Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5593

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB-14_3260
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vovo, uitgeprocedeerde vreemdeling, aanvraag Wmo, beroep niet-tijdig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/3260 (voorlopige voorziening)

AMS 14/2925 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. P.I. Algoe).

Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2014 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2014.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. W.G. Fischer. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Tevens was een tolk aanwezig.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2 Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2.1 Verzoekster is een uitgeprocedeerde vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Gelet op artikel 8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), in samenhang met artikel 10 van de Vw 2000, heeft verzoekster geen recht op voorzieningen van verweerder.

2.2 Vanaf februari 2014 wordt verzoekster feitelijk opgevangen in de voormalige[gebouw] te Amsterdam (Vluchthaven). Bij brief van 20 maart 2014 heeft verzoekster bezwaar gemaakt ten aanzien van de voorwaarden van het verblijf in de Vluchthaven. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in overleg hebben besloten dat het bezwaar van 20 maart 2014 zal worden aangemerkt als aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang (Wmo). Vanwege het uitblijven van een beslissing op de aanvraag heeft verzoekster aanleiding gezien om verweerder bij brief van 7 mei 2014 in gebreke te stellen. Daartoe heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder heeft aangegeven de opvang in de Vluchthaven per 31 mei 2014 te zullen beëindigen. Op 13 mei 2014 heeft verzoekster een beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 maart 2014. Bij brief van 26 mei 2014 heeft verzoekster opnieuw aanleiding gezien om verweerder in gebreke te stellen. Op diezelfde datum heeft verzoekster tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.3 Bij besluit van 10 juni 2014 heeft verweerder de aanvraag om opvang op grond van de Wmo alsnog afgewezen. Verzoekster is op 12 juni 2014 door de GGD gescreend, teneinde na te gaan of verzoekster toegang moet worden verleend tot maatschappelijke opvang. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien op 16 juni 2014 opnieuw een besluit te nemen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit besluit in de plaats komt van het besluit van 10 juni 2014. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag op basis van de GGD-screening opnieuw afgewezen. Verweerder wijst voorts op de mogelijkheid om contact op te nemen met DT&V voor een oplossing op basis van maatwerk.

2.4 Verzoekster heeft hiertegen – kort gezegd – aangevoerd dat zij een kwetsbaar persoon is in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daartoe stelt verzoekster dat zij een alleenstaande vrouw is en bovendien afkomstig uit Eritrea. Haar situatie is uitzichtloos, omdat terugkeren naar Eritrea geen optie is. Gelet hierop voldoet opvang bij de DT&V cq in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) niet in de opvangbehoefte van verzoekster. Verzoekster verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1995) en stelt dat zij gelet op deze uitspraak ook in aanmerking moet worden gebracht voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.

Ten aanzien van het beroep niet tijdig beslissen (14/2925)

3.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat de Wmo geen voorschriften bevat over de termijn waarbinnen een besluit op aanvraag dient te worden genomen. Aansluiting zal moeten worden gezocht bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Uit het tweede lid van dat artikel volgt dat de redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. In de jurisprudentie wordt de redelijke termijn gewoonlijk gesteld op dit maximum, er zijn echter uitzonderingen.

3.2 Het spoedeisende karakter van een aanvraag kan met zich brengen dat een beslistermijn van enkele weken of - in uitzonderlijke gevallen - zelfs enkele dagen als de redelijke termijn in de zin van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Bij dit laatste valt te denken aan gevallen waarin de rechtsbescherming vereist dat snel wordt beslist en snel een voorziening kan worden gevraagd met het oog op een (dreigende) onomkeerbare of schrijnende situatie.

3.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter deed zich in het geval van verzoekster, ten tijde van de ingebrekestelling op 7 mei 2014 niet een dergelijke bijzondere situatie voor nu op die datum nog geen sprake was van dreigende dakloosheid. De opvang in de Vluchthaven zou immers eerst per 31 mei 2014 worden beëindigd. Ten tijde van het beroep niet tijdig beslissen van 13 mei 2014 was dakloosheid evenmin acuut aan de orde. Gelet hierop komt verzoekster geen beroep op het bepaalde in artikel 6:12, derde lid van de Awb toe. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit pas worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Een te vroeg gestuurde ingebrekestelling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ingebrekestelling in de zin van het artikel. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het beroep van 13 mei 2014 tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaren.

3.4 Ten aanzien van de ingebrekestelling van 26 mei 2014 overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, verweerder met zijn besluit van 10 juni 2014 tijdig een beslissing heeft genomen. Niet gezegd kan worden dat verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (14/3260)

4.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat, naar vaste rechtspraak van de CRvB, geen aanspraak op maatschappelijke opvang bestaat als de noodzaak daartoe ontbreekt omdat de vreemdeling gebruik kan maken van een specifieke feitelijke voorziening zoals opvang in een VBL (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8957).

4.2 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of opvang in een VBL in verzoeksters geval als een specifieke feitelijke voorziening kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en over weegt daartoe als volgt.

4.3 De voorzieningenrechter acht in dit verband allereerst van belang dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de bij hem door verzoekster op 24 maart 2014 ingediende aanvraag om opvang, het standpunt heeft ingenomen dat verzoekster terecht kan in een VBL. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de inhoud van de brief van de staatssecretaris van 3 april 2014. In deze brief staat dat het onderdak waarom verzoekster verzoekt voorhanden is. Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf kunnen zich melden bij de DT&V voor onderdak in een VBL. Voor zover sprake is van medische problematiek, bestaan ook daarvoor voorzieningen in de VBL. Dat voor het verkrijgen van onderdak in een VBL aan verzoekster een maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw 2000 moet worden opgelegd, acht de voorzieningenrechter niet ontoelaatbaar en maakt niet dat de opvang feitelijk niet beschikbaar zou zijn.

4.4 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat van verzoekster mag worden verlangd dat zij zich meldt bij de DT&V om dergelijke opvang te verkrijgen. Net als de voorzieningenrechter in de uitspraak van 11 juni 2014 (AMS 14/2618) is de voorzieningenrechter van oordeel dat verblijf in een VBL voorziet in de opvangbehoefte van verzoekster, ook in het geval zij kwetsbaar zou zijn. Niet in geschil is dat verzoekster thans is uitgeprocedeerd en dat op haar de plicht rust Nederland te verlaten. De voorwaarde dat verzoekster in de VBL dient mee te werken aan haar terugkeer acht de voorzieningenrechter dan ook niet onredelijk. De enkele stelling dat de situatie in verzoeksters land van herkomst thans zodanig is dat terugkeer voor haar geen optie is, geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding daarover anders te oordelen. Voor zover verzoekster meent dat zij buiten haar schuld niet kan terugkeren naar Eritrea, ligt het op haar weg om een daartoe strekkende verblijfsaanvraag in de dienen teneinde haar verblijf in Nederland te legaliseren.

4.5 De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat verzoeksters beroep op de uitspraak van de CRvB van 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1995) niet maakt dat zij (desalniettemin) in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo. De betreffende uitspraak ziet op een vreemdeling met niet alleen medische problematiek, maar ook met een dusdanig bijzondere situatie waar het zijn positie als uitgeprocedeerde asielzoeker betreft, dat de CRvB heeft geoordeeld dat onder die combinatie van omstandigheden niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden. Weliswaar heeft verzoekster haar verzoek om toelating tot maatschappelijke opvang niet uitsluitend gebaseerd op haar medische situatie en heeft zij ook gewezen op de problematiek die zij voorziet bij een mogelijke poging terug te keren naar haar land van herkomst, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter laten de omstandigheden waarin verzoekster verkeert zich niet met die van de vreemdeling in de uitspraak van de CRvB vergelijken. Anders dan verzoekster had de betreffende vreemdeling zijn stelling dat zijn situatie uitzichtloos was en dat het hem – ondanks verschillende pogingen daartoe – niet is gelukt en zou lukken te vertrekken, wel met stukken onderbouwd. Reeds hierom slaagt verzoeksters beroep op die uitspraak niet.

4.6 De vraag of verzoekster, gezien haar medische problematiek, kwetsbaar is als bedoeld in artikel 8 van het EVRM kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verder in het midden worden gelaten.

5.

De voorzieningenrechter zal, gezien het voorgaande, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, ondanks het gestelde belang, afwijzen. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 20 maart 2014 niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van mr. K.N. van den Broek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.

de griffier

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB

Coll: WN