Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5735

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
13/684112-14 en 13/860153-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking luidt oplichting en/of flessentrekkerij en het gebruik maken van het valse/vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst.

Verdachte wordt vrijgesproken van oplichting, nu naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de onware (schriftelijke) mededelingen en geschriften in hun onderlinge samenhang, zodanig vertrouwenwekkend waren dat aangever, mede gelet op zijn jarenlange ervaring in zijn bedrijf in de vliegsector, geen aanleiding hadden moeten geven de onwaarheid te onderkennen en zich daardoor niet te laten bedriegen.

Verdachte wordt ook vrijgesproken van flessentrekkerij, nu naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er sprake is van een beroep dan wel een gewoonte, nu dit feit ziet op een kort tijdsbestek (in één en hetzelfde vliegtuig) en er derhalve niet kan worden gesproken van een gewoonte.

Verdachte wordt veroordeeld voor het gebruik maken van het valse/vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684112-14 en 13/860153-12 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 1 september 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2014. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. De raadsvrouw van verdachte, mr. K. Hansen Löve, heeft verklaard door verdachte (die zich in Curaçao bevindt) uitdrukkelijk te zijn gevolmachtigd om de verdediging in deze zaak te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.M. Kolman en van wat mr. K. Hansen Löve namens verdachte naar voren heeft gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door

mevrouw [Naam medew RvdKinderbescherming], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) en

mevrouw [Naam medew. Bureau Jeugdszorg AA], namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA)

naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2013 tot en met 28 juli 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 4] en/of Heli Jet heeft bewogen tot afgifte en/of verlening van een

of meer dienst(en) te weten vlucht(en) met (een) (privé-)vliegtuig(en), in elk geval van enig goed en/of dienst, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich als bookingsagent van/voor [naam 2] en/of als tussenperso(o)n(en) voor het

regelen van een of meer vlucht(en) met (een) (privé-)vliegtuig(en) voor [naam 2]

voorgedaan en/of

- het saldo en/of de verrichte betalingen van een of meer betaalbewijs/betaalbewijzen en/of

rekeningafschrift(en) (van rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van [naam 3]) vervalst

en/of gewijzigd en/of

- ( vervolgens) aan voornoemde [naam 4] een of meer e-mail(s) gezonden, met

hierin/hierbij een of meer vervalste betaalbewijs/betaalbewijzen en/of rekeningafschrift(en)

(afkomstig van bankrekening [rekeningnummer], ten name van [naam 3]) en/of

- een of meer offerte(s) voor een of meer (privé-)vlucht(en) valselijk ondertekend door middel

van een digitale handtekening van [naam 2] en/of

- voornoemde valselijk getekende offerte(s) aan voornoemde [naam 4] (terug)gezonden,

welke moest(en) doorgaan voor (een) geldige overeenkomst(en) tussen voornoemde [naam 4]

[naam 4] en verdachte en/of zijn mededader(s) en/of [naam 2],

waardoor [naam 4] en/of Heli Jet werd(en) bewogen tot bovenomschreven handeling(en) en/of afgifte en/of dienst(en) en/of gebruikmaking door verdachte en/of zijn mededader(s);

(Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juli 2013 tot en met 27 juli 2013 (gedurende een of meer vlucht(en) met (een) (privé-)vliegtuig(en) op een of meer plaats(en) gelegen tussen) (te) Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of (te) Antwerpen, in elk geval in België en/of (te) Ibiza, in elk geval in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen gekocht zonder deze te betalen, te weten: de (volledige of gedeeltelijke) inhoud van de mini-bar, welke op dat moment aanwezig was in het/de voornoemde (privé-)vliegtuig(en), voor een totaalbedrag van 9.100 euro;

(Artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2013 tot en met 28 juli 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) betaalbewijs/betaalbewijzen en/of rekeningafschrift(en) en/of offerte(s), - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- aan voornoemde [naam 4] een of meer e-mail(s) heeft/hebben gezonden, met

hierin/hierbij een of meer vervalst(e) betaalbewijs/betaalbewijzen en/of

rekeningafschrift(en) (afkomstig van bankrekening [rekeningnummer], ten name van

[naam 3]) en/of

- een of meer valselijk getekende offerte(s) voor een of meer (privé-)vlucht(en) aan

voornoemde [naam 4] heeft/hebben (terug)gezonden, welke moest(en) doorgaan voor

(een) geldige overeenkomst(en) tussen die [naam 4] en verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of [naam 2]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- het saldo en/of de verrichtte betalingen van voornoemd(e) betaalbewijs/betaalbewijzen en/of

rekeningafschrift(en) (van rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van [naam 3]) was

en/of waren vervalst en/of gewijzigd en/of verhoogd en/of

- voornoemde offerte(s) valselijk was/waren ondertekend door middel van een digitale

handtekening van [naam 2].

(Artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, te weten oplichting en flessentrekkerij, en het onder 2 ten laste gelegde, te weten het gebruik maken van valse/vervalste geschriften als ware deze echt en onvervalst, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, gelet op de verklaring van aangever bij de politie en de rechter-commissaris en de bijlagen bij zijn aangifte als ook de verklaring van verdachte, eveneens bij de politie en de RC. Tevens heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. De officier van justitie is van oordeel dat de aangever – naar de normen die gelden in zijn branche - heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht door steeds navraag te doen naar de betalingen. Door meermalen de minibar in het vliegtuig weg te nemen (op de heenweg naar Ibiza, op de terugweg en op weg naar Antwerpen) kan een “gewoonte” bewezen worden en is dus tevens sprake van flessentrekkerij.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten zowel bij gebrek aan wettig bewijs als bij gebrek aan overtuiging. Zij heeft daartoe - hier kort zakelijk en in haar pleitaantekeningen uitgebreid weergegeven - het volgende aangevoerd.

De raadsvrouw heeft eerst het onder 2 ten laste gelegde besproken, nu dit relevant is voor de vraag of er sprake is van een oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals onder 1 ten laste gelegd. De raadsvrouw heeft gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de drie screenshots van rekeningafschriften op de pagina’s 7, 9 en 17 van het dossier valst zijn en/of vervalst zijn door verdachte. Voorts is het contract op pagina 16 van het dossier mogelijk niet vervalst, nu dit op naam van verdachte staat en voorzien is van zijn digitale handtekening.

Het contract op pagina 8 van het dossier heeft betrekking op een vlucht die nooit heeft plaatsgevonden en verdachte heeft zich niet voorgedaan als [naam 2], maar heeft dit contract zo aangeleverd gekregen van deze DJ, althans van een ander. Nu niet bewezen kan worden dat er sprake is van valse of vervalste stukken, heeft de raadsvrouw integrale vrijspraak van feit 2 verzocht.

Ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat aangever zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt en dat daarom de omstandigheden van dit geval ertoe leiden dat er in dit geval geen sprake is van oplichting. Aangever had als professionele en ervaren partij de onwaarheden in de mededelingen van verdachte en/of zijn mede-verdachten moeten herkennen en had dus de privéjet op 26 juli 2013 nooit mogen laten vertrekken. Daarbij speelt dat op het moment van vertrek de betaling nog niet binnen was, verdachte zich nimmer hoefde te legitimeren terwijl dit in de branche wel gebruikelijk is en aangever op 26 juli 2013 al meerdere signalen had gehad waaruit hij had kunnen en moeten opmaken dat hij met een minderjarige (en dus handelingsonbekwame) wederpartij te doen had. Daarnaast voert zij aan dat er vrijspraak moet volgen nu er géén sprake is van valse of vervalste stukken of andere “listige kunstgrepen”, als telastegelegd. Het enige dat aan verdachte verweten kan worden is dat hij zich heeft voorgedaan als een betalende klant terwijl hij dat niet was. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een enkele leugen niet voldoende is om van oplichting te kunnen spreken.

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen bewijs is dat er sprake is van een gewoonte of beroep, en dat er derhalve geen sprake is geweest van flessentrekkerij. Tot slot heeft zij betwist dat van medeplegen sprake is geweest.

De raadsvrouw heeft, concluderend, integrale vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde verzocht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van het onder 1 eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde.

De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Op 20 september 2013 heeft [naam 4], eigenaar van eenmanszaak Heli-Jet te Amsterdam, aangifte gedaan tegen verdachte wegens oplichting en flessentrekkerij. De beschuldiging houdt in dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide afnemer van meerdere vluchten met een privéjet door aangever onder meer door middel van valse dan wel vervalste betaalbewijzen en rekeningafschriften en offertes te doen geloven dat hij voor deze vluchten zou betalen.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van aangever en verdachte in het dossier af dat verdachte vanaf 19 juli 2013 meermalen telefonisch dan wel via de e-mail contact heeft gehad met aangever over vluchten met een privé-jet of een helikopter naar bestemmingen in Europa. Verdachte heeft vluchten met een privé-jet van Amsterdam naar Ibiza en retour, een vlucht met een helikopter van Hilversum naar Amsterdam en een vlucht met een privé-jet van Amsterdam naar Antwerpen en retour geboekt. Van de geboekte vluchten zijn alleen één retourvlucht Amsterdam-Ibiza per privéjet en één retourvlucht per helicopter Amsterdam-Antwerpen daadwerkelijk uitgevoerd en door verdachte – met enkele van zijn vrienden - genoten, beiden rond 26 juli 2013.

Eén retourvlucht Amsterdam-Ibiza heeft aangever tijdig geannuleerd wegens uitblijvende betalingen van verdachte. Aangever heeft forse schade geleden doordat hij kosten voor deze vluchten heeft gemaakt en verdachte niet heeft betaald. Met betrekking tot de eerst geboekte retourvlucht Amsterdam-Ibiza, die niet doorging omdat het vliegtuig niet kon vertrekken, heeft aangever geen schade geleden. Verdachte heeft aangever door middel van zijn telefoontjes, e-mails en gemailde rekeningafschriften en ondertekende bevestigingen laten geloven dat hij zou betalen voor de geboekte vluchten.

Bij de beoordeling of er sprake is van een samenweefsel van verdichtsels waardoor aangever is bewogen tot de verlening van diensten dient de rechtbank rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1366) overwogen dat tot die omstandigheden behoren: de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen én de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de onware (schriftelijke) mededelingen en geschriften in hun onderlinge samenhang, zodanig vertrouwenwekkend waren dat aangever, mede gelet op zijn jarenlange ervaring in zijn bedrijf in devliegsector, geen aanleiding hadden moeten geven de onwaarheid te onderkennen en zich daardoor niet te laten bedriegen. Anders gezegd: het door verdachte opgediste onware verhaal was (gelet op de persoon van aangever én de overige omstandigheden) niet geschikt om [naam 4] tot het verlenen van de diensten (de vluchten per privéjet en helicopter) te bewegen. Verdachte zal hiervan dan ook vrijgesproken worden. Hiertoe is het volgende van belang.

Aangever heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn bedrijf heeft sinds juli 2008. Aangever kan dus worden gezien als ervaren in de privé-jet vliegsector. Toen verdachte op

19 juli 2013 telefonisch contact met hem opnam, was verdachte een volkomen onbekende voor aangever. Na ontvangst van een betalingsbevestiging (pagina 7 van het dossier) is aangever direct de retourvlucht Amsterdam-Ibiza voor nog diezelfde avond gaan regelen. Kosten voor de vluchten zouden zijn: € 14.800,-. De kopie van het bankafschrift dat verdachte als bewijs van ‘’betaling’’ aan aangever toegestuurd heeft had vragen moeten oproepen: het betreft immers een rekeningafschrift van een “internetkwartaal spaarrekening” op naam van [naam 3] met een saldo van € 105.288 en een paar centen. Aangever heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende acht geslagen op het rekeningafschrift. Het feit dat het gaat om een afschrift van een spaarrekening (dus geen betaalrekening) en dat het op naam staat van een andere persoon dan [verdachte] hadden bij aangever al vragen moeten doen oproepen.

Op 22 juli 2013 bleek aangever dat hij het geld voor voornoemde vlucht van verdachte niet had ontvangen. Desondanks heeft aangever diezelfde dag wederom op verzoek van verdachte twee vluchten voor 2 en 3 augustus 2013 vastgelegd. Voor deze boeking heeft aangever, zo blijkt uit de aangifte geen betalingsbewijs ontvangen.

Op 25 juli 2013 wordt aangever weer door verdachte gebeld met de mededeling dat hij op

26 juli 2013 naar Ibiza wil. Dit zou € 17.500,- gaan kosten. Wederom heeft verdachte aangever een kopie van een bankafschrift gestuurd (pagina 9 van het dossier) gestuurd als bewijs van betaling door verdachte van € 9000,- . De overige € 8.600,- zou verdachte via zijn betaalrekening hebben overgemaakt, zo mailde verdachte aan aangever. Ook in dit geval heeft aangever naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende goed gekeken naar het rekeningafschrift. Uit dit rekeningafschrift blijkt namelijk dat het wederom een afschrift van de “internetspaarrekening” betreft op naam van [naam 3]. Ook valt uit het afschrift op te maken dat het saldo, ondanks de afboeking van € 9000,-, op 600,- na gelijk is aan het saldo van het vorige afschrift (te weten: EUR 105.888 en een paar centen). Dit had bij aangever vragen moeten doen oproepen.

Daarnaast had het aangever moeten bevreemden dat hij wel van een internetspaarrekening, maar niet van de betaalrekening van verdachte een afschrift had gekregen.

Verdachte heeft zich nimmer hoeven te legitimeren. Nog los van het feit of legitimatie bij vluchten per privé-jet in Europa noodzakelijk is, had het op de weg van aangever gelegen om de identiteitsgegevens te vragen van degenen die hij per vliegtuig liet vervoeren.

Van aangever had voorts verwacht mogen worden dat hij, gezien zijn ervaringen met de eerste vlucht die verdachte boekte, de volgende vluchten die verdachte boekte met meer zekerheden zou omkleden. Daarnaast had aangever, als hij het identiteitsbewijs van verdachte had gezien, kunnen constateren dat verdachte nog minderjarig was en onbevoegd tot het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige.

Gelet op voorgaande en alles tezamen bezien is de rechtbank – anders dan de officier van justitie, maar met de raadsvrouw - van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting.

4.3.2

Ten aanzien van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

Anders dan de officier van justitie, maar met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De ten laste gelegde flessentrekkerij heeft betrekking op de retourvlucht van Amsterdam - Ibiza en de retourvlucht Amsterdam – Antwerpen in de periode van 26 juli 2013 tot en met 27 juli 2013. Verdachte heeft zich toen tegoed gedaan aan de drankvoorraad in het vliegtuig. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er sprake is van een beroep dan wel een gewoonte, nu dit feit ziet op een kort tijdsbestek (in één en hetzelfde vliegtuig). Er kan dan ook niet van een gewoonte gesproken worden. De rechtbank acht het feit derhalve niet bewezen en zal verdachte van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijspreken.

4.3.3

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit1.

- Op 20 september 2013 heeft aangever aangifte gedaan van flessentrekkerij en oplichting en het volgende verklaard:

‘Op 19 juli 2013 werd ik gebeld door een man die zich voorstelde als [verdachte]. Ik hoorde dat [verdachte] diezelfde avond nog met een privé jet naar Ibiza wilde. [verdachte] vertelde dat hij een bookingsagent was voor [naam 2] die op Ibiza moest draaien voor een club en dat hij zijn gewone lijnvlucht had gemist. Omdat dit voor ons geen gekke vraag is, heb ik na ontvangst van een betaalbewijs (zie bijlage A) alles in gang gezet.

Op 25 juli 2013 werd ik weer gebeld door [verdachte]. Ik hoorde dat [verdachte] op vrijdag 26 juli 2013 naar Ibiza wilde. Ik ontving hiervoor een betaalbewijs van 9.000,00 euro (zie bijlage C). Ik zag dat er maar 9.000,- euro op het betaalbewijs stond. Ik kreeg hierover een e-mail van

[verdachte] met de uitleg dat hij 9.000,- euro van zijn spaarrekening en 8.600,- euro van zijn betaalrekening had overgemaakt.2

- Op 19 juli 2013 heeft verdachte een e-mail bericht gestuurd aan Heli-Jet (de rechtbank begrijpt: [naam 4]) met de volgende inhoud.

‘Goedenavond Jelle,

Hartelijk bedankt voor alle werk en tijd die je in ons hebt gestopt. Het leek ons dus ook zeer schappelijk om het bedrag van 14900 af te ronden naar 15000,-

In de bijlage (de rechtbank begrijpt bijlage A) vind je de betalingsbevestiging.’3

- Op bijlage A, behorend bij voornoemde aangifte, is o.m. het volgende vermeld:

Bij en afschrijvingen

Rekeningnummer Soort Tenaamstelling Saldo

[rekeningnummer] Internetkwartaal spaarrek [naam 3] 105.288,24

- Op 26 juli 2013 heeft verdachte een e-mailbericht gestuurd aan Heli Jet (de rechtbank begrijpt: [naam 4]) met de volgende inhoud.

‘Ik heb vanuit mijn spaarrekening 9000 overgemaakt en mijn normale betaalrekening 8600.’5

- Op bijlage C, behorend bij voornoemde aangifte, is o.m het volgende vermeld:

Bij en afschrijvingen

Rekeningnummer Soort Tenaamstelling Saldo

[rekeningnummer] Internetkwartaal spaarrek [naam 3] 105.888,256

- Op 12 februari 2014 is verdachte door de politie gehoord. Verdachte heeft het volgende verklaard.

‘U zegt mij dat de aangever een betalingsbewijs van rekeningnummer

[rekeningnummer] van [naam 3] kreeg. U vraagt mij wie dat is. Dat is een oude bankrekening van mij, ik heette eerst [naam 3] en later [achternaam verdachte] naar mijn vaders naam. Mijn moeder heet [naam 3] van haar achternaam. Dit is een oude jeugdrekening die allang is opgezegd. [naam 5] en [naam 6] vroegen bankgegevens aan mij en toen heb ik de oude rekening gegeven. Later bleek dat [naam 5] mijn bovengenoemde rekening had vervalst. Ik heb dit rekeningafschrift waarop een vals saldo van 105.888,20 euro te zien is en de zogenaamde betaling aan Heli Jet voor de vlucht met de privéjet naar Ibiza.’

De rechtbank is - met de officier van justitie, maar anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen in voldoende mate is komen vast te staan dat het saldo en de betalingen op de betaalbewijzen of rekeningafschriften vervalst is en dat verdachte van deze betaalbewijzen of rekeningafschriften opzettelijk gebruik heeft gemaakt als waren zij echt en onvervalst door ze aan de aangever te sturen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat niet is vast te stellen dat de rekeningafschriften vervalst zijn. Aan de tenaamstelling, de reeks betalingen en het, ondanks het doen van betalingen, (nagenoeg gelijkblijvende) saldo op de rekeningafschriften is te zien dat er sprake is van valse dan wel vervalste rekeningafschriften. De rechtbank verwijst hierbij naar de rekeningafschriften op de pagina’s 7 en 9 en, hoewel niet van toepassing op de onderhavige zaak, maar wel bijdragend aan de overtuiging van de rechtbank, het rekeningafschrift op pagina 17 van het dossier.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 19 juli 2013 tot en met 28 juli 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste betaalbewijzen of rekeningafschriften, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte

- aan [naam 4] e-mails heeft gezonden, met hierbij vervalste betaalbewijzen

of rekeningafschriften afkomstig van bankrekening [rekeningnummer], ten name van

[naam 3]

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- het saldo en/of de verrichtte betalingen van voornoemde betaalbewijzen of

rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van [naam 3] waren

vervalst of gewijzigd of verhoogd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte een bijzondere voorwaarde, te weten toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering althans de volwassenenreclassering, wordt opgelegd, ook als dat inhoudt het meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt toegewezen voor wat betreft de posten 2, 3 en 4 en dat de benadeelde partij in zijn vordering van de posten 1 en 5 niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu hij ten aanzien van post 1 geen schade heeft geleden en ten aanzien van post 5 geen bewijs kan overleggen van het verkoopverlies op zijn auto. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de betaling van de wettelijke rente over het te vergoeden bedrag en de betaling van de executiekosten worden opgelegd.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven en dat de gevangenhouding van verdachte wordt bevolen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straf geheel zal worden ten uitvoer gelegd.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het er op lijkt dat de officier van justitie haar eis heeft aangepast aan de hoogte van de schade die aangever geleden heeft en die zij blijkbaar geheel aan verdachte toerekent. De eis van de officier van justitie is niet conform de richtlijnen van het LOVS en is te hoog. De raadsvrouw acht een werkstraf en eventueel een voorwaardelijke vrijheidsstraf meer passend.

Gelet op de verzochte vrijspraak heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde beslist, dan dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens een onevenredige belasting van de strafrechter. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering vermeld onder de posten 1, 4 en 5 op het voegingsformulier benadeelde partij.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

8.3.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en welke regelmatig worden geactualiseerd (laatstelijk juli 2013). Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders.

In de onderhavige zaak geldt het volgende oriëntatiepunt:

Valsheid in geschrift: een werkstraf voor de duur van 28 uren dan wel een geldboete ter hoogte van € 140,-.

Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juli 2014 blijkt dat verdachte twee maal eerder door de kinderrechter wegens een strafbaar feit is veroordeeld, maar niet eerder voor een soortgelijk feit als het onderhavige.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft twee maal een vals/vervalst betaalbewijs/rekeningafschrift per email aan slachtoffer [naam 4] verzonden, wetende dat ze vals/vervalst waren, met de bedoeling om aangever te doen geloven dat hij al betaald had voor de vluchten naar Ibiza, terwijl dat niet het geval was. Dit is een ernstig feit dat de rechtbank verdachte aanrekent. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat door het maatschappelijk verkeer in de juistheid van geschriften als de onderhavige moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 8 juni 2014 opgemaakt door gz-psycholoog drs. E.R. Haps. In dit rapport vermeldt de deskundige dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ernstig bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met anti-sociale trekken. Hoewel hiervan sprake is kan niet worden verklaard dat aspecten van deze bedreigde ontwikkeling een doorwerking hebben gehad in het ten laste gelegde. De deskundige adviseert verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De kans op recidive is aanwezig zolang de behoefte aan geld en dure spullen bij verdachte blijft bestaan. De deskundige adviseert geen interventie, omdat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is, afspraken niet nakomt, zich met betrekking daartoe ongrijpbaar opstelt en geen lijdensdruk ervaart.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het rapport van de Raad opgemaakt op

15 augustus 2014. De Raad vermeldt in zijn rapport dat er veel zorgen zijn over het psychosociaal functioneren van verdachte en dat er op dit moment onvoldoende zicht is op zijn dagbesteding, vrienden en vrije tijd. De Raad adviseert – anders dan de psycholoog – wel een (gedrags)interventie. In het PJ rapport wordt vermeld dat verdachte niet te begeleiden is en dat er daardoor veel zorgen over hem zijn. De Raad denkt dat verdachte wel te begeleiden is. De Raad adviseert verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en tevens begeleiding van de volwassenenreclassering, omdat dat beter aansluit bij verdachte en vanwege het a-typische delict. De Raad wil verdachte diagnosticeren om te kunnen bekijken welke behandeling hij nodig heeft gezien het recidivegevaar. De Raad verzoekt bij een strafoplegging in het vonnis op te nemen dat de begeleiding door de jeugdreclassering dan wel de volwassenenreclassering plaats zal vinden.

Ter zitting heeft het BJAA verklaard dat het alleen maar slechter gaat met verdachte. Tot december 2013 ging verdachte nog gedeeltelijk naar school, maar het contact met hem is steeds minder geworden en sinds juni 2014 weet ook zijn moeder niet meer waar hij is. De Maatregel Hulp en Steun die bij een eerder vonnis van de kinderrechter is opgelegd, is terug gemeld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het bewezen verklaarde feit, de ernst daarvan, de justitiële documentatie, de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt en het feit dat verdachte de uitvoering van een eerder bij vonnis opgelegde taakstraf aan zijn laars lapt en dat een hem bij vonnis opgelegde Maatregel Hulp en Steun is terug gemeld. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding nogmaals een taakstraf op te leggen. De rechtbank zal, in overeenstemming met het advies van de Raad, verdachte een jeugddetentie - waarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm - van na te noemen duur opleggen. De rechtbank acht deze straf passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bijzondere voorwaarde in de zin van een Maatregel Hulp en Steun op te leggen, nu daar gelet op de persoon van verdachte geen meerwaarde van is te verwachten.

De officier van justitie heeft opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis en een bevel tot gevangenhouding van verdachte gevorderd. De rechtbank zal hiertoe niet overgaan omdat zij in deze zaak herleving van de voorlopige hechtenis bij afweging van de belangen niet noodzakelijk acht.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[naam 4] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering alleen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 18 februari 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/860153-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 20 juli 2012 van de kinderrechter in het arrondissement Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 18 februari 2014 per post aan verdachte is toegestuurd.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77g, 77i, 77x (oud), 77y, 77z (oud), 77dd en 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk gebruik make van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 20 (twintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 10 (tien) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart [naam 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 20 juli 2012 namelijk een werkstraf voor de duur van 50 uren met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. M.I. Heyning en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2014.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte (doorgenummerde bladzijden 1 tot met 6 met bijlagen)

3 Een geschrift, te weten een afschrift van een e-mail bericht van verdachte aan Heli Jet (doorgenummerde bladzijde 36)

4 Een geschrift, te weten een kopie van een rekeningafschrift (Bijlage A bij het proces-verbaal van aangifte, bladzijde 7)

5 Een geschrift, te weten een afschrift van een e-mail bericht van verdachte aan Heli Jet (doorgenummerde bladzijde 37)

6 Een geschrift, te weten een kopie van een rekeningafschrift (Bijlage C bij het proces-verbaal van aangifte, bladzijde 9)