Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
HA ZA 13-1575
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stichting Milieuwerk vorderde in deze schadestaatprocedure een bedrag van ongeveer EUR 600.000,- van vervoerder Faraaz B.V., vanwege het niet bezorgen door Faraaz B.V. van afgedankte wasmachines, koelkasten en dergelijke bij een regionaal sorteercentrum. Stichting Milieuwerk is daardoor een vergoeding per afgedankte machine misgelopen. De rechtbank oordeelt echter dat Stichting Milieuwerk het in verband daarmee door haar gestelde schadebedrag, onvoldoende heeft onderbouwd. Op basis van een proces-verbaal van het interregionale milieuteam van de politie, begroot de rechtbank vervolgens de schade die Stichting Milieuwerk als gevolg van het onrechtmatig handelen van Faraaz B.V. heeft geleden op een bedrag van EUR 60.000,-. De vordering van de Stichting Milieuwerk wordt tot dat bedrag toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/551756 / HA ZA 13-1575

Vonnis van 16 juli 2014

in de zaak van

de stichting

STICHTING MILIEUWERK,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. W. Tijsseling te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FARAAZ B.V.,

gevestigd te Purmerend,

gedaagde,

advocaat mr. L.J.P.E. Donckers-Corten te Breda.

Partijen zullen hierna Stichting Milieuwerk en Faraaz worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 oktober 2013, waarbij aan Faraaz een gespecificeerde staat van de te vereffenen schade is betekend, tot voldoening waarvan Faraaz bij vonnis van 30 januari 2013 (zaaknummer / rolnummer: 464597 / HA ZA 10-2302) ten behoeve van Stichting Milieuwerk is veroordeeld, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 22 januari 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2014, met de daarin genoemde productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 30 januari 2013 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat Faraaz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een tussen Faraaz en Stichting Milieuwerk bestaande overeenkomst en is Faraaz veroordeeld de schade die Stichting Milieuwerk daardoor heeft geleden te vergoeden, op te maken bij staat. De voor de onderhavige schadestaatprocedure relevante feiten zijn de volgende.

2.2.

Stichting Milieuwerk houdt zich onder meer bezig met het afvoeren en verwerken van afgedankt wit- en bruingoed (wasmachines, koelkasten en dergelijke).

2.3.

Voor het afvoeren van door detaillist BCC ingenomen wit- en bruingoed, van het distributiecentrum van BCC te [plaats] naar het regionaal overslagstation Amsterdam (hierna: ROS Amsterdam, ook wel genoemd regionaal sorteercentrum, RSC Amsterdam), hebben BCC en Stichting Milieuwerk een overeenkomst gesloten, welke overeenkomst op enig moment is verlengd. De overeenkomst waarbij de samenwerking tussen BCC en Stichting Milieuwerk is verlengd vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

PARTIJEN

1. Contractgever: BCC (…)

en

2. Contractnemer: Stichting Milieuwerk –in de hoedanigheid van uitvoerder in opdracht van het Afval Energie Bedrijf (hierna te noemen AEB) voor de exploitatie van het ROS Amsterdam- gevestigd te Amsterdam, (…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam 1].

(…)

Artikel 2 Vervoer

Contractnemer is verantwoordelijk voor het dagelijks (binnen <24> [wijziging in de overeenkomst met pen en paraaf] uur) vervoer van het door BCC ingenomen wit- en bruingoed in het kader van de “oud voor nieuw” regeling vanaf het distributiecentrum BCC te [plaats] naar het ROS Amsterdam.

(…)

Artikel 7 Vergoedingen

De in deze overeenkomst beschreven diensten zullen om niet worden uitgevoerd.

Artikel 8. Hergebruik.

Contractnemer krijgt binnen de wettelijke kaders <recht op> [toevoeging in contract met pen en paraaf] hergebruik van ingenomen wit-en bruingoed.

2.4.

Op 15 december 1999 heeft Stichting Milieuwerk voor de uitvoer van het transport van het wit- en bruingoed van BCC naar ROS Amsterdam, een overeenkomst gesloten met [naam 2] (hierna: [naam 2]). In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

overwegende:

- dat [naam 2] heeft aangegeven dat hij een transportbedrijf wil oprichten, zodat uitstroom uit de I/D-baan verwezenlijkt kan worden.

(…)

III Opdracht tot transport:

De Stichting Milieuwerk zal als opdrachtgever alle transporten vanaf distributiecentrum BCC te [plaats] naar aan te geven ROS-locatie, gunnen aan het nieuw op te zetten transportbedrijf van [naam 2].

(…)

Vergoedingen, betalingen en eigendom

Als tegenprestatie zegt de Stichting Milieuwerk toe dat [naam 2] de eerste recht op koop krijgt van het wit- en bruingoed dat aangeboden wordt door de detaillist BCC in het kader van de oud voor nieuw-regeling tegen een geïndexeerde prijs van ƒ8,- per item exclusief koelapparaten.

Deze apparaten mogen alléén gebruikt worden voor hergebruik ten behoeve van de 2e handshandel, kringloopbedrijven e.d. (geen eindverwerking)

Alle niet doorverkochte apparaten dienen zonder uitzondering afgeleverd te worden bij de ROS-locatie.

Van zowel de her te gebruiken alswel de af te leveren apparaten dient de administratie dagelijks en maandelijks ingeleverd te worden. De administratie zal aan de voorwaarden dienen te voldoen zoals omschreven in de overeenkomsten tussen de Stichting Milieuwerk en de NVMP/GDA.

Alle categorieën wit-en bruingoed afkomstig van de detaillist BCC is eigendom van de Stichting Milieuwerk, alleen na koop door [naam 2] zal het eigendom overgaan.(…)

2.5.

Op 18 juli 2001 heeft Stichting Milieuwerk met de Gemeente Amsterdam, Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking (hierna: GDA) een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

In aanmerking nemende

(…)

9. dat een nieuwe installatie voor ROS Amsterdam wordt gebouwd op het terrein van de GDA aan [adres 1];

(…)

11. dat Stichting Milieuwerk in opdracht van GDA de werkzaamheden van ROS Amsterdam alsdan zal gaan uitvoeren in en op deze nieuwe installatie.

Verklaren te zijn overeengekomen

Artikel 1 Definities

(…)

Producenten:

Producenten en importeurs van wit- en bruingoed vallende onder het Besluit Verwijdering Wit- en Bruingoed d.d. 21-4-1998.

Regionaal overslagstation (ROS)

een centraal overslagpunt van (samenwerkende) gemeente(n), dat voor Producten een inname-, opslag- en overslagfunctie kan vervullen.

(…)

Artikel 3 Taken en werkzaamheden van Stichting Milieuwerk

3.1

Stichting Milieuwerk draagt met haar werknemers op de sub overweging 9 vermelde locatie (…) zorg voor de werkzaamheden op ROS Amsterdam conform de overeenkomst voor het innemen, controleren, sorteren, registreren, opslaan en overslaan van Producten (…)

Artikel 7 Eigendom

7.1

Alle op ROS Amsterdam aanwezige wit- en bruingoed is eigendom van GDA.

7.2

Stichting Milieuwerk heeft, ingeval van producthergebruik van ingezamelde producten, het eerste recht van koop. Stichting Milieuwerk betaalt hiervoor aan GDA tenminste de geldende NVMP en VICTN vergoeding.

Artikel 8 Vergoedingen en betalingen

8.1

GDA betaalt Stichting Milieuwerk een vergoeding 75% van de door de Producenten aan GDA per product betaalde vergoeding voor de door ROS Amsterdam verwerkte Producten.(…)

2.6.

In 2004 is Faraaz opgericht, [naam 2] is daarvan de bestuurder. Faraaz is door partijen in de plaats van [naam 2] gesteld met betrekking tot de tussen Stichting Milieuwerk en [naam 2] gesloten overeenkomst.

2.7.

Indien door Faraaz het recht van eerste koop werd uitgeoefend, dan liepen de inkoop en de betalingen via de Stichting Snoer, een administratief orgaan ten behoeve van Stichting Milieuwerk.

2.8.

In 2007 heeft het interregionale milieuteam van de recherche Noord, West en Midden-Nederland (hierna: het interregionaal milieuteam) een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke overtredingen van de Wet Economische Delicten en de afvalstoffenwetgeving, waarbij Faraaz/[naam 2] en Stichting Milieuwerk als verdachten zijn aangemerkt. In het kader van dat onderzoek is de administratie van Faraaz in beslag genomen en onderzocht. Een door het interregionaal milieuteam opgesteld proces-verbaal met betrekking tot het onderzoek van de administratie van Faraaz vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

Onderzoek IJzerafval:

(…)

Door ons werd het kasboek 2007 vergeleken met de aangetroffen stortingsbonnen.

(…)

Wij zagen dat Faraaz B.V. ijzerafval tot 06-04-2007 verkocht aan [bedrijf 1]. Vanaf deze datum gaat het ijzer afval vervolgens eerst af en toe en later frequenter naar [bedrijf 2].

Wij zagen dat voor 999.019 kg ijzerafval in het jaar 2007, tot en met augustus 2007, € 140.920,21 werd ontvangen.”

2.9.

Naar aanleiding van het onderzoek van het interregionaal milieuteam hebben Stichting Milieuwerk en Faraaz/[naam 2] aanvullende afspraken gemaakt, die in een brief van 31 augustus 2007 van Stichting Milieuwerk aan [naam 2] zijn vastgelegd. Die aanvullende afspraken hielden onder meer in dat Stichting Milieuwerk, voor de periode van 1 september 2007 tot 1 januari 2008, voor het vervoer door Faraaz van het wit- en bruingoed vanaf het distributiecentrum naar het ROS Amsterdam een bedrag van EUR 250,- per rit zou betalen. Tevens werd afgesproken dat Faraaz geen wit- en bruingoed voor oud-ijzerprijzen meer mocht doorverkopen en dat alle machines die door BCC werden ingenomen zouden worden afgevoerd naar ROS Amsterdam.

2.10.

In 2007 is Milieuwerk Soreon B.V. (hierna: Milieuwerk Soreon) opgericht. [naam 1], die tevens lid is van het bestuur van Stichting Milieuwerk, is bestuurder van Milieuwerk Soreon.

2.11.

Op 27 september 2007 hebben Milieuwerk Soreon en de gemeente Amsterdam, Afval Energie Bedrijf (hierna: AEB) een “Overeenkomst beheer regionaal sorteercentrum Amsterdam 4a” gesloten. Deze overeenkomst vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

In aanmerking nemende

(…)

6. dat Milieuwerk (Soreon, rechtbank) de werkzaamheden van RSC Amsterdam (lees: ROS Amsterdam, rechtbank) zal uitvoeren op de locatie [adres 1];

(…)

Verklaren te zijn overeengekomen

(…)

Artikel 3 Taken en werkzaamheden van Milieuwerk

3.1

Milieuwerk draagt met haar werknemers vanaf 1 mei 2006 conform deze overeenkomst zorg voor de werkzaamheden op RSC Amsterdam bestaande uit (…) het innemen, transporteren, controleren, sorteren, registreren, opslaan en overslaan van Producten.

(…)

Artikel 8 Vergoedingen en betalingen

8.1

AEB betaalt Stichting Milieuwerk een vergoeding van (prijspeil 2007) € 56,65 exclusief BTW per ton over de door de Milieuwerk op het RSC ingenomen en verwerkte Producten.

(…)

Artikel 10 Duur en beëindiging van de overeenkomst

10.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor de periode vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst tot 1 januari 2010. Deze overeenkomst wordt tevens geacht van toepassing te zijn voor de periode vanaf 1 mei 2006 tot de datum van ondertekening.

(…)

Artikel 14 Deze overeenkomst

14.1

Deze overeenkomst bevat alle te dezer zake tussen partijen gemaakte afspraken en vervangt alle eerdere afspraken tussen partijen met ingang van 1 mei 2006.

2.12.

Per 1 februari 2008 is door Milieuwerk Soreon voor het transport van wit- en bruingoed van BCC naar ROS Amsterdam/RSC Amsterdam geen gebruik meer gemaakt van de diensten van Faraaz. Vanaf die datum is daarvoor een andere transporteur, Icova, ingehuurd.

2.13.

BCC heeft per 1 juli 2008 de met Stichting Milieuwerk gesloten overeenkomst opgezegd.

2.14.

In 2009 is Faraaz een procedure tegen Stichting Milieuwerk gestart, waarin door Faraaz betaling van openstaande facturen werd gevorderd. Bij vonnis van
14 oktober 2009 heeft de rechtbank Amsterdam die vordering afgewezen, omdat Stichting Milieuwerk zich mocht beroepen op haar opschortingsrecht in verband met de door Stichting Milieuwerk gestelde vordering op Faraaz uit onrechtmatige daad.

2.15.

Bij dagvaarding van 6 juli 2010 is Stichting Milieuwerk bij deze rechtbank een bodemprocedure tegen Faraaz gestart. Die procedure heeft geleid tot het hiervoor onder 2.1 vermelde (eind)vonnis van 30 januari 2013. In een daaraan voorafgaand tussenvonnis van 2 november 2011 heeft deze rechtbank het volgende, voor zover hier van belang, overwogen:

4.4. Met Milieuwerk is de rechtbank van oordeel dat, nu de vordering schade betreft die zou zijn ontstaan als gevolg van het (niet volgens afspraak uitvoeren van het) vervoer, niet van belang is wie de eigendom van de goederen toekwam. Faraaz heeft niet betwist dat de Gemeente Amsterdam op basis van artikel 8 van de overeenkomst van 18 juli 2001 tussen de gemeente en Milieuwerk voor de afgeleverde producten een vergoeding diende te betalen aan Milieuwerk. Op basis van de overeenkomst tussen Milieuwerk en [naam 2]/Faraaz, bestond er voor Faraaz een eerste recht van koop van te vervoeren producten die in aanmerking kwamen om hergebruikt te worden. Alle overige producten dienden afgeleverd te worden bij het RSC en van zowel de her te gebruiken als de afgeleverde goederen diende een administratie door Faraaz opgesteld te worden. Milieuwerk heeft gesteld dat er buiten medeweten van Milieuwerk, goederen naast de overeengekomen mogelijkheden van koop van/via Milieuwerk of aflevering op het RSC naar elders vervoerd werden. Dit zou betekenen dat hierdoor de door de Gemeente Amsterdam aan Milieuwerk betaalde vergoeding lager was, omdat de vergoeding werd berekend op basis van het aantal afgeleverde producten. Milieuwerk is hiermee dan ook in haar belangen getroffen en daarmee ook ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank overweegt verder nog dat Milieuwerk haar vordering alleen heeft gebaseerd op de schade die zij heeft geleden door het mislopen van de vergoeding die zij van de Gemeente Amsterdam ontving voor de afgeleverde producten en niet op de door haar te ontvangen prijs per verkocht product.

(…)

4.9.

Faraaz betwist niet dat zij direct (afval)producten heeft ingenomen bij BCC. Deze handelwijze is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel in strijd met de daarover met Milieuwerk gemaakte (schriftelijke) afspraken. Weliswaar heeft Faraaz het recht op eerste koop van het door BCC aangeboden wit- en bruingoed, echter blijkens de overeenkomst tussen Milieuwerk en Faraaz stond het Faraaz niet vrij om rechtsreeks, zonder Milieuwerk daarin te betrekken, (afval)producten af te nemen van BCC.

3 Het geschil

3.1.

Stichting Milieuwerk vordert samengevat - veroordeling van Faraaz tot vergoeding van de schade die in deze schadestaatprocedure door de rechtbank zal worden vastgesteld, welke schade door Stichting Milieuwerk op een bedrag van in totaal EUR 604.488,16 wordt begroot. Tevens vordert Stichting Milieuwerk dat Faraaz wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2.

Faraaz voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt is dat in het vonnis van 30 januari 2013 reeds voor recht is verklaard dat Faraaz tekort is geschoten in de nakoming van de tussen Faraaz en Stichting Milieuwerk gesloten overeenkomst en dat Faraaz daarbij is veroordeeld de schade die Stichting Milieuwerk daardoor heeft geleden te vergoeden, op te maken bij staat. In de onderhavige schadestaatprocedure is derhalve slechts aan de orde de vraag hoe hoog de door Stichting Milieuwerk geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van Faraaz is.

4.2.

Stichting Milieuwerk begroot haar schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van Faraaz op een bedrag van in totaal EUR 604.488,16. In de bij de dagvaarding aan Faraaz betekende schadestaat heeft Stichting Milieuwerk die schade als volgt berekend:

a. schade geleden in de periode van 1 januari 2006 tot met 30 september 2007, bestaande uit de vergoeding van GDA/AEB die Stichting Milieuwerk is misgelopen doordat Faraaz wit- en bruingoed van het distributiecentrum van BCC niet naar het ROS Amsterdam/RSC Amsterdam heeft vervoerd:

- in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006:
2332 ton x EUR 60,- = EUR 139.920,-

- in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2007:

9/12 x 2332 ton x EUR 60,- = EUR 104.940,-,

b. schade geleden als gevolg van het opzeggen van de overeenkomst door BCC per 1 juli 2008, vanwege de malversaties door Faraaz. Stichting Milieuwerk stelt daardoor vanaf 1 juli 2008 reguliere aanvoer van BCC te zijn misgelopen. Deze schade begroot Stichting Milieuwerk:

- voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008 op:

 reguliere aanvoer van BCC van 0,5 maal de jaaraanvoer van 1500 ton

(0,5 x 1500 x EUR 60,-) = EUR 45.000,-,

 de helft van de anders door Faraaz of een andere transporteur

aangevoerde 2332 ton (0,5 x 2332 x EUR 60,-) = EUR 69.960,-,

- en voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 op:

 1500 ton x EUR 60,- = EUR 90.000,-

 2332 ton x EUR 60,- = EUR 139.920,-,

c. schade geleden doordat Stichting Milieuwerk, in de periode van juni 2010 tot heden, vanwege de procedure tegen Faraaz hoge advieskosten heeft moeten maken. Deze schade bedraagt volgens Stichting Milieuwerk EUR 14.748,16.

4.3.

Faraaz heeft betwist dat Stichting Milieuwerk de hiervoor onder 4.2 gestelde schade heeft geleden. Faraaz heeft in dat verband allereerst aangevoerd, althans zo begrijpt de rechtbank het verweer van Faraaz op dit punt, dat de vergoeding die Stichting Milieuwerk op grond van artikel 8.1 van de met GDA gesloten overeenkomst ontving (zie 2.5), 75% bedroeg van de vergoeding die de producenten van wit- en bruingoed per product aan GDA betaalden voor de door ROS Amsterdam verwerkte producten. Onder verwijzing naar artikel 7 van de tussen Stichting Milieuwerk en BCC gesloten overeenkomst (zie 2.3), en de omstandigheid dat Stichting Milieuwerk die overeenkomst heeft gesloten in haar hoedanigheid van uitvoerder en in opdracht van (het Afval Energie Bedrijf van) de gemeente Amsterdam, stelt Faraaz dat daaruit blijkt dat BCC geen vergoeding aan GDA (dus de gemeente) hoefde te betalen voor de producten van BCC die door ROS Amsterdam werden verwerkt. Indien BCC als producent geen vergoeding aan GDA betaalde, zo stelt Faraaz, ontving ook Stichting Milieuwerk daarvoor dus geen vergoeding van GDA (“75 % van niet is niets”) en heeft Stichting Milieuwerk geen schade geleden doordat producten van BCC door Faraaz niet op ROS Amsterdam zijn afgeleverd.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overeenkomst tussen Stichting Milieuwerk en BCC niet méér worden gehaald dan dat BCC voor het vervoer door Stichting Milieuwerk van wit- en bruingoed naar ROS Amsterdam geen vergoeding aan Stichting Milieuwerk betaalde. Uit die overeenkomst blijkt niet dat GDA geen vergoeding van BCC ontving. De door BCC aan GDA te betalen vergoeding, die bovendien niet zag op het vervoer naar maar op de verwerking van het wit- en bruingoed door ROS Amsterdam, wordt in die overeenkomst niet genoemd. Voor vereenzelviging van Stichting Milieuwerk en de gemeente bestaat geen aanleiding, het betreft twee verschillende rechtspersonen, met gescheiden inkomstencircuits. Daarnaast heeft Faraaz, tegenover de gemotiveerde betwisting door Stichting Milieuwerk, geen stukken overgelegd die haar stelling dat BCC geen vergoeding aan GDA betaalde, anderszins ondersteunen. In die stelling wordt Faraaz dan ook niet gevolgd.

4.5.

Faraaz heeft verder, onder verwijzing naar de tussen AEB en Milieuwerk Soreon op 27 september 2007 gesloten overeenkomst, aangevoerd dat Milieuwerk Soreon met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 de partij is die met AEB, dan wel GDA, ten aanzien van de werkzaamheden op ROS Amsterdam/RSC Amsterdam een overeenkomst heeft gesloten, dat Milieuwerk Soreon op grond van die overeenkomst met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2006 de partij is die recht heeft op een vergoeding van AEB/GDA voor de op het ROS Amsterdam/RSC Amsterdam ingenomen en verwerkte producten, dat Milieuwerk Soreon niet dezelfde partij is als Stichting Milieuwerk en dat Stichting Milieuwerk dus, met terugwerkende kracht, voor de periode na 1 mei 2006 geen schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen, aldus Faraaz.

4.6.

Faraaz wordt daarin gevolgd voor zover het de in deze procedure gevorderde schade vanaf 27 september 2007 betreft, zijnde de datum van de ondertekening en feitelijke aanvang van de overeenkomst tussen AEB en Milieuwerk Soreon. Van belang daarvoor is dat de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter comparitie begrijpt, dat in elk geval vanaf 27 september 2007 de werkzaamheden in ROS Amsterdam/RSC Amsterdam onder verantwoordelijkheid van Milieuwerk Soreon zijn uitgevoerd en dat zij ook vanaf die datum de partij is die daarvoor de vergoedingen van GDA/AEB heeft ontvangen. Stichting Milieuwerk verwerkt sindsdien dus geen producten meer voor GDA op ROS Amsterdam. Waarom Stichting Milieuwerk in die situatie toch ook ná 27 september 2007 schade heeft geleden als gevolg van het handelen van Faraaz, heeft Stichting Milieuwerk tegenover de gemotiveerde betwisting door Faraaz onvoldoende onderbouwd. Stichting Milieuwerk wordt ook niet gevolgd in haar stelling ter comparitie dat in het vonnis van de rechtbank van 2 november 2011 al is aangenomen dat partijen ook na omzetting van de rechtsvorm waarin zei optraden feitelijk steeds dezelfde partijen waren. In dit vonnis is immers slechts geoordeeld dat Faraaz in de plaats is gesteld van [naam 2]. Over Stichting Milieuwerk en Milieuwerk Soreon staat daar niets vermeld. De door Stichting Milieuwerk gevorderde schadevergoeding voor de periode vanaf 27 september 2007, zijnde voornamelijk de gestelde schade voor de periode 1 juli 2008 tot en met 31 december 2009 (zie 4.2, onder b) zal reeds daarom worden afgewezen. Daar komt nog bij, dat Stichting Milieuwerk naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende heeft onderbouwd dat BCC de overeenkomst met Stichting Milieuwerk heeft opgezegd vanwege, zoals door Stichting Milieuwerk gesteld, de malversaties van Faraaz. Enig stuk dat die stelling ondersteund, heeft Stichting Milieuwerk tegenover de gemotiveerde betwisting door Faraaz niet overgelegd. Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat Stichting Milieuwerk ook vanaf 27 september 2007 nog steeds de partij is die als gevolg van de opzegging door BCC schade lijdt, dan wel mede schade lijdt, ook dan is de gevorderde schadevergoeding voor de periode van 1 juli 2008 tot en met
31 december 2009 naar het oordeel van de rechtbank daarom niet toewijsbaar.

4.7.

Anders wordt geoordeeld ten aanzien van de door Stichting Milieuwerk gevorderde schadevergoeding die ziet op de periode vóór 27 september 2007. Stichting Milieuwerk is geen partij bij de overeenkomst die op 27 september 2007 tussen Milieuwerk Soreon en AEB is gesloten. Die overeenkomst zet hetgeen Stichting Milieuwerk en GDA zijn overeengekomen dus niet vanaf 1 januari 2006 al opzij. Voor de periode dat Stichting Milieuwerk uitvoering gaf aan de op 18 juli 2001 met GDA gesloten overeenkomst, zijnde tot 27 september 2007, kon zij jegens GDA dus nog steeds aanspraak maken op de in artikel 8.1 van die overeenkomst vermelde vergoeding en kan zij dus jegens Faraaz ook aanspraak maken op schadevergoeding als zij door het handelen van Faraaz deze vergoeding heeft mis gelopen. Dat Milieuwerk Soreon en AEB in de op 27 september 2007 gesloten overeenkomst terugwerkende kracht tot 1 mei 2006 zijn overeengekomen, maakt dat niet anders. Zoals zelf door Faraaz aangevoerd, is Stichting Milieuwerk immers niet dezelfde partij als Milieuwerk Soreon en, zoals hiervoor overwogen, is Stichting Milieuwerk geen partij bij de overeenkomst met AEB. Die terugwerkende kracht is daarmee dus niet van toepassing in de rechtsverhouding tussen Stichting Milieuwerk en GDA en doet ook dus nog niet de aanspraak van Stichting Milieuwerk op Faraaz tot vergoeding van de door haar geleden schade vervallen. Voor een andersluidend oordeel heeft Faraaz onvoldoende gesteld.

4.8.

Voor de berekening van de door haar hiervoor onder 4.2, onder a. gestelde schade, heeft Stichting Milieuwerk gebruik gemaakt van gegevens van de Nederlandse Vereniging Verwijdering Metalektro Producten (NVMP). Door NVMP is geregistreerd het aantal kilo wit- en bruingoed dat onder andere bij AEB is aangeleverd. Stichting Milieuwerk heeft op basis van de gegevens van NVMP de periode januari 2007 tot en met juni 2007 vergeleken met de periode januari 2008 tot en met juni 2008, dit omdat vanaf februari 2008 geen gebruik meer is gemaakt van de diensten van Faraaz en vanaf toen een andere transporteur is ingezet. Op basis van die gegevens stelt Stichting Milieuwerk dat in de periode van 1 januari 2007 tot en met eind juni 2007, toen nog wel gebruik werd gemaakt van de diensten van Faraaz, 1.165.920 kilo wit- en bruingoed minder aan AEB is aangeboden dan in dezelfde periode in 2008. Stichting Milieuwerk stelt dat daaruit blijkt dat Faraaz in het jaar 2006 in totaal 2332 ton wit- en bruingoed van BCC illegaal heeft verkocht aan eindverbruikers. Uitgaande van een misgelopen vergoeding van EUR 60,- per ton, komt Stichting Milieuwerk voor het jaar 2006 aldus op een schadebedrag van EUR 139.920,-. Voor de periode van januari 2007 tot en met 30 september heeft Stichting Milieuwerk haar schade op een bedrag van EUR 104.940,- berekend, waarbij voor laatstgenoemde periode is uitgegaan van 9/12 deel van voormelde 2332 ton per jaar als het aantal kilo’s wit- en bruingoed van BCC dat Faraaz niet bij AEB maar bij eindverbruikers heeft bezorgd.

4.9.

Faraaz heeft gemotiveerd betwist dat de door Stichting Milieuwerk opgestelde berekening van de schade juist is. Op basis van haar eigen afleverbonnen komt zij voor het jaar 2007 tot een andere hoeveelheid wit- en bruingoed dat door haar van het distributiecentrum van BCC naar ROS Amsterdam is vervoerd dan hetgeen wordt vermeld in het door Stichting Milieuwerk opgestelde overzicht. Ter comparitie heeft Faraaz verder aangevoerd dat als rekening wordt gehouden met de transportkosten en de nog niet door Stichting Milieuwerk betaalde factuur van Faraaz van EUR 17.700,-, de schade van Stichting Milieuwerk op nul uitkomt.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat de berekening van Stichting Milieuwerk van haar schade voor de periode van januari 2006 tot en met september 2007, teveel onduidelijkheden en onvoldoende verifieerbare aannames om op basis daarvan, en gelet op de gemotiveerde betwisting door Faraaz, het door haar gestelde schadebedrag te kunnen toewijzen. Zo ontbreken voor het jaar 2006 concrete gegevens over het aantal kilo’s wit- en bruingoed dat bij ROS Amsterdam is aangeleverd en zijn in het geheel geen gegevens overgelegd over het aantal kilo’s witgoed dat BCC in 2006 en 2007 op haar distributiecentrum voor vervoer naar ROS Amsterdam aan Faraaz heeft aangeboden. Daarnaast zijn de overzichten die Stichting Milieuwerk als productie 7 en 8 heeft overgelegd onvoldoende inzichtelijk om de daaruit door Stichting Milieuwerk voor de jaren 2006 en 2007 getrokken conclusies over de misgelopen hoeveelheden wit- en bruingoed zonder meer te kunnen volgen. Ook de als productie 10 door Stichting Milieuwerk overlegde grafiek, die ziet op alle in de periode 1999 tot en met 2007 door ROS Amsterdam/RSC Amsterdam verwerkte producten, dus niet alleen het wit –en bruingoed dat door Faraaz vanaf BCC naar ROS Amsterdam/RSC Amsterdam werd vervoerd, is daarvoor onvoldoende. Ten aanzien van de door Faraaz daartegenover gestelde berekening geldt hetzelfde. Ook die berekening, welke Stichting Milieuwerk op haar beurt heeft betwist, heeft Faraaz onvoldoende inzichtelijk onderbouwd.

4.11.

Nu de door partijen aangedragen berekeningen onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk zijn, terwijl echter aannemelijk wordt geacht dat Stichting Milieuwerk schade heeft geleden, zal de rechtbank de door Stichting Milieuwerk in de periode van 1 januari 2006 tot en met 27 september 2007 geleden schade aan de hand van de beschikbare gegevens zelf schatten.

4.12.

Voor de periode van 1 januari 2006 tot en met december 2006 is de rechtbank daarbij van oordeel dat er door Stichting Milieuwerk onvoldoende gegevens zijn aangedragen om de door haar in dat jaar als gevolg van het onrechtmatig handelen van Faraaz geleden schaden te kunnen schatten. Gegevens over de hoeveelheid wit- en buitengoed dat in het jaar 2006 door BCC voor vervoer aan Faraaz is aangeboden of dat door Faraaz op ROS Amsterdam voor verwerking is aangeboden, zijn door Stichting Milieuwerk immers niet overgelegd. De door Stichting Milieuwerk gevorderde schadevergoeding voor het jaar 2006 zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.13.

De schade voor de periode van 1 januari 2007 tot 27 september 2007 zal worden begroot aan de hand van het door Stichting Milieuwerk overgelegde proces-verbaal van het interregionaal Milieuteam (zie 2.8.). In dat proces-verbaal, althans het gedeelte daarvan dat door Stichting Milieuwerk in deze procedure is overgelegd, melden de verbalisanten dat zij het kasboek van Faraaz voor het jaar 2007 hebben vergeleken met de aangetroffen stortingsbonnen en dat zij daarbij hebben gezien dat Faraaz in het jaar 2007, tot en met augustus 2007, voor 999.019 kg ijzerafval aan schroothandelaren heeft geleverd. Afgerond komt dat neer op 1.000 ton. Nu het Faraaz op grond van de met Stichting Milieuwerk gesloten overeenkomst niet was toegestaan om bij gebruikmaking van het recht van eerste koop het door BCC aangeboden wit- en bruingoed te leveren aan schroothandelaren (eindverwerkers) kan deze 1.000 ton, anders dan door Faraaz aangevoerd, ook niet via Stichting Snoer, het administratieve orgaan van Stichting Milieuwerk, zijn ingekocht. De rechtbank gaat er daarom, bij gebreke van een door Faraaz onderbouwde andere herkomst van die 1.000 ton, vanuit dat het hier gaat om het wit- en bruingoed dat Faraaz in strijd met de overeenkomst met Stichting Milieuwerk vanaf het distributiecentrum van BCC niet bij ROS Amsterdam/RSC Amsterdam heeft afgeleverd en waarvoor Stichting Milieuwerk een vergoeding is misgelopen.

4.14.

Stichting Milieuwerk is bij de berekening van haar schade, uitgegaan van een misgelopen vergoeding van EUR 60,- per ton. Faraaz heeft de juistheid van dit bedrag weliswaar betwist, maar Faraaz wordt daarin niet gevolgd. Ook indien, zoals aangevoerd door Faraaz, word uitgegaan van de in overeenkomst tussen Stichting Milieuwerk en GDA opgenomen vergoeding per stuk, en de vergoeding van fl. 8,- (EUR 3,63) die Faraaz bij de uitoefening van het recht van eerste koop aan Stichting Snoer betaalde, komt het bedrag per ton, uitgaande van het door Faraaz ter comparitie genoemde aantal van 16 stuks per ton, ongeveer uit op een waarde van het wit- en bruingoed van EUR 60, - per ton. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Stichting Milieuwerk dan ook voldoende onderbouwd dat de vergoeding die zij GDA ontving, ongeveer EUR 60,- per ton bedroeg.

4.15.

Het voorgaande levert de volgende schatting van de door Stichting Milieuwerk in de periode van 1 januari 2007 tot 27 september 2007 geleden schade op:
1.000 ton x EUR 60,- misgelopen vergoeding per ton = EUR 60.000,-. Faraaz zal tot betaling aan Stichting Milieuwerk van dit schadebedrag worden veroordeeld.

4.16.

Stichting Milieuwerk heeft ten slotte nog een bedrag van EUR 14.748,16 als door haar als gevolg van het onrechtmatig handelen van Faraaz geleden schade gevorderd (zie 4.2, onder c,). Dit schadebedrag ziet op hoge advieskosten die Stichting Milieuwerk in verband met de procedure tegen Faraaz, in de periode van juni 2010 tot heden, stelt te hebben gemaakt. Enige onderbouwing van dit bedrag heeft Stichting Milieuwerk tegenover de gemotiveerde betwisting door Faraaz, echter niet overgelegd. Deze schadepost zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.17.

Faraaz zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het door Stichting Milieuwerk gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten, waaronder het te vergoeden griffierecht, aan de zijde van Stichting Milieuwerk naar billijkheid op basis van het toegewezen bedrag en derhalve op:

- dagvaarding EUR 73,44

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.697,44

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Faraaz om aan Stichting Milieuwerk te betalen een bedrag van EUR 60.000,- (zestigduizend euro),

5.2.

veroordeelt Faraaz in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Milieuwerk tot op heden begroot op EUR 3.697,44,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.1

1 type: PJvVcoll: