Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
C/13/570495 / KG ZA 14-1026
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Artikel 7 Grondwet. Artikel 10 EVRM. Vrijheid van meningsuiting tegenover eigendoms-/gebruiksrecht.

De voorzieningenrechter verbiedt CCCP en KRO opnames uit te zenden van een ‘sociaal experiment’ waarbij een van haar presentatoren zich heeft voorgedaan als medewerker van Media Markt. Media Markt had en heeft bezwaar tegen het maken van de opnames en het uitzenden daarvan. Bij de ingang van de winkel hangt een bord waarop staat dat camera’s niet zijn toegestaan in de winkel en in ieder geval was het voor CCCP achteraf duidelijk dat Media Markt daar bezwaar tegen heeft.

CCCP plaatst zichzelf door de eigendoms- en gebruiksrechten van Media Markt eenvoudigweg te negeren op een voorsprong. De voorzieningenrechter acht het niet gerechtvaardigd dat de vrijheid van meningsuiting in dit geval voorgaat op het eigendoms- of gebruiksrecht van Media Markt. Daarbij speelt een rol het belang van Media Markt dat haar winkels, medewerkers en klanten niet ongewenst en zonder het te weten worden gefilmd en haar belang om zich naar buiten toe te presenteren zoals zij wenst, tegenover het naar het oordeel van de voorzieningenrechter beperkte belang van CCCP bij het uitvoeren van een amusant sociaal experiment. Tevens speelt een rol dat CCCP haar ‘mening’ op vele andere manieren kenbaar kan maken. Media Markt heeft echter geen andere mogelijkheid om schendingen van haar eigendoms- of gebruiksrecht tegen te gaan dan de manier waarop zij dat nu doet en heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/570495 / KG ZA 14-1026 CB/LO

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIA MARKT ARENA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIA MARKT SATURN HOLDING NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen bij dagvaarding van 18 augustus 2014,

advocaat mr. H.D.L.M. Schruer te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CCCP TELEVISIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vereniging

KRO-NCRV,

gevestigd te Hilversum,

gedaagden,

advocaat mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Media Markt worden genoemd en gedaagden zullen worden aangeduid als CCCP en KRO.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 21 augustus 2014 heeft Media Markt gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij haar vorderingen tegen CCCP B.V. en de Stichting Nederlandse Publieke Omroep heeft ingetrokken. CCCP en KRO hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 21 augustus 2014 de beslissing gegeven. Ter zitting is meegedeeld dat de uitwerking daarvan zal volgen op 4 september 2014. Het onderstaande vormt die uitwerking.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van Media Markt: [beveiliginsmedewerker], medewerker arbo- en veiligheidszaken bij eiseres sub 1, [salesmanager], salesmanager bij eiseres sub 1 en [bedrijfsjurist], general legal counsel bij eiseres sub 2 met mr. Schruer.

Aan de zijde van CCCP en KRO: [directeur], directeur van CCCP,

de heer [presentator 1], freelance presentator bij CCCP, [eindredacteur], eindredacteur bij CCCP, [presentator 2] en [bedrijfsjurist KRO], bedrijfsjurist bij KRO met mr. Wildeman.

2 De feiten

2.1.

Media Markt is een elektronicawinkelconcern, met onder meer een vestiging in Amsterdam-Zuidoost genaamd Media Markt Arena.

2.2.

CCCP is producent van televisieprogramma’s, onder meer van het programma ‘Streetlab’, waarin vier jonge vrienden op humoristische wijze sociale experimenten uitvoeren voor de camera. Een van de experimenten was of je door een uniform aan te trekken ergens zomaar aan het werk kunt gaan. Voor de uitzending zijn opnamen gemaakt op een terras, in het openbaar vervoer, bij een overheidsinstelling, bij een vuilophaaldienst, op een bouwplaats en in twee vestigingen van Media Markt.

2.3.

KRO is een publieke omroep die het televisieprogramma TV-lab zal uitzenden in de periode van 21 tot en met 23 augustus 2014. TV-lab is een driedaags programma, waarin nieuwe formats voor tv-programma’s worden vertoond. Het publiek mag stemmen over welk format er komend televisieseizoen te zien zal zijn.

2.4.

Op 29 juli 2014 is door de makers van Streetlab onder meer gefilmd in de vestiging Media Markt Arena, met een zogenaamde knoopsgatcamera (een verborgen camera) en met een draagbare handcamera. Presentator [presentator 1] (hierna: [presentator 1]) is, gekleed in een zwarte broek en een rood overhemd met daarop een naambordje, naar binnen gelopen en heeft een aantal klanten te woord gestaan. Het personeel van Media Markt draagt ook een zwarte broek en een rood overhemd, maar op de officiële Media Markt-outfits staat een logo op de rug. Van de handelingen van [presentator 1] zijn filmopnamen gemaakt door[presentator 3].Na enige tijd is [presentator 1] door de floor manager van Media Markt gevraagd mee te komen naar een kantoor. In het kantoor zijn ook opnamen gemaakt met de knoopsgatcamera. [presentator 1] is gevraagd om zijn telefoon te laten zien, hetgeen hij heeft gedaan, en toen de beveiligingsmedewerker had ontdekt dat [presentator 1] bezig was met een televisieprogramma heeft deze hem gevraagd de opnamen in te leveren. [presentator 1] heeft dat geweigerd.

2.5.

In een brief van 5 augustus 2014 van de advocaat van Media Markt aan CCCP staat onder meer het volgende.

(…) Op 29 juli 2014 hebben medewerkers van Uw onderneming zonder toestemming camerabeelden gemaakt in de winkel en in het besloten kantoor-gedeelte achter de winkel van Amsterdam Arena B.V.. U bent hiermee doorgegaan na protest van cliënte, ook nadat Uw medewerkers hadden toegezegd met de opnames te zijn gestopt en deze te zullen vernietigen. Nadat de politie arriveerde, hebt U herhaald te zijn gestopt met de opnames en deze te hebben vernietigd. Nadat de politie om die reden weer was vertrokken, bleek dat U in strijd met Uw eerdere mededeling nog steeds opnames had gemaakt met de intentie die uit te zenden in een televisieprogramma genaamd TV-lab en dat U weigerde deze te vernietigen.

Het is onrechtmatig zonder toestemming tv-opnames te maken in de winkels van cliënte. Ik verzoek en voorzover nodig sommeer ik U mij uiterlijk heden om 12.00 uur te bevestigen dat u de beelden zult vernietigen en dat daarvan geen gebruik zal worden gemaakt in tv-uitzendingen (…)

2.6.

CCCP heeft geweigerd de beelden te vernietigen en CCCP en KRO zijn voornemens de beelden uit te zenden in het programma van 21 augustus 2014.

3 Het geschil

3.1.

Media Markt vordert – samengevat –:

I. CCCP en KRO hoofdelijk te verbieden de op 29 juli 2014 in de winkel van Media Markt Arena gemaakte camerabeelden uit te zenden, op internet te plaatsen of op andere wijze te openbaren;

II. CCCP te gebieden de gemaakte camerabeelden en geluidsopnames te vernietigen en de bewijsstukken daarvan aan de advocaat van Media Markt te zenden;

III. CCCP te verbieden behoudens in geval van voorafgaande schriftelijke toestemming camerabeelden en geluidsopnames te maken in alle winkels behorend tot het concern van Media Markt;

IV. een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per incident, vermeerderd met een bedrag van € 5.000,- voor iedere dag dat het incident voortduurt;

V. zodanige andere voorzieningen te treffen als de voorzieningenrechter juist acht;

VI. veroordeling van CCCP in de werkelijke kosten van juridische bijstand, zijnde € 2.265,90, althans – zo begrijpt de voorzieningenrechter – de gebruikelijke proceskosten

3.2.

Media Markt heeft ter toelichting van haar vordering – samengevat en voor zover van belang – het volgende gesteld. CCCP en KRO maken door het vervaardigen en uitzenden van camerabeelden van klanten en medewerkers van Media Markt, gemaakt in de winkels van Media Markt inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van klanten en medewerkers van Media Markt, zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM. Media Markt zou als al toestemming zou zijn verleend voor het maken van opnamen, bij verborgen camera-opnamen altijd de voorwaarde hebben gesteld dat aan iedere klant achteraf toestemming wordt gevraagd de opnames te gebruiken, hetgeen CCCP niet heeft gedaan. Voorts is sprake van inbreuk op het portretrecht van klanten en medewerkers als neergelegd in artikel 12 Auteurswet.

Daarnaast was sprake van lokaalvredebreuk en overtreding van artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het belang van CCCP en KRO om in het kader van een amusementsprogramma een televisie-experiment uit te voeren staat niet in redelijke verhouding tot de onnodige en onrechtmatige schending van privacyrechten van medewerkers en klanten van Media Markt en de verstoring van de orde in de winkels van Media Markt. Een winkel is geen openbare ruimte en klanten noch medewerkers hoefden erop bedacht te zijn dat er in de winkel cameraopnames zouden worden gemaakt door personen die zich hadden vermomd als medewerkers, hetgeen bovendien misleidend is. Bij de ingang staat op verschillende plaatsen een bord met de huisregels van Media Markt, waaronder een verbod op foto- en filmopnamen. Ook staat er op de deur een pictogram van een camera met een streep erdoor, zodat het voor CCCP duidelijk was dat Media Markt niet toestaat dat in haar winkels wordt gefilmd of gefotografeerd.

3.3.

CCCP en KRO voeren – samengevat en voor zover van belang – het volgende verweer. Media Markt heeft in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verklaard dat in haar huisreglement, dat kort samengevat te lezen valt op borden die bij de ingang zijn geplaatst, is opgenomen dat geen foto en/of filmopnamen mogen worden gemaakt. Op 29 juli 2014 hing er, anders dan Media Markt beweert, een bord bij de ingang waarop die regel niet voorkwam. Deze schending van de waarheidsplicht is in strijd met een behoorlijke procesorde en reeds daarom moeten de vorderingen worden afgewezen.

De vorderingen van Media Markt zijn voorts in strijd met het uit artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet (Gw) voortvloeiende verbod op voorafgaand toezicht op de media. Artikel 7 Gw bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft voor het openbaren van gedachten of gevoelens via welk middel dan ook. Daarbij maakt het geen verschil of het gaat om onderzoeksjournalistiek of om een amusementsprogramma; ook dat laatste geniet bescherming op grond van artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM. Slechts bij hoge uitzondering kan een beperking worden opgelegd ten aanzien van de openbaarmaking van een nog niet uitgezonden programma. Van CCCP kan bovendien niet worden verwacht dat zij de voorgenomen publicaties vooraf ter goedkeuring aan Media Markt of aan de rechter aanbieden, daarover is de jurisprudentie duidelijk (zie onder meer EHRM 10 mei 2011, EHRC 2011/108, Mosley vs. UK). Voor een preventief verbod is niet voldoende dat de onrechtmatigheid van de uitzending aannemelijk is, maar bovendien moeten de voor Media Markt nadelige gevolgen van de openbaarmaking niet meer door middel van een na uitzending uit te spreken veroordeling kunnen worden hersteld.

Verder voert CCCP nog aan dat geen sprake is van onrechtmatigheid omdat de winkel van Media Markt een voor het publiek toegankelijke plaats is, en omdat in de geplande uitzending slechts beelden zullen worden getoond die zijn gemaakt met de handcamera en geen verborgen camerabeelden te zien zullen zijn. Aan de voorwaarden van artikel 139f Sr is dan ook niet voldaan. Van lokaalvredebreuk is evenmin sprake, nu de CCCP medewerkers niet is gevraagd zich te verwijderen.

Voorts valt niet in te zien waaruit de schade bestaat die Media Markt stelt te lijden. [presentator 1] heeft zich in de winkel keurig gedragen en klanten te woord gestaan en het is niet de bedoeling van het programma om Media Markt in diskrediet te brengen. Van de klanten die te zien zijn in de uitzending zullen de gezichten worden geblurd, zodat er geen strijd is met het portretrecht van die klanten en wordt tegemoet gekomen aan hun privacybelangen. Bovendien zijn zij geen partij in deze procedure.

De vorderingen van Media Markt moeten worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Toewijzing van de vorderingen van Media Markt houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolge art.10 lid 2 EVRM slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in art.10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen.

4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De vrijheid van meningsuiting is een belangrijk grondrecht, dat – zoals CCCP terecht heeft gesteld – ook van toepassing is op een amusementsprogramma. Dit recht is echter niet onbeperkt, maar vindt haar begrenzing voor zover rechten van anderen in het geding zijn. In dit geval is dat het eigendoms- of gebruiksrecht van Media Markt van haar winkels. Anders dan CCCP heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat een winkel geen publieke ruimte is. Dat eenieder in beginsel de winkel binnen kan lopen maakt niet dat sprake is van een openbare ruimte. Een winkeleigenaar heeft het recht voorwaarden te stellen aan het gedrag van klanten die haar winkel betreden. Zeer gebruikelijk is bijvoorbeeld dat er in winkels geen etenswaren of drank mag worden genuttigd en ook komt het regelmatig voor dat grote tassen moeten worden ingeleverd bij de ingang. Ook Media Markt stelt voorwaarden aan het betreden van haar winkels. Zij maakt die voorwaarden (huisregels) bekend door middel van verschillende borden bij de ingang, en door middel van een aantal pictogrammen van verboden die in de winkel gelden. De vraag of het verbod op filmen en fotograferen op 29 juli 2014 reeds was opgenomen in de huisregels kan in het midden blijven, nu in ieder geval aannemelijk is dat het pictogram van de camera met streep erdoor op 29 juli 2014 reeds op de deur was bevestigd. [presentator 1] heeft ter zitting verklaard dat hij het pictogram niet heeft gezien, maar dat hij er ook niet op heeft gelet toen hij de winkel binnenging. Van belang is dat het verbod op camera’s voor CCCP (vooraf) kenbaar had kunnen zijn. Ook had CCCP kunnen verwachten dat Media Markt er bezwaar tegen zou hebben dat iemand zich ten onrechte voordoet als een van haar medewerkers en dat haar klanten (met een verborgen camera) worden gefilmd. Bovendien heeft Media Markt in ieder geval toen zij erachter kwam dat er door CCCP werd gefilmd haar bezwaren daartegen kenbaar gemaakt, zodat voor CCCP in ieder geval vanaf dat moment duidelijk is dat Media Markt het maken van cameraopnamen niet toestond in haar winkel. Daarmee wordt het handelen van CCCP naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands in civielrechtelijke zin onrechtmatig geacht jegens Media Markt. Een wettelijke basis voor de beperking van de uitingsvrijheid (als bedoeld in 4.1) is daarmee gegeven. De vraag of er een strafrechtelijk verwijt aan CCCP kan worden gemaakt behoeft geen beantwoording.

4.3.

CCCP heeft Media Markt niet (vooraf) om toestemming gevraagd voor het maken van opnamen, en heeft ervoor gekozen om ‘gewoon’ te gaan filmen, daarbij Media Markt voor een voldongen feit plaatsend. De opnamen zijn immers al gemaakt en CCCP beroept zich op haar grondrecht van vrije meningsuiting en op het verbod op voorafgaande toetsing, stellende dat Media Markt maar achteraf in een procedure moet laten beoordelen of het maken van de opnamen onrechtmatig was of niet. CCCP plaatst zichzelf door de eigendoms- en gebruiksrechten van Media Markt eenvoudigweg te negeren op een voorsprong. De voorzieningenrechter acht het niet gerechtvaardigd dat de vrijheid van meningsuiting in dit geval voorgaat op het eigendoms- of gebruiksrecht van Media Markt. Daarbij speelt een rol het belang van Media Markt dat haar winkels, medewerkers en klanten niet ongewenst en zonder het te weten worden gefilmd en haar belang om zich naar buiten toe te presenteren zoals zij wenst, tegenover het naar het oordeel van de voorzieningenrechter beperkte belang van CCCP bij het uitvoeren van een amusant sociaal experiment. Tevens speelt een rol – in het kader van het noodzakelijkheidsvereiste en de proportionaliteitstoets – dat CCCP haar ‘mening’ op vele andere manieren kenbaar kan maken. Zij had voor haar experiment in de eerste plaats toestemming kunnen vragen aan Media Markt maar zij had ook een andere winkel of plaats kunnen uitkiezen voor haar experiment, zoals zij ook heeft gedaan. Media Markt heeft echter geen andere mogelijkheid om schendingen van haar eigendoms- of gebruiksrecht tegen te gaan dan de manier waarop zij dat nu doet en op 29 juli 2014 heeft gedaan, namelijk door het plaatsen van borden met huisregels en door het inschakelen van beveiligingsmedewerkers in het geval van geconstateerde overtredingen. Het gevorderde verbod op uitzending is in de gegeven omstandigheden dan ook geen disproportionele maatregel en zal daarom worden toegewezen.

4.4.

Nu de vordering onder I zal worden toegewezen, zal de door Media Markt ter zitting bij vermeerdering van eis gedane voorwaardelijke vordering worden geacht niet te zijn ingesteld.

4.5.

De vordering strekkende tot vernietiging van de gemaakte opnamen zal worden afgewezen, nu dat een te verstrekkende maatregel is om in kort geding toe te wijzen.

4.6.

Ook het gevorderde verbod om in de toekomst zonder toestemming van Media Markt camerabeelden en geluidsopnamen te maken zal worden afgewezen. Denkbaar is dat er situaties zijn waarin het belang van CCCP bij het maken van opnamen in een winkel van Media Markt zo groot is dat het eigendoms- of gebruiksrecht daarvoor moet wijken. Te denken valt aan een situatie waarin CCCP zou beogen ernstige misstanden aan de kaak te stellen.

4.7.

De van CCCP gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden.

4.8.

CCCP en KRO zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Media Markt, als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt CCCP en KRO hoofdelijk de camerabeelden en geluidsopnames uit te zenden, op internet te plaatsen, of op welke andere wijze dan ook te openbaren die CCCP op 29 juli 2014 heeft gemaakt in de winkel van Media Markt Arena;

5.2.

veroordeelt CCCP om aan Media Markt een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor iedere keer dat zij het in 5.1 uitgesproken verbod overtreedt, vermeerderd met een bedrag van € 2.500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt,

5.3.

veroordeelt CCCP en KRO in de proceskosten, aan de zijde van Media Markt tot op heden begroot op € 162,20 aan dagvaardingskosten, € 608,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.1

1 type: LOcoll: