Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5440

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
FA RK 14-343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarde, eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de woning, 3:178 BW, vergoedingsrechten ten aanzien van woning, redelijkheid en billijkheid, gebruiksvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

zaaknummer / rekestnummer: C/13/537734 / FA RK 13-1773 en C/13/557970 /

FA RK 14-343 (RT/MD)

Beschikking van 16 juli 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam verzoekster][naam verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.C.B. Boshouwers, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam verweerder][naam verweerder],

wonende te [plaats],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. L. Barenburg te Emmen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

1.2.

De zaak is vervolgens behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van

25 maart 2014. Gehoord zijn: partijen bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar op huwelijkse voorwaarden gehuwd te [plaats], thans gemeente [naam gemeente], op [datum].

2.2.

In deze huwelijkse voorwaarden is - voor zover hier van belang - het volgende overeengekomen:

Artikel 1: Uitsluiting

De echtgenoten zijn met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd, met uitzondering van de effectenportefeuille, welke het gezamenlijk eigendom van partijen zal zijn”.

(..)

Artikel 7: verrekening van (gederfde) inkomsten uit arbeid

1 Tussen partijen vindt periodieke verrekening plaats van gederfde arbeidsinkomsten op de wijze als hierna in dit artikel wordt bepaald.

2. Partijen zijn overeengekomen dat de comparant sub 1 (de rechtbank begrijpt: de man) jaarlijks een bedrag van tien duizend gulden (f 10.000,--) aan comparante sub 2 (de rechtbank begrijpt: de vrouw) zal uitkeren ter compensatie van gederfde inkomsten.

3. Dit bedrag zal jaarlijks – vanaf het jaar tweeduizend – worden geïndexeerd. De index is gelijk aan de wijziging gedurende bedoelde periode van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek te ‘s –Gravenhage, hierna te noemen: C.B.S. te publiceren Consumentenprijsindex (C.P.I.) op basis negentienhonderd negen is honderd (1990=100).

De wijziging zal worden bereikt door het in lid 2 vermelde bedrag te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het bedoelde prijsindexcijfer dat werd gepubliceerd voor het voorafgaande jaar en de noemer door het bedoelde prijsindexcijfer dat werd gepubliceerd voor het jaar daarvoor.

Mocht het C.B.S. inmiddels zijn overgegaan tot publicatie van prijsindexcijfers voor de gezinsconsumptie op meer recente basis, dan zullen de cijfers van de nieuwe reeks in aanmerking worden genomen, zo nodig na koppeling aan de cijfers van voorafgaand reeksen. De wijze van koppeling zal geschieden in overleg met het C.B.S.

4. Verrekening kan niet worden gevorderd over de periode na het aanhangig maken van een procedure tot echtscheiding van tafel en bed of echtscheiding.

(..)

Artikel 10

1. Onroerende zaken en andere registergoederen en vorderingen behoren toe aan de echtgenoot op wiens naam zij staan.

2. (…)”

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank gegeven in het kader van voorlopige voorzieningen van 13 februari 2013 is bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 een bedrag van € 500,-- per maand en met ingang van 1 januari 2013 een bedrag van € 1.000,-- per maand aan de vrouw aan partneralimentatie dient te voldoen.

3 Ten aanzien van het hoofdverzoek

3.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk.

3.2.

Nu de man erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding van de vrouw voor toewijzing vatbaar.

4 Ten aanzien van de nevenvoorzieningen

Partneralimentatie

4.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man als uitkering tot haar levensonderhoud een bedrag van € 1.000,- per maand dient te voldoen. Daarnaast verzoekt zij de rechtbank een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen voor de periode vanaf de datum waarop de vrouw AOW en een aanvullend pensioen ontvangt.

4.2.

De man heeft zich gerefereerd aan het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man tot de datum van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw maandelijks een bedrag van € 1.000,-- zal voldoen, te vermeerderen met de wettelijke indexatie.

4.3.

Nu partijen het erover eens zijn dat de man tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw (65 jaar en twee maanden) haar een uitkering tot levensonderhoud zal voldoen van

€ 1.000,-- per maand, en deze afspraak de rechtbank niet strijdig met de hiervoor geldende maatstaven voorkomt, zal de rechtbank deze afspraak in het dictum vastleggen.

4.4.

Ter zitting is besproken dat de vrouw in de periode vanaf 10 juni 2014 tot aan het moment dat zij haar AOW-uitkering ontvangt, te weten 10 augustus 2014, wisselende bedragen zal ontvangen aan inkomen. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting voorgesteld om met ingang van 1 september 2014 te berekenen wat de man aan de vrouw dient te voldoen. Nu de advocaat van de vrouw hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt zal de rechtbank berekenen welke de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2014 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Hiertoe zal de rechtbank ten eerste berekenen wat de behoefte is van de vrouw aan een dergelijke bijdrage vanaf september 2014.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw gedurende het huwelijk € 571,-- per maand bedroeg. Het netto inkomen van de man, gebaseerd op de gegevens van 2011 bedraagt onweersproken € 5.324,-- per maand.

Ter zitting zijn partijen het over eens geworden dat van dit totale netto besteedbare inkomen nog een bedrag van € 716,-- netto per maand ter zake van een alimentatieverplichting jegens een ex-partner van de man in mindering dient te worden gebracht. Partijen zijn eveneens tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat het netto besteedbaar inkomen dient te worden vermeerderd met een netto bedrag van € 6.000,-- op jaarbasis in verband met de opbrengst uit de huur van de woning [plaats]. Tenslotte zijn partijen het erover eens geworden dat de man tijdens het huwelijk als rendement uit spaargeld een bedrag, na belasting, ontving in de orde van grootte van € 5.600,-- op jaarbasis. Het voorgaande leidt ertoe dat het netto gezinsinkomen van partijen gesteld kan worden op een bedrag van € 6.146,-- per maand. Indien hiervan 60% wordt berekend (zijnde € 3.687,60) en de inkomsten aan AOW en pensioen die door de vrouw worden ontvangen met ingang van 1 september 2014 in mindering worden gebracht (€ 1.478,70), resteert er een behoefte aan de zijde van de vrouw van (afgerond) € 2.208,90 per maand.

4.6.

Vervolgens dient te worden bezien in hoeverre de man in staat is om in deze behoefte te voorzien. Tussen partijen staat vast dat aan de zijde van de man moet worden uitgegaan van een bruto AOW uitkering van € 14.028,-- per jaar en een bruto pensioenuitkering van

€ 26.460,-- per jaar. Tevens hebben beide partijen in Box 3 aan werkelijk inkomsten een bedrag van € 7.764,-- in aanmerking genomen alsmede als grondslag van het forfaitair rendement een bedrag van € 249.861,--. De inkomsten na belasting bedragen dan € 2.998,-- op jaarbasis.

De man dient aangemerkt te worden als een alleenstaande en aan premie voor een ziektekostenverzekering voldoet de man een bedrag van € 88,-- per maand. Zijn eigen risico van € 360,-- per maand is eveneens door beide partijen in aanmerking genomen. Ook met betrekking tot de hypotheeklasten van de man zijn partijen het erover eens dat naast de rente van € 1.075,-- per maand en rekening moet worden gehouden met een bedrag aan overige eigenaarslasten van € 336,-- per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding om een korting aan te brengen in verband met een onredelijke woonlast van € 10,-- per maand.

4.7.

Tenslotte houden beide partijen in hun berekening rekening met een bedrag ter zake van “overige kosten”, de man een bedrag van € 195,-- en de vrouw een bedrag van € 247,-- per maand. Nu het voor de rechtbank niet duidelijk is wat dit voor een soort kosten betreffen, maar het kennelijk tussen partijen in confesso is dat de man een dergelijke last heeft, zal de rechtbank de door partijen opgenomen bedragen middelen en dit bedrag meenemen in de te maken berekening.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van € 417,-- per maand met ingang van 1 september 2014 redelijk en billijk is en in overeenstemming met de geldende maatstaven. Daarbij is uitgegaan van de bovengenoemde feiten en omstandigheden, en van de daaruit blijkende behoefte en draagkracht van partijen. Verder is in aanmerking genomen dat de door de man tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen uitkeringen voor hem fiscaal aftrekbaar zijn, terwijl zij voor de vrouw in beginsel belastbaar en aan premieheffing onderworpen inkomen opleveren.

5 De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en samenhangende vorderingen

5.1.

Eenvoudige gemeenschappen

5.1.1.

Er is tussen partijen sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te weten een gemeenschap met betrekking tot de woning aan [adres] (hierna ook: de woning). Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar. De aankoopprijs van de woning bedroeg € 190.000,--. De onroerende zaak is in 2007 volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 190.000,-. Onweersproken is dat de man op 23 augustus 2011 op deze hypothecaire geldlening een bedrag van € 95.000,-- heeft afgelost alsmede op 13 september 2011 een bedrag van € 50.000,--.

Beroep op artikel 3:178 lid 3 BW

5.1.2.

De vrouw heeft met een beroep op artikel 3:178 lid 3 BW de rechtbank verzocht de vordering tot verdeling van de woning uit te sluiten. Zij stelt dat haar belang tot uitsluiting van de verdeling aanzienlijk groter is dan het belang van de man om te verdelen. Zij voert hiertoe aan dat zij graag in de woning blijft wonen. Zij woonde voordat partijen de woning kochten al 25 jaar in de woning. De vrouw heeft de woning tijdens het huwelijk altijd in gebruik gehouden en de vrouw woont sinds 2012 weer volledig in de woning. De vrouw kan met haar huidige inkomen heel moeilijk, zo niet onmogelijk, een andere huurwoning krijgen. De vrouw is gehecht aan de buurt en zij is al op leeftijd. Een verhuizing zou extra stress opleveren bovenop het verdriet van een echtscheiding op latere leeftijd, aldus de vrouw.

5.1.3.

De man stelt zich op het standpunt dat, aangezien de vrouw financieel niet in staat is om de woning over te nemen, de woning aan hem moet worden toebedeeld. Hij acht het niet redelijk om de gemeenschap onverdeeld te laten en indien de rechtbank daartoe wel zou overgaan, acht hij het niet redelijk de maximale termijn van drie jaar aan te houden maar verzoekt hij, indien de rechtbank mee zou gaan in het verzoek van de vrouw, maximaal één jaar de onverdeeldheid in stand te houden.

5.1.4.

Uit artikel 3:178 lid 3 BW volgt dat op verlangen van een deelgenoot een vordering tot verdeling kan worden uitgesloten als er sprake is van een situatie waarin de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van die deelgenoot aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling worden gediend. De rechtbank overweegt verder dat artikel 3:178 lid 3 BW één van de uitzonderingen is op de hoofdregel dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan verzoeken. Op de vrouw rust, nu zij op deze uitzondering een beroep doet, de stelplicht.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de vrouw op dit artikellid niet slaagt en wel op grond van het navolgende. Het feit dat de vrouw reeds geruime tijd in de woning verblijft en zij de woning in eerste instantie heeft gehuurd, acht de rechtbank – ook in samenhang met de overige door de vrouw aangehaalde argumenten – van onvoldoende gewicht om de man tegen zijn wil in een onverdeelde gemeenschap te laten. Een echtscheiding brengt helaas veelal met zich dat partijen moeten verhuizen en hun woonsituatie zal wijzigen. De rechtbank neemt daarbij voorts in ogenschouw dat tussen partijen vaststaat dat de vrouw niet (op korte termijn) in staat is om de woning over te nemen en dus te behouden. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw om de vordering tot verdeling van de woning uitsluiten.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard van de onderhavige gemeenschap met zich dat een schuld aangegaan ter financiering van de verkrijging van deze woning een schuld is die voor rekening van die gemeenschap komt. Nu onweersproken is dat de vrouw financieel niet de mogelijkheid heeft de woning over te nemen en de man heeft verzocht de woning en de daarbij behorende hypothecaire geldlening aan hem toe te delen, zal de rechtbank de woning aan [adres] aan de man toe delen, onder de gehoudenheid de schuld voor zijn rekening te nemen.

Ten aanzien van de waarde waartegen de rechtbank de woning aan de man toebedeeld, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van tot de gemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Nu partijen het er over eens zijn dat de datum van feitelijke verdeling van de woning als peildatum dient te worden aangenomen, geldt voor de peildatum voor de waardering van de woning de datum van feitelijke verdeling, te weten heden.

Blijkens het door de vrouw overgelegde taxatie-rapport bedroeg de waarde van de echtelijke woning op 24 februari 2014 € 197.500,--. Nu niet is gesteld noch gebleken dat de waarde van de woning sinds februari 2014 is gewijzigd en de man geen verweer heeft gevoerd tegen deze waarde van de woning, houdt de rechtbank het er derhalve op dat de waarde van de woning per peildatum € 197.500,-- bedraagt. De woning zal derhalve tegen een waarde van € 197.500,-- aan de man worden toebedeeld.

5.2.

Vergoedingsrecht van de man

5.2.1.

De man stelt dat hij recht heeft op een vergoeding (naar hij stelt een réprise) van € 9.000,--. Hij voert hiertoe aan dat hij in totaal een bedrag van € 145.000,-- aan aflossingen hypotheek heeft voldaan en een bedrag van € 32.000,-- in de woning heeft geïnvesteerd. De man voert aan dat, uitgaande van een waarde van € 204.00,-- (de rechtbank: de waarde waar de man aanvankelijk van uitging) en de restschuld van € 45.000,-- die aan de woning verbonden is, er een tekort is van € 18.000,--. Nu als gevolg van betalingen van privégelden van de man ten behoeve van de wettelijke gemeenschap er een vordering op de gemeenschap bestaat, welke niet kan worden voldaan uit de goederen van de gemeenschap, dient de vrouw de helft van dit tekort aan hem te voldoen, aldus de man.

5.2.2.

De vrouw betwist dat de man een bedrag van € 32.000,-- aan privémiddelen heeft geïnvesteerd. Zo hiermee toch rekening wordt gehouden dient ook rekening te worden gehouden met een bedrag van € 3.470,-- dat zij heeft geïnvesteerd, aldus de vrouw.

Subsidiair voert de vrouw aan dat, zo er sprake is van investeringen van de man die niet geldend kunnen worden gemaakt op het gemeenschapsvermogen, dan nog geldt dat de man geen vordering tot vergoeding heeft op de vrouw. Zij voert hiertoe aan dat in casu sprake is van een natuurlijke verbintenis welke ertoe leidt dat de man zijn vordering niet kan effectueren dan wel dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de helft van het tekort op haar te verhalen. De vrouw heeft benadrukt dat zij – in tegenstelling tot de man - tijdens het huwelijk en ten tijde van het verbouwen van de woning geen noemenswaardige bron van inkomsten had en ook geen vermogen. Toen partijen de woning in 2007 kochten, woonde de vrouw er gedeeltelijk en partijen wisten destijds beiden heel goed dat de vrouw niet aan de verbouwing zou kunnen bijdragen. De vrouw heeft er op geen enkele wijze bij stilgestaan of rekening mee gehouden dat zij de verbouwingskosten aan de man zou moeten terugbetalen. Voor zover er privévermogen van de man is gebruikt ten behoeve van de gemeenschap, is dat, aldus de vrouw, gebeurd ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de man jegens de vrouw. De vrijwillige uitvoering van een natuurlijke verbintenis verhindert latere vergoedingsaanspraken. Bovendien acht de vrouw het in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien zij thans nog een dergelijk bedrag aan de man zou moeten voldoen omdat zij er op grond van de gedragingen van de man geen rekening mee heeft hoeven houden dat de man hierop nog aanspraak zou doen.

5.2.3.

Ten aanzien van de woning te [plaats] is sprake van een eenvoudige gemeenschap. Voor zover de man zijn vordering heeft gestoeld op artikel 1:95 lid 2 BW (reprise) dan wel op artikel 1:96 lid 3 BW, gaat de rechtbank hieraan voorbij nu er in casu sprake is van een eenvoudige gemeenschap waarop titel 7 van Boek 3 BW van toepassing is en niet van een wettelijke gemeenschap waarop titel 7 van Boek 1 van toepassing is.

Conform de hoofdregel van art. 3:166 lid 2 BW hebben partijen een gelijk aandeel in deze eenvoudige gemeenschap. Bij de verdeling kunnen zij daarom aanspraak maken op de helft van de (over)waarde hiervan.

Tussen partijen is in geschil wie (welk deel van) de overwaarde van de woning toekomt.

Onweersproken is dat een restschuld ten aanzien van de woning resteert – naar de rechtbank begrijpt een hypothecaire lening die is afgesloten op de woning van de man in [plaats] – van € 45.000,--. Deze gemeenschappelijke schuld zal in mindering dienen te worden gebracht op de overwaarde. Voorts is onvoldoende weersproken dat de man in 2011 uit privé-vermogen een bedrag van in totaal € 145.000,-- op de hypothecaire geldlening heeft afgelost. Anders dan de vrouw betoogt, heeft de man bij de verdeling van de gemeenschap recht op vergoeding door de gemeenschap van dit bedrag. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd – hetgeen vooral ziet op de omstandigheden ten tijde van de verbouwing – ziet de rechtbank geen aanleiding om de vordering van € 145.000,-- van de man op de gemeenschap af te wijzen.

Het vorenstaande betekent dat, na toewijzen van voornoemde vordering tot vergoeding, een overwaarde resteert van € 7.500,-- (€ 197.500,-- minus € 45.00,-- aan restschuld minus € 145.00,-- aan privé-investering).

De man voert aan onder overlegging van rekening-afschriften waarbij hij de bewuste uitgaven op de afschriften heeft aangekruist, dat hij een bedrag van € 32.000,-- aan de woning heeft geïnvesteerd door de badkamer en de keuken te laten verbouwen. De vrouw heeft met de enkele vermelding dat een bedrag van € 825,-- ziet op een inductiekookplaat van de woning in [plaats], gezien de rekening-afschriften en de hoogte van de daarop aangekruiste uitgaven, onvoldoende de hoogte van de investering van de man betwist, ook met inachtneming van de inductiekookplaat. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van de man.

Nu de man daarmee een schuld van de gemeenschap heeft voldaan, heeft hij, zoals reeds overwogen een vorderingsrecht op de gemeenschap. Vast is komen te staan dat, na aftrek van de schuld en de vordering van de man van € 145.000,-- slechts een bedrag van € 7.500,-- aan overwaarde resteert. Voor zover de vordering van de man ziet op het bedrag van € 7.500,-- zal dit worden toegewezen, met dien verstande dat, aangezien de woning aan de man zal worden toebedeeld, deze vordering wordt geacht verrekend te zijn met het toedelen van de woning zonder verdeling van de overwaarde.

Ten aanzien van de vordering van de man die alsdan op de gemeenschap resteert, te weten € 24.500,-- (€ 7.500,-- minus € 32.00,-- = € 24.500,-- negatief) overweegt de rechtbank als volgt.

Nu het gemeenschapsvermogen ontoereikend is, kan de man zijn vordering derhalve slechts gedeeltelijk verhalen op de gemeenschap. Aan de orde is de vraag of hij de helft van hetgeen hij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen (zijnde € 12.250,--) op de vrouw in privé kan verhalen. Bij de beantwoording van die vraag moet mede acht geslagen worden op de omstandigheden van het geval.

Niet in geschil is dat tijdens het huwelijk en ten tijde van het verbouwen van de woning de vrouw geen noemenswaardige bron van inkomsten had en ook geen vermogen, dit in tegenstelling tot de man. Evenmin is weersproken dat partijen destijds wisten dat de vrouw niet aan de verbouwing zou kunnen bijdragen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de man, voor zover het gemeenschapsvermogen ontoereikend is, een vergoedingsrecht op de vrouw in privé heeft. De vordering zal dan ook voor zover het niet te verhalen is uit het gemeenschapsvermogen, worden afgewezen.

5.3.

Bewoning van de echtelijke woning voor de duur van zes maanden

5.3.1.

De vrouw heeft bij vermeerdering van haar verzoek onder verwijzing naar artikel 1:165 BW subsidiair verzocht te bepalen dat, zo haar vordering tot het uitsluiten van de vordering tot verdeling van de woning wordt afgewezen, zij tot en met zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning. De vrouw heeft aangevoerd dat zij reeds in deze woning woonde voordat partijen in 1999 in het huwelijk traden. Partijen hebben deze woning pas gekocht in 2007. De vrouw woont sinds weer 2012 volledig in deze woning. De vrouw stelt dat zij heel moeilijk, zo niet onmogelijk, een andere betaalbare huurwoning kan krijgen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de vrouw naar de Uitvoeringsinstructie 5 van de Gemeente Amsterdam die is gebaseerd op de Huisvestingwet en –Verordening,

5.3.2.

De man stelt zich op het standpunt dat de woning zo spoedig mogelijk te koop moet worden gezet en dat uit niets gebleken is dat de vrouw al daadwerkelijk heeft gezocht naar een andere huurwoning.

5.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Het belang van de man bij tijdige verkoop van de woning weegt niet op tegen het belang dat de vrouw heeft – en welke voorziening de wet biedt ingevolge 1:165 BW – om een overbrugging in huisvesting te hebben voor de eerste periode na de echtscheiding. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw toewijzen om te bepalen dat zij gerechtigd is om voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de echtelijke woning aan het [adres] te gebruiken.

5.4.

Gebruiksvergoeding

5.4.1.

De man heeft bij verzoekschrift van 16 januari 2014 zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij de rechtbank verzoekt de vrouw te veroordelen hem een gebruiksvergoeding te betalen vanaf de datum indiening verzoekschrift voorlopige voorzieningen, zijnde 10 januari 2013, althans vanaf de datum indiening verzoekschrift echtscheiding, zijnde 11 maart 2013, althans met ingang van datum indiening aanvulling/vermeerdering verzoek, tot aan het tijdstip van levering van het aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke woning aan de man. De man heeft in zijn aanvullende verzoek aangegeven een bedrag van € 1.200,-- per maand redelijk te achten. Indien de vrouw na toedeling van de gemeenschappelijke woning aan de man, het gebruik en genot van de woning wil voortzetten, dan stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw hiervoor eveneens de genoemde gebruiksvergoeding zou moeten blijven voldoen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man primair verzocht een reële gebruiksvergoeding te bepalen, althans een vergoeding waarbij uitgegaan wordt van de huidige waarde van de woning zoals is vastgesteld in het taxatierapport.

5.4.2.

De vrouw stelt dat er geen sprake is van gederfd woongenot en gebruik van het aandeel van de man in de woning omdat hij er nooit verbleef. De man woonde immers liever in [plaats]. Volgens de vrouw ontbeert het verzoek tot vergoeding met betrekking tot de periode voor de echtscheiding grondslag. De vrouw stelt voor de periode van voortgezet gebruik na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dan wel na afwijzing van de vordering verdeling en voortgezet gebruik van de vrouw voor dat zij maandelijks een bedrag van € 86,-- aan de man voldoet als redelijke gebruiksvergoeding (te weten de helft van de hypotheekrente die door de man moet worden voldaan), en subsidiair is zij van mening dat uitgegaan moet worden van een redelijkerwijs te behalen rendement van 2,5% op jaarbasis. De woning heeft een waarde van € 197.500,-- (minus € 45.000,-- resthypotheek), resteert er een overwaarde van € 152.500,--. Het rendement daarvan is € 317,70 per maand en de man komt daarvan de helft toe, te weten een bedrag van € 158,85 per maand. Meer subsidiair heeft de vrouw aangegeven dat indien er uitgegaan moet worden van de huurwaarde van de woning, de maximale huurprijs gesteld moet worden op € 582,46, waarvan de man dan de helft toe zou komen.

5.4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Er dient een onderscheid te worden gemaakt in een drietal fases, te weten 1) de periode vanaf datum verzoekschrift - waarbij in het midden kan blijven of dit het verzoekschrift in de voorlopige voorziening is of het verzoekschrift tot echtscheiding - tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (zijnde het moment dat het huwelijk is ontbonden), 2) de periode van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot zes maanden daarna en 3) de periode tot vanaf zes maanden na ontbinding tot het huwelijk tot het moment van de eventuele levering van de woning in verband met de toedeling van de woning aan een van partijen.

5.4.4.

Ten aanzien van fase 1 geldt dat de man een gebruiksvergoeding vordert over de periode dat partijen nog met elkaar zijn getrouwd. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat zolang partijen zijn gehuwd, op hen de verplichting rust elkaar het nodige te verschaffen. Het gebruik van een gezamenlijke woning valt ook onder deze verplichting, zodat de vordering zal worden afgewezen.

5.4.5.

In de tweede periode, aanvangende met de datum van ontbinding van de gemeenschap, kan op grond van artikel 1:165 BW een redelijke (gebruiks)vergoeding worden vastgesteld, wanneer één van de echtgenoten ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de woning bewoont, die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort. De wetgever heeft geen regels geformuleerd op grond waarvan de gebruiksvergoeding dient te worden vastgesteld. Anders dan de man, acht de rechtbank het redelijk het te derven genot van de man door gebruik van de vrouw te stellen op 2,5% over zijn aandeel in de overwaarde van de woning. De rechtbank sluit daarbij aan op de rente die gemiddeld wordt uitgekeerd op spaarrekeningen in de onderhavige periode. Nu niet in geschil is dat de overwaarde van de echtelijke woning € 152.500,-- bedraagt, zal de rechtbank voor de berekening van de vergoeding uitgaande van dit bedrag, en derhalve de vergoeding op € 317,70 per maand vast stellen. Zij zal de vrouw veroordelen de man dit bedrag te betalen.

5.4.6.

Na het verstrijken van de hiervoor beoordeeld periode van zes maanden kan een vergoeding worden gebaseerd op artikel 3:169 BW. Bij het vorenstaande dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in de gemeenschap ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW beheersen, tot maatstaf. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen ligt een gebruiksvergoeding ten bedrage van € 317,80 per maand in de rede. Nu de woning echter aan de man is toegedeeld, de vrouw zes maanden na ontbinding van het huwelijk geen recht meer heeft om de woning te bewonen en niet is gesteld noch gebleken dat de vrouw desalniettemin na zes maanden de woning nog zal gebruiken, komt de rechtbank aan de gevorderde vergoeding vanaf die periode niet toe. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen .

6 Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

6.1.

Beperkte gemeenschap

Effectenportefeuille

Gelet op het bepaalde in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is de effectenportefeuille gezamenlijk eigendom van partijen. De man heeft een stuk van de ABN Amro bank in het geding gebracht waaruit blijkt dat er een effectenportefeuille was op 29 december 2000 die bestond uit KPN- aandelen (waarde € 1.839,--) en aandelen bij Legio Lease bij de Dexia bank (waarde € 18.427,45). Tussen partijen staat vast dat zij in 2009 de KNP aandelen verkocht hebben voor een waarde van circa € 1.598,52. Dit bedrag is door partijen niet opnieuw belegd maar is door hen besteed en dient volgens de man te worden beschouwd als te zijn verteerd, hetgeen de vrouw niet heeft bestreden. De man stelt onweersproken dat de Dexia effectenportefeuille in 2007 heeft geresulteerd in een negatief rendement van € 3.498,--. Gelet op het vorenstaande is tussen partijen niet in geschil dat op de peildatum de effectenportefeuille niet meer aanwezig was dan wel geen waarde vertegenwoordigde, zodat dit punt geen verdere bespreking behoeft.

6.2.

Uitvoering verrekenbeding

6.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw uit hoofde van verrekening op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 22.685,-- dient te voldoen, te vermeerderen met indexering. De vrouw voert hiertoe aan dat de man geen gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende verplichting om haar jaarlijks een bedrag van fl. 10.000,-- te betalen aan gederfde inkomsten. De vrouw betoogt dat partijen dit waren overeengekomen, omdat de vrouw 50% minder is gaan werken teneinde meer in [plaats] bij de man te kunnen zijn. Pas toen zij er september 2004 stopte met werken is de man haar € 500,-- per maand gaan betalen, aldus de vrouw. Anders dan de man aanvoert, waren de bedragen die de man vóór 1 september 2004 voldeed, te weten fl. 1.500,00 en later € 680,--, bedoeld als huishoudgeld en niet ter zake van gederfde inkomsten, zo stelt de vrouw. De vrouw voert aan dat dit blijkt uit de door de man overgelegde bankafschriften. Immers, voornoemd bedrag werd gestort op de rekening die partijen gebruikte voor de het betalen van kosten van de huishouding. Toen de vrouw in 2004 geheel stopte met werken en de man derhalve in verhouding meer moest gaan meebetalen aan de kosten van de huishouding, heeft hij maandelijks een bedrag van € 800,- op die rekening gestort. Het bedrag van € 500,-- dat de man maandelijks stortte, is hij pas in september 2004 gaan betalen toen zij geheel met werken stopte en maakte hij over naar een andere rekening. Dat de man tot september 2004 maar één bedrag betaalde, te weten eerst fl. 1.500,-- en later € 680,--, wordt volgens de vrouw onderstreept door hetgeen de man zelf onder zijn bankafschriften heeft geschreven (productie 5 bij verweerschrift).

6.2.2.

De man stelt dat de vrouw geen verrekenvordering op hem heeft, nu hij tijdens de huwelijkse jaren reeds uitvoering heeft gegeven aan de in artikel 7 van de huwelijks voorwaarden opgenomen verplichting. De man voert hiertoe aan dat hij de vrouw vanaf 1999 tot en met 2004 iedere maand een bedrag van fl. 1.500,--/€ 680,87 heeft ontvangen en vanaf 2004 tot en met 2012 iedere maand een bedrag van € 500,-- per maand ter uitvoering van artikel 7. In totaal ontving de vrouw jaarlijks een bedrag van fl. 18.000,- dan wel € 6.000,--. De man voldeed hiermee meer dan hij verplicht was te voldoen. Naast genoemde bedragen ontving de vrouw ook nog huishoudgeld ten bedrage van € 800,-- per maand. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man tijdens de mondelinge behandeling op 25 maart 2014 een overzicht overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij wel heeft voldaan heeft aan hetgeen partijen in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen.

6.2.3.

Partijen zijn in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de man jaarlijks een bedrag van fl. 10.000,-- zal uitkeren aan de vrouw ter compensatie van gederfde inkomsten. Het is aan de man om zijn stelling dat hij aan deze verplichting heeft voldaan, te onderbouwen en zo nodig te bewijzen.

Vaststaat dat de man in de periode 1999 tot september 2004 maandelijks een bedrag van fl. 1.500,--/€ 680,87 heeft betaald. Tussen partijen is in geschil of deze betaling ziet op een bijdrage in de kosten van de huishouding – zo de vrouw betoogt – dan wel de betaling ter compensatie van gederfde inkomsten – zo de man stelt.

Nu de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat de man aan de op hem rustende verplichting ingevolge artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden heeft voldaan, had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling dienaangaande nader te onderbouwen. Zonder afdoende uitleg, die ontbreekt, valt in het licht van hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, niet te rijmen dat de man met ingang van september 2004 plotseling twee bedragen (in plaats van één bedrag) is gaan betalen, waarvan één bedrag nog steeds op de rekening waarvan niet is betwist dat deze voor het betalen van de kosten van de huishouding werd gebruikt en, met ingang van het moment dat de vrouw volledig stopte met werken, een bedrag van € 500,-- op een andere rekening ten name van de vrouw. Gelet op het vorenstaande heeft de man zijn stelling dat hij over de periode van 1999 tot en met 2004 aan de op hem, ingevolge artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, rustende verplichting heeft voldaan en de verschuldigde bijdrage (wel) heeft voldaan, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij, hetgeen tot de conclusie leidt dat de vordering van de vrouw zal worden toegewezen.

6.3.

Verrekening als gevolg van opgave fictieve bezittingen IB 2011

Nu de vrouw haar verzoek tot betaling door de man van € 471,-- ter zake van opgave van fictieve bezittingen ter zitting niet heeft gehandhaafd, behoeft dit punt geen verdere bespreking.

7. In het feit dat partijen gewezen levensgezellen zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

7 De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de zaak met kenmerk C/13/537734 / FA RK 13-1773

7.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats], thans gemeente [naam gemeente], op [datum];

7.2.

bepaalt dat de man € 1.000,-- (duizend euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3.

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2014 € 417,-- (vierhonderdenzeventien euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen;

Ten aanzien van de zaak met kenmerk C/13/557970 / FA RK 14-343

7.4.

bepaalt dat de vrouw, indien zij ten tijde van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning te [adres] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;

7.5.

bepaalt dat de vrouw aan de man over de periode met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand tot en met zes maanden na deze datum een gebruikersvergoeding dient te betalen in verband met het gebruik van de echtelijke woning van € 317,80 per maand;

7.6.

bepaalt in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap dat de woning aan het [adres], onder de gehoudenheid de hierop rustende hypotheek voor zijn rekening te nemen;

7.7.

veroordeelt de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling van een bedrag van € 23.319,-- (drieëntwintigduizend en driehonderd en negentien euro) aan de vrouw;

7.8.

bepaalt dat partijen krachtens voormelde verrekening verder over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden;

7.9.

verklaart voormelde nevenvoorziening ten aanzien van het bepaalde in 7.2., 7.3., 7.4., 7.5., 7.6., 7.7. en 7.8. uitvoerbaar bij voorraad;

7.10.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.11.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. R.M. Troost, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.T.C. Duijzer, griffier, op 16 juli 2014.1

De griffier is buiten staat

de beschikking te tekenen.

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.