Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5660

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
C-13-556996 - HA ZA 14-21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2 EEX-Vo bepaalt dat partijen die woonplaats hebben in een lidstaat kunnen worden opgeroepen voor gerechten in de lidstaat waar zij hun woonplaats hebben. Uit het gebruik van het woord “oproepen” volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat getoetst moet worden naar het moment van oproeping. Uit een andere uitleg zou immers (ook) volgen dat een gedaagde, door na ontvangst van een dagvaarding te verhuizen, de tot dan toe bevoegde rechter rechtsmacht zou kunnen ontnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 306

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/556996 / HA ZA 14-21

Vonnis in incident in verzet van 10 september 2014

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.K. Greveling,

tegen

1 [naam gedaagde 1],

2. [naam gedaagde 2],

domicilie kiezende te [plaats],

gedaagden,

eisers in het verzet,

eisers in het incident

advocaat mr. S. Hering-de Monchy.

Partijen zullen hierna ABN AMRO, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (gezamenlijk: [gedaagden 1 en 2]) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het door deze rechtbank op 29 april 2009 tussen ABN AMRO en [gedaagden 1 en 2] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 422260 / HA ZA 09-843,

  • -

    de verzetdagvaarding tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het kader van dit incident zal de rechtbank van de volgende feiten uitgaan.

2.2.

Tussen ABN AMRO en [gedaagde 1] bestond een overeenkomst van geldlening. [gedaagde 2] heeft zich hoofdelijk verbonden voor hetgeen ABN AMRO van [gedaagde 1] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening te vorderen heeft of zal hebben.

2.3.

Per 24 augustus 2008 zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verhuisd naar [land].

2.4.

Op 10 december 2008 heeft ABN AMRO [gedaagden 1 en 2] gedagvaard en de dagvaarding betekend aan het Parket van de Officier van Justitie bij de Rechtbank Amsterdam. Een uittreksel van de dagvaarding is bekend gemaakt in Het Parool van 11 december 2008.

2.5.

Bij vonnis van 29 april 2009 is [gedaagden 1 en 2] bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 163.987,03, vermeerderd met rente en (beslag-)kosten.

2.6.

Op 18 november 2013 is het vonnis aan [gedaagden 1 en 2] betekend.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagden 1 en 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: (in de hoofdzaak) [gedaagden 1 en 2] verklaart tot goed opposant en hen ontheft van de bij verstek uitgesproken veroordeling in het vonnis van 29 april 2009 en

(in het incident) zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van ABN AMRO kennis te nemen, met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten in incident en hoofdzaak.

3.2.

ABN AMRO concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen in het incident en subsidiair tot verwijzing naar [de rechtbank leest:] de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, met veroordeling van [gedaagden 1 en 2] in de kosten van het incident.

4 De beoordeling

4.1.

ABN AMRO stelt niet dat [gedaagden 1 en 2] een daad hebben gepleegd waaruit voortvloeit dat het vonnis aan hen bekend was vóór 18 november 2013. Het verzet is derhalve tijdig ingesteld.

4.2.

Niet in geschil is dat de Rechtbank Amsterdam rechtsmacht toekomt om het verzet te beoordelen, omdat het verstekvonnis door de Rechtbank Amsterdam is gewezen. Artikel 147 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat door het verzet de instantie wordt heropend, met dien verstande dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. De rechtbank acht daarmee niet onverenigbaar om bij exploot van verzet eerst een exceptie van onbevoegdheid op te werpen.

4.3.

In het onderhavige geval dient de rechtbank haar rechtsmacht te beoordelen aan de hand van Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo). Artikel 2 EEX-Vo bepaalt dat partijen die woonplaats hebben in een lidstaat kunnen worden opgeroepen voor gerechten in de lidstaat waar zij hun woonplaats hebben. Uit het gebruik van het woord “oproepen” volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat getoetst moet worden naar het moment van oproeping. Uit een andere uitleg zou immers (ook) volgen dat een gedaagde, door na ontvangst van een dagvaarding te verhuizen, de tot dan toe bevoegde rechter rechtsmacht zou kunnen ontnemen.

4.4.

Niet in geschil is dat op het moment van betekenen van de dagvaarding gedaagden feitelijk woonplaats hadden in [land]. Dat zij zich (jaren) later weer in Nederland gevestigd hebben, brengt, gelet op het voorgaande, niet met zich dat de Nederlandse rechter om die reden alsnog de bevoegde rechter is geworden.

4.5.

ABN AMRO beroept zich in haar incidentele conclusie van antwoord op een in de door haar gehanteerde algemene bankvoorwaarden opgenomen forumkeuze. [gedaagden 1 en 2] is nog niet in de gelegenheid geweest daarop te reageren. Gelet op het beginsel van hoor en wederhoor zal [gedaagden 1 en 2] die gelegenheid geboden worden. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

4.6.

Voorts overweegt de rechtbank dat zij bij geschillen met een internationaal karakter ambtshalve dient vast te stellen of haar rechtsmacht toekomt. Vooralsnog is niet betwist dat het hier gaat om een overeenkomst van geldlening waarop Nederlands recht van toepassing is. In dat geval zou uit artikel 5 lid 1 sub a EEV-Vo de rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgen, aangezien ABN AMRO terugbetaling van de lening aan haar vordering ten grondslag legt. [gedaagden 1 en 2] zal zich in haar akte op dit punt mogen uitlaten, waarna ABN AMRO – op uitsluitend dit punt – zal mogen reageren.

4.7.

Aangezien ook het verweer dat de Rechtbank Amsterdam niet relatief bevoegd is voor alle weren moet worden gevoerd (artikel 110 Rv), kan daarop nu geen beroep meer worden gedaan en is de relatieve bevoegdheid 9voor het geval dat de rechtbank wel rechtsmacht toekomt) geen onderdeel van het geschil. Verwijzing naar Zutphen is reeds om die reden niet aan de orde.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 oktober 2014 voor het nemen van een akte door [gedaagden 1 en 2] over hetgeen is vermeld onder 4.5 en 4.6, waarna ABN AMRO op de rol van vier weken daarna een (antwoord-)akte kan nemen over hetgeen is vermeld onder 4.6,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.1

1 type: EJvVcoll:P