Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5692

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
143.2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de rechtbank Amsterdam is betrokken bij het convenant “De Treiteraanpak: intimidatie in de woonomgeving”. Verzoekers leiden dit af uit een door eiseres in kortgeding overgelegde productie, een interne brief van de voorzitter van het gerechtsbestuur van de rechtbank gericht aan een rechter van het team Familie & Jeugd. Verzoekers leiden dit verder af uit een conceptagenda voor een bijeenkomst van de gecombineerde stuurgroep OMPG/ Treiteraanpak. Uit die agenda blijkt dat dat daar iemand namens de rechtbank aanwezig was. Wie daar namens de rechtbank aanwezig is geweest, kan niet worden vastgesteld. Volgens verzoekers valt niet uit te sluiten dat de voorzieningenrechter daar aanwezig is geweest dan wel een andere functionaris van de rechtbank. Hierdoor is bij verzoekers de vrees gewekt dat de rechter niet onpartijdig is. Die vrees is versterkt door de brief. De brief is niet aan eiseres in de hoofdprocedure gericht, terwijl die wel door haar is overgelegd. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat er korte lijnen bestaan tussen de rechtbank Amsterdam en eiseres. Verzoekers beschikten voor aanvang van de mondelinge behandeling niet over deze brief.

Uit hetgeen door verzoekers is aangevoerd valt geen objectief gerechtvaardigde schijn af te leiden dat de rechter jegens hen partijdig is. Uit de brief van de president valt geen betrokkenheid van de rechter bij de Treiteraanpak af te leiden. De rechter heeft elke betrokkenheid bij de Treiteraanpak ontkend en moet op haar woord worden geloofd. Er is geen enkele aanwijzing die duidt op het tegendeel. Voor zover de rechtbank of een namens haar verschenen functionaris bij de vergadering van 2 april 2013 aanwezig zou zijn geweest, doet dit aan het voorgaande niet af. Het gaat hier om de vraag of door die aanwezigheid de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid van de betrokken rechter is ontstaan. Dat is niet het geval nu de voorzitter van het gerechtsbestuur uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat (genoemde functionaris van) de rechtbank niet betrokken was bij besluitvorming van de stuurgroep OMPG en dat de rechtbank nooit heeft deelgenomen aan de stuurgroep Treiteraanpak. Uit het enkele feit dat eiseres beschikte over de brief van de president en verzoekers voor de zitting niet, kan evenmin de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de rechter worden afgeleid. De advocaat van eiseres heeft ter zitting medegedeeld dat zij de brief heeft gekregen van de gemeente Amsterdam en dus niet van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het op 16 mei 2014 mondelinge gedane en onder rekestnummer

HA RK 143.2014 ingeschreven verzoek van:

1)[Naam][Naam]

gemachtigde: mr. R.F. de Jong

2)[naam2]

3)[naam3]

gemachtigde: mr. T. de Heer,

allen wonende te Amsterdam,

verzoekers,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

 een ter zitting overgelegde brief van de advocaat van verzoekers sub 3 en 4 d.d. 14 mei 2014 met bijlagen, waaronder een conceptagenda van de gecombineerde stuurgroep OMPG/Treiteraanpak d.d. 2 april 2013;

 een fax van de advocaat gemachtigde van eiseres in de hoofdprocedure d.d. 16 mei 2014 met als bijlage een brief van de president van de rechtbank Amsterdam d.d. 3 oktober 2013;

 het in het proces-verbaal neergelegde wrakingsverzoek d.d. 16 mei 2014.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 mei 2014. Verzoekster sub 2 alsmede haar advocaat en de advocaat van verzoekers sub 3 en 4 en de rechter zijn verschenen. De advocaten hebben het verzoek nader toegelicht en de rechter heeft op het verzoek gereageerd. Na re- en dupliek en een korte toelichting namens eiseres in de hoofdprocedure, is de behandeling geschorst. Na hervatting van de behandeling is direct mondeling uitspraak gedaan.

Deze beschikking vormt de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak.

1 De feiten

Bij de rechtbank, sector civiel, locatie Amsterdam, is in behandeling een zaak met zaaknummer / rolnummer 563825 / KG ZA 14-520 CB/EB. Verzoekers zijn in die procedure de gedaagde partijen.

Op 16 mei 2014 heeft een mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling hebben verzoekers een verzoek tot wraking gedaan.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

Verzoekers hebben aan het verzoek allereerst ten grondslag gelegd dat de rechtbank Amsterdam is betrokken bij het convenant “De Treiteraanpak: intimidatie in de woonomgeving”. Verzoekers leiden dit af uit een door eiseres in kortgeding overgelegde productie, een interne brief van de voorzitter van het gerechtsbestuur van de rechtbank van 3 oktober 2013 gericht aan een rechter van het team Familie & Jeugd (hierna de brief). Verzoekers leiden dit verder af uit een conceptagenda voor een bijeenkomst van de gecombineerde stuurgroep OMPG/ Treiteraanpak van 2 april 2013 (hierna de agenda). Uit die agenda blijkt dat dat daar iemand namens de rechtbank aanwezig was. Wie daar namens de rechtbank aanwezig is geweest, kan niet worden vastgesteld. De naam van degene die daar namens de rechtbank aanwezig is geweest, is onleesbaar gemaakt. Volgens verzoekers valt niet uit te sluiten dat de voorzieningenrechter daar aanwezig is geweest dan wel een andere functionaris van de rechtbank. Hierdoor is bij verzoekers de vrees gewekt dat de rechter niet onpartijdig is. Die vrees is versterkt door de brief. De brief is niet aan eiseres in de hoofdprocedure gericht, terwijl die wel door haar is overgelegd. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat er korte lijnen bestaan tussen de rechtbank Amsterdam en eiseres. Verzoekers beschikten voor aanvang van de mondelinge behandeling niet over deze brief.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft samengevat aangevoerd dat zij op geen enkele wijze bij het project ‘De Treiteraanpak’ betrokken is dan wel betrokken is geweest.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gezien

gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

4.4

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een persoonlijke overtuiging en/of gedrag van de rechter waaruit de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter subjectief bezien partijdig is.

4.5

Ten aanzien van de door verzoekers aangevoerde gronden oordeelt de rechtbank als volgt. In de brief schrijft de voorzitter van het gerechtsbestuur voor zover van belang: De rechtbank Amsterdam is geen partij bij dit convenant”. Verder schrijft zij: ”Bij het opstellen van het actieplan heeft de gemeente Amsterdam klaarblijkelijk gekozen om de ambtelijke stuurgroep van de Treiteraanpak te laten voortkomen uit de stuurgroep van de Overlastgevende Multiprobleemgezinnen (OMPG). Aan laatst genoemde stuurgroep heeft de rechtbank eenmaal deelgenomen als agendalid. De rechtbank heeft niet deelgenomen aan de besluitvorming in die stuurgroep OMPG. Aan de stuurgroep Treiteraanpak heeft de rechtbank nooit deelgenomen en de rechtbank zal dit in de toekomst ook niet doen.” De voorzieningenrechter heeft ter zitting ontkend dat zij namens de rechtbank aanwezig is geweest bij de vergadering van 2 april 2013, of dat zij op enige andere wijze betrokken is geweest bij de zogenaamde Treiteraanpak.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit hetgeen door verzoekers is aangevoerd geen objectief gerechtvaardigde schijn af te leiden dat de rechter jegens hen partijdig is. Uit de brief van de president valt geen betrokkenheid van de rechter bij de Treiteraanpak af te leiden. De rechter heeft elke betrokkenheid bij de Treiteraanpak ontkend en moet op haar woord worden geloofd. Er is geen enkele aanwijzing die duidt op het tegendeel. Voor zover de rechtbank of een namens haar verschenen functionaris bij de vergadering van 2 april 2013 aanwezig zou zijn geweest, doet dit aan het voorgaande niet af. Het gaat hier om de vraag of door die aanwezigheid de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid van de betrokken rechter is ontstaan. Dat is niet het geval nu de voorzitter van het gerechtsbestuur uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat (genoemde functionaris van) de rechtbank niet betrokken was bij besluitvorming van de stuurgroep OMPG en dat de rechtbank nooit heeft deelgenomen aan de stuurgroep Treiteraanpak. Dat zou anders kunnen zijn indien betrokkenheid (van een functionaris) van de rechtbank bij besluitvorming binnen de stuurgroep Treiteraanpak wel aannemelijk was geworden; in dat geval had de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid mogelijk wel kunnen worden aangenomen.

4.7

Uit het enkele feit dat eiseres beschikte over de brief van de president en verzoekers voor de zitting niet, kan evenmin de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de rechter worden afgeleid. De advocaat van eiseres heeft ter zitting medegedeeld dat zij de brief heeft gekregen van de gemeente Amsterdam en dus niet van de rechtbank.

5. De slotsom van dit alles is dat er geen grond voor wraking bestaat, zodat wordt beslist als volgt.

BESCHIKKING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mrs. N.C.H. Blankevoort en P.B. Martens, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.