Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5403

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
AMS 13-6831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking halfwezenuitkering vanwege wijziging Anw. Eiser is geen nabestaande; geen recht op Anw-uitkering. Geen strijd met het IVRK, artikel 1 van het EP, artikel 18 van het ILO-Vedrag 121, de artikelen 21 en 22 van het ILO-Verdrag 128 en het gelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/6831

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Klijnstra),

en

[verweerder], verweerder

(gemachtigde: mr. M.W.W. van den End).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de halfwezenuitkering van eiser per 1 oktober 2013 beëindigd.

Bij besluit van 21 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens verweerder is tevens verschenen J.Y. van den Berg.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Sinds 30 augustus 2012 woont eiser met zijn zus,[appellante], samen. Op 21 september 2012 is eisers zus overleden. De twee minderjarige dochters van zijn zus, [appellanten], verblijven bij eiser. Op 20 november 2012 heeft eiser een aanvraag om een halfwezen- en/of nabestaandenuitkering bij verweerder ingediend.

1.2. Bij besluit van 10 april 2013 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een nabestaandenuitkering toe te kennen, omdat eisers partner is overleden binnen één jaar nadat hij met haar is gaan samenwonen. Op het moment van samenwonen was de partner al ernstig ziek, waardoor de kans groot was dat eisers partner binnen een jaar zou komen te overlijden.

Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluit van eveneens 10 april 2013 heeft verweerder per 1 april 2013 een halfwezenuitkering aan eiser toegekend van € 265,76 netto per maand.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de halfwezenuitkering van eiser per 1 oktober 2013 beëindigd.

1.5. Tegen dit laatste besluit heeft eiser wel bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat op 1 juli 2013 enkele bepalingen van de Algemene nabestaandenwet (Anw) zijn gewijzigd. Eiser is verzorger van een ongehuwd kind dat jonger is dan 18 jaar en dat niet tot het huishouden van een ander behoort, maar hij is zelf geen nabestaande in de zin van de Anw. Om die reden heeft eiser aansluitend op de intrekking van de halfwezenuitkering vanaf 1 oktober 2013 geen recht op een (verhoogde) nabestaandenuitkering.

Wettelijk kader

2.1. Vóór 1 juli 2013 kende de Anw drie uitkeringen: de nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de wezenuitkering. Nabestaanden hadden -voor zover van belang- recht op een nabestaandenuitkering ter hoogte van maximaal 70% van het netto-minimumloon als zij kinderen jonger dan 18 jaar verzorgden. Een ouder of verzorger met een thuiswonend kind onder de 18 jaar, waarvan één van beide ouders overleden is (een halfwees), had recht op een aparte halfwezenuitkering ter hoogte van 20% van het nettominimumloon.

2.2. Op 1 juli 2013 zijn enkele bepalingen van de Anw gewijzigd als gevolg van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB. Deze wijziging voorziet in het integreren van de halfwezenuitkering in de nabestaandenuitkering. Met deze integratie wordt een hoge en een lage nabestaandenuitkering geïntroduceerd en vervalt de halfwezenuitkering als aparte uitkering. Nabestaanden met tot hun huishouding behorende kinderen jonger dan 18 jaar ontvangen een hoge nabestaandenuitkering ter hoogte van 90% van het nettominimumloon. Nabestaanden zonder tot hun huishouding behorende kinderen blijven een nabestaandenuitkering ter hoogte van 70% van het nettominimumloon ontvangen. De nabestaandenuitkering wordt afhankelijk van de leefsituatie van de nabestaande en is niet langer primair gekoppeld aan de halfwees, maar aan de nabestaande verzorgende ouder. Hierdoor wordt aangesloten bij het behoefteprincipe dat ten grondslag ligt aan de Anw: een minimumvoorziening voor nabestaanden die zelf niet door arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het vervallen van de aparte halfwezenuitkering betekent een vereenvoudiging van de regelgeving en daardoor een vermindering van de uitvoeringskosten.

2.3. Bij het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 10 april 2013 is komen vast te staan dat eiser geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. Dit is overigens ook niet in geschil. In geschil is de vraag of de nationale wet- en regelgeving buiten toepassing moet worden verklaard of dat de nabestaandenuitkering op grond van internationaal recht tot uitbetaling moet komen. De rechtbank zal die vraag beantwoorden op grond van een exceptieve toetsing van hetgeen namens eiser is aangevoerd.

Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

3.1. Eiser heeft aangevoerd dat het laten vervallen van de aparte halfwezenuitkering in strijd is met de artikelen 2, 3 en 27 van het IVRK. Op grond van de bepalingen van het IVRK dient de overheid de belangen van kinderen te waarborgen. Het maken van onderscheid op de in artikel 2, eerste lid, van het IVRK aangegeven punten jegens kinderen is alleen toegestaan als hiermee een in het kader van het IVRK geoorloofde doelstelling wordt nagestreefd en als het betreffende onderscheid een geschikt en jegens kinderen evenredig te achten middel vormt om dit doel te bereiken. Eiser meent dat hiervan geen sprake is. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 24 januari 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV0197).

3.2. In artikel 2, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid eerbiedigen en waarborgen zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd.

3.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

3.4. Artikel 27, eerste lid, van het IVRK bepaalt dat de Staten die partijen zijn, het recht erkennen van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, de primaire verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Ingevolge het derde lid nemen de Staten die partij zijn, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienst staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

3.5. De rechtbank overweegt dat artikel 2, eerste lid, van het IVRK geen algemeen discriminatieverbod ten aanzien van kinderen bevat, maar dat het voorschrijft dat de in het IVRK beschreven rechten van kinderen zonder discriminatie moeten worden gewaarborgd. Daarbij gaat het inhoudelijk met name om het eerbiedigen en waarborgen van het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind (artikel 27, eerste lid, van het IVRK). Dit betekent dat ieder kind recht heeft op minimale (basis)voorzieningen. Deze bepaling is zodanig ruim geformuleerd, dat zij geen concrete verplichting voor Nederland met zich brengt om een halfwezenuitkering in het leven te roepen of te handhaven. De halfwezenuitkering vormde ook geen primaire inkomstenbron, maar (slechts) een aanvullende bijdrage in de kosten voor kinderen. Het is bovendien niet de enige aanvullende bijdrage daarin, nu daarvoor ook nog andere regelingen bestaan, zoals het kindgebonden budget en kinderbijslag.
In het verlengde hiervan kan artikel 27, eerste lid, van het IVRK ook niet (zonder meer) leiden tot een individuele, in rechte afdwingbare aanspraak op een uitkering ten behoeve van halfwezen.

3.6. Artikel 3, eerste lid, van het IVRK, waarin is bepaald dat de belangen van kinderen de eerste overweging vormen, heeft in dit verband geen aanvullende werking op de reeds besproken artikelen. Van strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste lid, en artikel 27, eerste en derde lid, van het IVRK is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

3.7. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiser op de artikelen 2, 3 en 27 van het IVRK niet.

Artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)

4.1. Eiser heeft aangevoerd dat een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van gehuwden/samenwonenden en kinderen van ouders die niet of niet meer samenwoonden ten tijde van het overlijden. Het maken van een dergelijk onderscheid is volgens eiser in strijd met de hierboven vermelde bepalingen nu voor dit onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dat Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

4.3. Artikel 1 van het Twaalfde protocol EVRM luidt:

“1. The enjoyment of any right set forth by law shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.

2.

No one shall be discriminated against by any public authority on any ground such as those mentioned in paragraph 1.”

4.4.

Artikel 26 van het IVBPR bepaalt dat allen gelijk zijn voor de wet en zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet.

4.5.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat er door de wetswijziging van de Anw ten aanzien van kinderen van wie één der ouders is overleden een onderscheid wordt gemaakt naar de samenwoonsituatie dan wel gehuwdenstatus van de ouders ten tijde van het overlijden van de ouders. De nabestaande is in artikel 1, onder d, van de Anw gedefinieerd als: de echtgenoot die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet. Als echtgenoot wordt in artikel 3, tweede lid, van de Anw aangemerkt: de meerderjarige ongehuwde die met een andere meerderjarige ongehuwde een gezamenlijke huishouding voert. In artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw is bepaald dat geen recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande wiens echtgenoot is overleden binnen een jaar nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs moest doen verwachten. In de regelgeving wordt dus een onderscheid gemaakt tussen enerzijds echtgenoten alsmede de partners die tenminste een jaar een gezamenlijke huishouding met de overledene hebben gevoerd, en anderzijds echtgenoten of partners die korter dan een jaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd terwijl door de gezondheidstoestand van de laatste het overlijden binnen dat jaar na aanvang van de samenwoning redelijkerwijs te verwachten was. De eerste groep heeft aanspraak op een nabestaandenuitkering, en de laatste niet. Eiser behoort tot die laatste groep, zoals verweerder heeft vastgesteld bij zijn rechtens onaantastbare besluit van 10 april 2013.

4.6.

De eerste groep genoemd in de vorige alinea verkeert onder andere omstandigheden dan de tweede groep. Dat betekent dat de kinderen van de eerste groep ook in andere omstandigheden verkeren dan de tweede groep. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dus geen sprake.

Hieraan voegt de rechtbank nog toe dat voor het gemaakte onderscheid ook een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De voorwaarde dat de nabestaande en de overledene gedurende een jaar gehuwd of samenwonend moeten zijn geweest om voor een uitkering in aanmerking te komen wordt al sinds jaar en dag in de Anw, en daarvoor de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) gehanteerd, en heeft tot doel misbruik van de regeling te voorkomen. De rechtbank wijst in dit verband op de Memorie van Toelichting behorende bij de AWW (1958-1959, 5390, nr. 3, pagina 44).

4.7.

Gelet op het voorgaande, slaagt het beroep van eiser op artikel 14 van het EVRM niet. Toetsing aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 van het IVBPR leidt niet tot een ander resultaat.

Artikel 1 Eerste Protocol (EP)

5.1.

Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van een inbreuk op zijn eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het EP. Volgens eiser heeft de inbreuk op het eigendomsrecht geen legitieme doelstelling in het algemeen belang, nu hij geen enkele aanspraak op een nabestaandenuitkering heeft omdat hij geen nabestaande is. Dit terwijl hij als niet-nabestaande wel recht had op een halfwezenuitkering. Niet is gebleken dat het algemeen belang erbij gebaat is dat de halfwezenuitkering voor niet-nabestaanden wordt afgeschaft. Verder meent eiser dat hem geen toereikende compensatie is geboden. De gewenningsperiode van zes maanden staat in schril contrast tot de duur van de halfwezenuitkering. Eiser stelt, onder verwijzing naar het arrest Asmundsson van 12 oktober 2004, dat slechts een kleine groep van halfwezen wordt getroffen door de wettelijke maatregel. Volgens eiser is er dan ook geen sprake van een rechtvaardig evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de rechten van het individu.

5.2.

Artikel 1 van het EP bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

5.3.

Onder de term ‘eigendom’ (of ‘possessions’) worden niet alleen bestaande bezittingen verstaan, maar ook vermogensbestanddelen. Vastgesteld kan worden dat eiser voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de Anw een bestaand recht had op een halfwezenuitkering. Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet en de toepassing hiervan bij het bestreden besluit is eiser dit recht ontnomen, zodat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Getoetst dient dan ook te worden of aan de in artikel 1 van het EP geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan.

5.4.

Een van de voorwaarden die in genoemd artikel wordt gesteld is dat de ontneming dient te zijn gebaseerd op in de wet neergelegde voorwaarden. Gelet op de gewijzigde bepalingen van de Anw per juli 2013 als gevolg van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB, is aan deze voorwaarde voldaan.

5.5.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of deze eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang. Wat het doel van de wetswijziging betreft heeft verweerder verwezen naar de wetgever. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 318, nr. 3, pagina 5-7) hield de vervallen halfwezenuitkering het midden tussen een uitkering om te voorzien in een minimuminkomen en een uitkering voor de kosten van kinderen. Voor de tegemoetkoming in de kosten voor kinderen zijn er andere regelingen. De wetgever heeft ervoor gekozen de halfwezenuitkering ook het karakter van een minimuminkomensvoorziening te geven door integratie met de nabestaandenuitkering. Door de wetswijziging wordt de nabestaandenuitkering afhankelijk van de leefsituatie van de nabestaande en de wetswijziging leidt tot een vereenvoudiging van de regelgeving en tot een vermindering van de uitvoeringskosten. Gegeven deze toelichting, en met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de overheid in sociale zekerheidszaken heeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het afschaffen van de halfwezenuitkering niet een legitiem doel in het algemeen belang wordt nagestreefd en evenmin dat het gekozen middel niet passend zou zijn.

5.6.

Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet er een behoorlijk evenwicht worden behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Aan dit vereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredig zware last (“an individual and excessive burden”) moet dragen. Zie hiervoor de EHRM-arresten inzake Asmundsson van 12 oktober 2004 (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-67030) en Moskal van 15 september 2009 (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-94009).

5.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van “an individual and excessive burden”. Daarbij is allereerst van belang dat in het geval van eiser geen sprake is van een intrekking van zijn primaire inkomstenbron (zoals bij Asmundsson het geval was), maar het gaat om een intrekking van een (aanvullende) bijdrage in de totale kosten die kinderen met zich mee brengen. Verder blijkt uit het besluit van 10 april 2013 dat eiser per 1 september 2012 een halfwezenuitkering van € 265,76 netto per maand heeft ontvangen, zodat het door eiser ondervonden financiële nadeel beperkt is. Daarbij komt dat eiser aanspraak op andere voorzieningen kan maken (zoals kinderbijslag). Mocht eisers inkomen onvoldoende toereikend zijn, dan bestaat bovendien de mogelijkheid om een kindgebonden budget aan te vragen. Die laatste vormen van financiële ondersteuning gelden ook voor andere ouders/verzorgers die geen nabestaande zijn en die minderjarige kinderen te hunnen laste hebben. Eiser wordt dus niet anders behandeld dan een grote groep andere ouders/verzorgers.

5.8.

Daar komt bij dat verweerder bij het besluit tot toekenning van de halfwezenuitkering aan eiser reeds heeft meegedeeld dat die uitkering per 1 oktober 2013 wordt beëindigd als gevolg van de wetswijziging. Bovendien heeft verweerder een gewenningsperiode van zes maanden in acht genomen en eisers halfwezenuitkering per 1 oktober 2013 beëindigd. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680), van oordeel dat een dergelijke overgangstermijn in overeenstemming is te achten met artikel 1 van het EP.

Om die reden is de rechtbank eveneens van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de afschaffing van de halfwezenuitkering en de invoering van de hoge nabestaandenuitkering in zijn algemeenheid tot een excessieve last leidt.

5.9.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de intrekking van de halfwezenuitkering niet strijdig is met artikel 1 van het EP.

Ongelijke behandeling van ongelijke gevallen

6.1.

Eiser heeft niet alleen gewezen op de financiële verslechtering van zijn situatie, maar hij heeft ook benadrukt dat er zijns inziens geen reden is om hem anders te behandelen dan ouders/verzorgers die wel nabestaande zijn en die minderjarige kinderen te hunnen laste hebben.

6.2.

Eiser gaat eraan voorbij dat hij in termen van de Anw wèl een nabestaande is, maar op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, onder a, van de Anw niet in aanmerking kan komen voor een nabestaandenuitkering. Zoals hiervoor onder 4.6. al is opgemerkt, is eisers geval niet gelijk aan de gevallen waarin de nabestaande en de overledene gedurende een jaar hebben samengewoond. Dat wil echter nog niet zeggen dat van discriminatie of strijd met het gelijkheidsbeginsel in het geheel geen sprake kan zijn.

6.3.

In de uitspraak van 26 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362) heeft de Raad met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overwogen dat dit algemene rechtsbeginsel er allereerst toe verplicht om gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid. De Raad heeft daarbij verwezen naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, volgens welke discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, zich slechts voordoet bij een overduidelijke onevenredigheid (onder andere de arresten van 19 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5353, en 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572). De Raad sluit zich bij deze rechtspraak aan. Ook de rechtbank neemt deze rechtspraak tot uitgangspunt.

6.4.

De vraag is vervolgens of de wetswijziging waarbij de halfwezenuitkering is vervallen ertoe leidt dat nabestaanden die een minderjarig kind verzorgen en minder dan een jaar gehuwd zijn geweest dan wel een gezamenlijke huishouding hebben gevormd met de overleden partner enerzijds ten opzichte van nabestaanden die een minderjarig kind verzorgen en wel ten minste een jaar gehuwd zijn geweest of een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd met de overleden partner anderzijds, overduidelijk onevenredig worden behandeld, nu de laatste groep recht heeft op een hoge nabestaandenuitkering en de eerste groep niet.

6.5.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend, en verwijst daarvoor kortheidshalve naar hetgeen hiervóór onder 4.6 is overwogen, alsmede naar hetgeen is overwogen ten aanzien van (het ontbreken van) een “individual and excessive burden”. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake is van overduidelijke onevenredigheid, ook al kan aan eiser worden toegegeven dat ook een andere keuze van de wetgever denkbaar was geweest.

Verdrag nr. 121 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO-Verdrag 121) en Verdrag nr. 128 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO-Verdrag 128)

7.1.

Eiser heeft aangevoerd dat artikel 18, eerste lid, van het ILO-Verdrag 121 en artikel 21 en 22 van het ILO-Verdrag 128 verplichten tot het verstrekken van een uitkering aan kinderen die ten laste kwamen van de overledene. De uitkering moet worden verstrekt zolang de (half)wees als ten laste komend kind wordt beschouwd.

7.2.

De rechtbank overweegt dat in internationale verdragen, waaronder de ILO-Verdragen 121 en 128, geen bepaling is aan te wijzen, zijnde een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, die ertoe strekt aanspraak te geven op een (afzonderlijke) uitkering ten behoeve van halfwezen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de Raad van 1 oktober 1997 (ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7231) en van 10 maart 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8192). Aan de ILO-Verdragen 121 en 128 kan eiser geen aanspraak ontlenen aan een halfwezenuitkering.

7.3.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de intrekking van de halfwezenuitkering niet in strijd is met artikel 18, eerste lid, van het ILO-Verdrag 121 en artikel 21 en 22 van het ILO-Verdrag 128.

Conclusie

8.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. L.C. Bachrach en mr. T.P.J. de Graaf, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.

griffier

voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op:

D: B

SB