeve van een evenement en het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Eiser heeft in beroep het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

3.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van het beroep het volgende juridisch kader tot uitgangspunt.

3.1

Op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

3.2

Op grond van artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

3.3

Op grond van artikel 173, tweede lid, aanhef en onder c, worden bij gemeentelijke verordening nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval de aanwijzing van de weggedeelten en wegen voor welke de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c geldt.

3.4

Op grond van artikel 2 van de Wegsleepverordening Amsterdam 2010, voor zover thans van belang, worden als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voor zover die behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen (het Besluit) bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

3.5

In artikel 2, aanhef en onder f, van het Besluit - voor zover van belang - is bepaald dat de soorten van weggedeelten en wegen als bedoeld in artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, wegen en weggedeelten zijn betreffende gelegenheden voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, aangeduid door bord E7 van bijlage I bij het RVV 1990.

3.6

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het RVV 1990 is bepaald dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

3.7

Artikel 35 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) luidt:

“De plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, kunnen geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.”.

De in artikel 34 van het BABW genoemde omstandigheden die plaatsing van verkeerstekens zonder verkeersbesluit mogelijk maken zijn:

a. de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;

b. een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van de wet genoemde belangen.


4.1 Eiser heeft zich in beroep primair op het standpunt gesteld dat er geen wettelijke grondslag was voor het bevoegd gezag om de locatie in een laad- en loshaven te veranderen, omdat verweerder daarvoor eerst een verkeersbesluit had moeten nemen, als bedoeld in artikel 12 van het BABW.


4.2 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto van eiser voorafgaand aan de verwijdering geparkeerd stond op een parkeerplaats die bestemd was voor het voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Daarmee handelde eiser in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het RVV 1990. Nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat verwijdering van eisers auto noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen, was verweerder op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 bevoegd om de auto van eiser weg te slepen. Daaraan doet niet af dat geen verkeersbesluit tot plaatsing van het bord en onderbord is genomen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (de rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van 10 juni 1986, NJ 1987, 42) dient de weggebruiker een verkeersteken dat als zodanig herkenbaar is, in het belang van de rechtszekerheid en verkeersveiligheid, op te volgen, ook al is dat verkeersteken niet geplaatst met inachtneming van de daaromtrent geldende wettelijke voorschriften. Onder verwijzing naar deze rechtspraak heeft ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aldus geoordeeld (zie de uitspraak van 13 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4218). Deze beroepsgrond faalt.

4.3

Eiser heeft zich in beroep subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan de kosten van bestuursdwang voor rekening zouden moeten blijven van verweerder. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat niet kenbaar was dat de parkeerplaats in kwestie tijdelijk is gewijzigd in een laad- en loshaven, omdat verweerder heeft nagelaten het parkeerverbod van te voren aan te kondigen. Als vergunninghouder was eiser gerechtigd om ter hoogte van het [straat] vrij te parkeren. Het was zorgvuldiger geweest om omwonenden, bijvoorbeeld door publicaties in een (buurt)krant, tijdig te informeren over een op handen zijnde verkeerswijziging in hun directe omgeving. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het verkeersbord welke melding maakt van de nieuwe situatie niet correct en slecht zichtbaar is neergezet. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat het verkeersbord ver van de parkeerplaats aan een boom was bevestigd.

4.4

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van
21 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2988) gaan uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal als regel samen, maar staat het het bestuursorgaan vrij bij wijze van uitzondering bestuursdwang aan te zeggen in die zin dat de kosten van het effectueren daarvan niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene komen. Het bestuursorgaan dient in dit kader alle betrokken belangen af te wegen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien kan worden geoordeeld dat de aangeschrevene geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie en indien bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. Daarnaast dient te worden afgewogen of in de hoogte van de kosten die gemoeid zijn met het voldoen aan de aanschrijving, aanleiding zou moeten worden gezien om daar geheel of gedeeltelijk van af te zien.

4.5

Verweerder heeft ten aanzien van eisers grond dat het bord ver van de parkeerplaats aan een boom was bevestigd, enkel overwogen dat dit niet af doet aan de omstandigheid dat de laad- en loshaven conform de wettelijke regelgeving werd aangegeven en bovendien duidelijk was. De rechtbank constateert met eiser dat[medewerker] die namens verweerder bij de hoorzitting van 19 september 2013 aanwezig was, tijdens de hoorzitting heeft toegegeven dat het bord dichter bij het trottoir had kunnen staan. Verweerder is in het bestreden besluit voorts niet gemotiveerd ingegaan op het betoog van eiser dat door verweerder niet vooraf is aangekondigd dat er een parkeerverbod zou gelden. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij zijn besluit rekening heeft gehouden met het wettelijke onderscheid dat bestaat tussen het toepassen van bestuursdwang en het verhalen van de kosten hiervan. Verweerder had dienen te motiveren waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven om het kostenverhaal geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

4.6

Het voorgaande brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de ter zitting gegeven motivering, te weten dat eiser bij het verlaten van zijn voertuig het verkeersbord had kunnen waarnemen, onvoldoende rekening houdt met de omstandigheid dat eiser als vergunninghouder is afgegaan op de reguliere situatie waarin geen parkeerverbod geldt en het verkeersbord slecht zichtbaar althans niet dicht bij het trottoir was geplaatst. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Hetgeen door eiser overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

5.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 487,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 september 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB