Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5334

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
13/710021-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Mercedes II. Veroordeling tot 3 jaar gevangenisstraf voor witwassen en deelname aan een criminele organisatie die oplichting, verduistering en witwassen als doel had. Verdachte heeft samen met anderen de door een medeverdachte door middel van oplichting verkregen bedragen weggesluisd. Daarbij zijn in sommige gevallen harde middelen gebruikt, als van andere betrokkenen medewerking moest worden afgedwongen. De aan verdachte ten laste gelegde afpersing acht de rechtbank echter niet bewezen.

Op een onderdeel wordt de tenlastelegging nietig verklaard. Het verweer tot uitsluiting voor het bewijs van een meervoudige fotoconfrontatie wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/710021-11 (Promis)

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, te plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 augustus 2011, 23 november 2011 en de inhoudelijke behandeling op 17 juni 2014, 18 juni 2014, 24 juni 2014, 26 juni 2014 en 30 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. J.M. Kees en D. Kruimel, (hierna genoemd: officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

1.1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, verduistering, (gewoonte)witwassen en/of afpersing (feit 1), afpersing (feit 2), (gewoonte)witwassen (feit 3) en (poging tot) witwassen dan wel verduistering (feit 4).

1.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

Hierna in dit vonnis zullen de (mede)verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [rechtspersoon 1] en de rechtspersonen [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 2] respectievelijk worden aangeduid als: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [B.V. 1], [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2].

2 Voorvragen

2.1

Geldigheid van de dagvaarding

2.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de tenlastelegging wat feit 4 betreft nietig moet worden verklaard, omdat op geen enkele wijze een concreet handelen van verdachte wordt gesteld. Daarmee is de tenlastelegging op dit punt zo ruim en weinig concreet geformuleerd dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv).

2.1.2

Het oordeel van de rechtbank

Uit de in feit 4 primair opgenomen (dikgedrukte) zinsnede “ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om” kan worden afgeleid dat de steller van de tenlastelegging een pogingsvariant beoogt. Het vervolg van de tekst van de tenlastelegging sluit hierop echter niet aan, nu de werkwoordsvormen “verborgen en/of verhuld” veeleer duiden op een voltooid delict. Ook indien de rechtbank deze werkwoordsvormen verbeterd zou lezen, in die zin dat zij wel zouden aansluiten bij de kennelijk bedoelde pogingsvariant, ontbreekt een concrete verfeitelijking van het handelen waaruit de poging zou moeten hebben bestaan. Een dergelijke concrete feitelijke omschrijving zou wel in de rede liggen, nu het zinsverband die verwachting schept en omdat deze normaliter bij pogingsdelicten in de tenlastelegging wordt opgenomen.

De conclusie luidt dat op grond van deze tenlastelegging voor verdachte onvoldoende kenbaar is of kan zijn welk verwijt hem wordt gemaakt. De dagvaarding is voor dit deel (feit 4 primair) dan ook een obscuur libel en daarmee nietig.

2.2

Vormverzuim bevoegdheid ex art. 126a Sv

2.2.1

Het standpunt van de verdediging

De ruime bevoegdheid van art 126a Sv is in deze zaak bij het verzoek aan het verhuurbedrijf toegepast voor gegevens waarop deze geen betrekking heeft. Daarmee wordt de bevoegdheid gebruikt voor een doel waarvoor deze niet is bedoeld. Om die reden is sprake van een vormverzuim. Adequate compensatie voor dit verzuim is in dit geval het uitsluiten van de gegevens van het verhuurbedrijf en de gegevens met betrekking tot het telefoonnummer eindigend op [nummer 1].

2.2.2

Het oordeel van de rechtbank

Wat er ook zij van het gestelde vormverzuim en de door de raadsman voorgestelde bewijsuitsluiting, de rechtbank stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de auto heeft gehuurd en daarbij het bewuste telefoonnummer heeft opgegeven. Daarmee ontbreekt het belang voor de verdediging bij bespreking van het verweer.

2.3

Meervoudige fotoconfrontatie

2.3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de meervoudige fotoconfrontatie met getuige [persoon 1] niet kan worden gebruikt als bewijsmiddel. De overige figuranten wijken qua uiterlijk sterk van verdachte en het door [persoon 1] opgegeven signalement af. Daarnaast is de twijfelachtige verklaring van [persoon 1] in strijd met de richtlijn meervoudige fotoconfrontatie. Dit leidt ertoe dat sprake is van een onrechtmatige bewijsgaring met betrekking tot deze fotoconfrontatie, die onverenigbaar is met een eerlijke procesvoering. De gevolgde werkwijze strekt immers tot beïnvloeding van [persoon 1] met het oog op de door hem af te leggen verklaring.

2.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Naar zijn aard is het verweer van de raadsman een formeel verweer. De rechtbank zal het verweer dan ook in deze rubriek bespreken. De raadsman heeft in verband met de meervoudige fotoconfrontatie met getuige [persoon 2] vergelijkbare opmerkingen gemaakt, maar daaraan niet dezelfde conclusie verbonden, zodat dat verweer hier geen bespreking behoeft.

De eventuele aanwezigheid van verschillen tussen het door het slachtoffer opgegeven signalement en het uiterlijk van de bij de confrontatie aan het slachtoffer getoonde personen levert geen verzuim op dat tot bewijsuitsluiting zou kunnen leiden. De richtlijn meervoudige fotoconfrontaties is er namelijk op gericht de betrouwbaarheid en deugdelijkheid van de uitkomst van confrontaties te vergroten. Het door de raadsman gestelde verschil tast die betrouwbaarheid niet aan. Daarbij geldt dat een opsporingsinstantie een bepaalde verdachte op basis van andere objectieve aanwijzingen dan alleen het door een slachtoffer opgegeven signalement in het vizier kan krijgen. Onder die omstandigheden behoeft het opgegeven signalement niet leidend te zijn bij het verdere onderzoek. Sterker nog, de verdedigingsrechten zouden in een dergelijke situatie meer worden gerespecteerd, indien het uiterlijk van de desbetreffende verdachte als uitgangspunt wordt genomen.

Met de raadsman constateert de rechtbank dat bij de in de fotoconfrontatie afgebeelde personen verschillen qua haardracht bestaan. Er zijn personen bij met lang haar met veel volume, met lang haar met weinig volume, en met korter haar. Ook hebben personen een baard en/of snor, terwijl anderen niet dergelijke gezichtsbeharing hebben. Daar staat tegenover dat de afgebeelde personen qua geslacht, leeftijd, etnische afkomst, huidskleur en haarkleur geen grote of in het oog springende verschillen vertonen. Geen van hen wijkt in het bijzonder van de anderen af, ook verdachte niet. Onder die omstandigheden is geen sprake van een fotoconfrontatie die strijdig is met een eerlijke procesvoering en niet zou mogen bijdragen aan het bewijs.

De in de visie van de raadsman twijfelachtige verklaring van de getuige [persoon 1] maakt dit niet anders. De verbalisant heeft naar zijn taak geverbaliseerd wat de getuige heeft verklaard. Dat kan geenszins tot een onrechtmatigheid leiden. Of de verklaring van de getuige naar zijn inhoud tot enig bewijs kan leiden, vergt een inhoudelijk bewijsbeoordeling en afweging, die is voorbehouden aan de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De dagvaarding is voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunten

3.1.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren genoemd in zijn pleitnota.

Deze verweren bespreekt de rechtbank hierna – indien nodig – in haar oordeel.

De rechtbank zal hierna bij de relevante feiten en omstandigheden telkens feiten en omstandigheden weergeven die zij afleidt uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen.

3.2

Bespreking feiten

3.2.1

Vrijspraak afpersing [persoon 1] (feit 2)

Een belangrijke kern van de ten laste gelegde afpersing van [persoon 1] vormt het gegeven dat de daders hem zouden hebben bedreigd met geweld. Als bewijs voor die kern zijn in het dossier in feite slechts de verklaringen van [persoon 1] zelf aanwezig. De overige inhoud van het dossier kan slechts in ondergeschikte, ondersteunende zin bijdragen aan het bewijs. In het voorname aandeel dat de verklaringen van [persoon 1] voor het bewijs zouden moeten hebben, ziet de rechtbank aanleiding deze nader te beschouwen, zoals ook de raadsman van verdachte heeft bepleit.

Aannemelijk is dat een groep personen, bestaande uit – in ieder geval - [verdachte], [medeverdachte 4] en eenmaal [medeverdachte 3], bezoeken aan [persoon 1] heeft gebracht en dat het hun daarbij te doen was om de administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van de Hongaarse bedrijven [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 1] van [medeverdachte 5], die op dat moment gedetineerd was geraakt. Gelet op de hoogte van het op deze rekeningen geboekte bedrag was het belang voor deze groep groot.

De rechtbank stelt vast dat aan [persoon 1], zoals blijkt uit het dossier, naderhand een bedrag van € 100.000 is overgemaakt, afkomstig van het geld op de Hongaarse rekeningen. Deze betaling is opmerkelijk. Uitgaande van de verklaring van de getuige moet het immers ervoor worden gehouden dat van hem eerst op dreigende wijze bankgegevens zouden zijn afgeperst, maar zouden de daders van die afpersing hem vervolgens een groot geldbedrag hebben geschonken. Deze opeenvolging van gebeurtenissen is niet zonder meer logisch of begrijpelijk.

Als gevolg van deze overboeking is de getuige ook zelf als verdachte aangemerkt. Het is ook niet zo dat getuige uit eigen beweging meteen na het zich voordoen van de beweerde bedreigingen aangifte daarvan heeft gedaan.

Daar komt bij dat [persoon 1] zich in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op vragen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Hierdoor is de verdediging een mogelijkheid onthouden haar ondervragingsrecht te effectueren en is de rechtbank minder dan wenselijk is in staat de verklaring nader te wegen en te beoordelen.

Met de officier van justitie onderkent de rechtbank dat er weliswaar objectieve gegevens zijn die aansluiten bij wat de getuige heeft verklaard. Die gegevens zien echter alle op elementen die niet tot de genoemde kern van het verwijt behoren.

De conclusie luidt dat in het bijzonder ten aanzien van de geweldskern van het ten laste gelegde aan de verklaringen van [persoon 1] niet die bewijswaarde toekomt die deze verklaringen op grond van het voorname bewijsaandeel zouden moeten hebben. Daarmee is sprake van onvoldoende bewijs. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

3.2.2

Vrijspraak poging tot verduistering (feit 4 subsidiair)

Onder feit 4 subsidiair is de poging tot verduistering van het bedrag van € 8.990.280,00 dat verband houdt met aangifte 4, de zaak [persoon 3], ten laste gelegd. In het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de rechtbank geoordeeld dat dit bedrag door middel van oplichting is verkregen op de rekening van [persoon 3]. Het ten laste gelegde, dat kennelijk ziet op de poging tot overboeken van dit geldbedrag naar een volgende rekening, heeft als bestanddeel dat dit geldbedrag “anders dan door misdrijf” is verkregen. Daar is gelet op de herkomst uit oplichting, een misdrijf, geen sprake van. Nu dat bestanddeel niet bewezen kan worden verklaard, moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

3.2.3

Ten aanzien van feit 3:

3.2.3.1 Relevante feiten en omstandigheden

In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [persoon 4]. Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [persoon 4]). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [rechtspersoon 1] en een deel van € 2.430.000,00 aan [rechtspersoon 2].

[medeverdachte 5], de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [persoon 1] te Heerewaarden.

Een groep personen, onder wie [verdachte], [medeverdachte 4] en eenmaal [medeverdachte 3], heeft in de daaropvolgende periode meermalen bezoeken gebracht aan [persoon 1]. Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 4], en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [persoon 1] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [persoon 1] langsgegaan om hem assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.

De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 5] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [persoon 1] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.

3.2.3.2 Het oordeel van de rechtbank

Overwegingen met betrekking tot het daderschap van verdachte

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de getinte persoon dan wel Marokkaan uit de verklaringen van [persoon 1] is geweest, die in verband met de rekeningen van [medeverdachte 5] meermalen bij [persoon 1] op bezoek is geweest.

De rechtbank acht de verklaringen van [persoon 1] ten aanzien van dit feit wel voldoende van gewicht om voor het bewijs te worden gebruikt. Anders dan hiervoor ten aanzien van feit 2 gold, zijn de verklaringen van [persoon 1] voor dit feit minder cruciaal en beslissend. Bovendien vinden de verklaringen in vele (objectieve) onderzoeksbevindingen en verklaringen steun. Zo zijn er: a) de gegevens over de tijd en locatie van de overboekingen vanaf de rekeningen van [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2], b) de gegevens over de verstrekking van de dubbele simkaart van het telefoonnummer van [medeverdachte 5], c) het belcontact op 3 november 2010 met het bedrijf van [persoon 1] en d) de overboeking ten gunste van de getuige ([naam]). Deze gegevens sluiten alle aan op de verklaringen van de getuige. Dat geldt ook voor de verklaringen van [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], de vrouw en de zonen van [persoon 1], [persoon 5] (ten aanzien van de dubbele simkaart) en [persoon 6] en [persoon 7] (ten aanzien van de escrow-overeenkomst).

Zoals bij de voorvragen weergegeven, ziet de rechtbank geen formele beletselen voor het gebruik van de meervoudige fotoconfrontatie met [persoon 1] voor het bewijs. Inhoudelijk ziet zij die ook niet. Met de raadsman stelt de rechtbank weliswaar vast dat de getuige bij zijn herkenning niet stellig is. De rechtbank acht echter ook de volgende bewijsmiddelen van belang, en daarmee meer bewijsmiddelen dan de raadsman heeft opgesomd.

- de registratie van de zwarte BMW op naam van de zus van verdachte, in combinatie met de gegevens van de staandehoudingen met betrekking tot die auto, waaronder de staandehouding anderhalf uur voor een van de ontmoetingen bij [persoon 1];

- het belcontact op 3 november 2010 tussen het telefoonnummer eindigend op [nummer 2] en het bedrijf van [persoon 1];

- de eigen verklaring van verdachte dat hij dit telefoonnummer later dat jaar bij de huur van een Mercedes heeft opgegeven;

- de vondst van de aantekeningenbriefjes bij [medeverdachte 4] (inhoudende een nummer dat aan verdachte kan worden toegeschreven en het kenteken van de BMW);

- de vondst van het aantekeningenbriefje bij verdachte (inhoudende het woon- en het werkadres van [medeverdachte 4]).

Deze bewijsmiddelen, gezamenlijk en in onderling verband bezien, leveren voldoende bewijs op voor het daderschap van verdachte. De genoemde herkenning van verdachte door [persoon 1] wordt door die bewijsmiddelen ondersteund.

Verdachte heeft ter terechtzitting nog de volgende verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat het telefoonnummer dat hij opgaf bij het autoverhuurbedrijf, niet het nummer van zijn eigen telefoon was, maar het nummer van de telefoon die hij in de Mercedes zou laten, zodat de eigenaar van het autoverhuurbedrijf niet hemzelf maar degene die auto daadwerkelijk gebruikte aan de lijn zou krijgen. Ook heeft hij verklaard dat het briefje dat bij hem is aangetroffen in zijn brievenbus was gegooid. Hij heeft dit gevonden en op zijn tafel gelegd. Een paar dagen later vond bij hem thuis de doorzoeking plaats.

Deze verklaringen heeft verdachte eerst in een laat stadium van het proces afgelegd, waardoor hij de gelegenheid heeft gehad zijn verklaring af te stemmen op de voor hem belastende omstandigheden in het dossier. Deze verklaringen acht de rechtbank ook overigens niet aannemelijk.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte een van de personen is geweest die meermalen bij [persoon 1] langs zijn geweest in verband met de rekeningen van de Hongaarse bedrijven van [medeverdachte 5]. Van [persoon 1] hebben zij de gegevens verkregen, waarmee zij samen met de later afgegeven dubbele simkaart toegang konden verkrijgen tot de rekeningen. Vervolgens hebben zij daadwerkelijk bedragen overgeboekt.

Hieruit volgt dat verdachte als medepleger van het voorhanden hebben van het totaal van de naar de Hongaarse rekeningen overgemaakte bedragen kan worden aangemerkt. Door de verkrijging van de gegevens kreeg de groep toegang tot het geldbedrag en daarmee de mogelijkheid over dit bedrag te beschikken. Weliswaar was hiervoor ook de dubbele simkaart vereist, maar vastgesteld kan worden dat de groep nadat deze simkaart afgegeven was, overboekingen heeft verricht. Doordat zij over de geldbedragen konden beschikken, hadden zij deze in juridische zin voorhanden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte van de criminele herkomst van dit geldbedrag op de hoogte was. Het gaat hier om een geldbedrag van ruim € 5 miljoen. Die overboeking van een dergelijk bedrag naar een bedrijf in Hongarije zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare economische grondslag aanwezig is, roept zonder meer vragen op over de herkomst en rechtvaardigt een vermoeden van witwassen.

Er is niet gebleken van omstandigheden waarin verdachte het genoemde sterke witwasvermoeden ontzenuwd zou kunnen of mogen zien. Verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd die zijn goede trouw een begin van aannemelijkheid zou kunnen geven.

De rechtbank acht dan ook witwassen bewezen. Tegelijkertijd heeft verdachte van het geldbedrag de werkelijke aard en herkomst verhuld. Doordat het geldbedrag op een rekening van een katvanger in Hongarije stond, werd de werkelijke aard en herkomst versluierd. Deze omslachtige procedure kan zich ook slechts door dat kennelijke doel, het verhullen van die criminele herkomst, laten verklaren.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de bewezenverklaring noch het feitencomplex kan volgen dat sprake is van het maken van een gewoonte van witwassen. Daarvan zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken.

3.2.4

Ten aanzien van feit 1:

3.2.4.1 Relevante feiten en omstandigheden

[medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.

Verdachte komt in twee van deze zaaksdossiers naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten.

Feit 3:

In de eerste plaats bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op rekeningen van [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 1] te Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).

Ten aanzien van [persoon 2]

Een deel van dat bedrag, te weten € 1,95 miljoen, werd op 19 april 2010 vanaf de rekening van [rechtspersoon 2] overgeboekt naar de rekening van [persoon 2], die woonachtig is in [plaats 2] in Duitsland. Verdachte onderhield met [persoon 2] in de periode van 12 maart 2010 tot en met 19 mei 2010 telefonische contacten, bezocht [persoon 2] samen met een ander meermalen, en haalde daarbij op 26 april 2010 en 29 april 2010 delen van dat bedrag in contanten bij [persoon 2] op.

Ten aanzien van de rekening van [persoon 8]

Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] op 15 oktober 2010 bij de [locatie] te [plaats 1] van [persoon 9] het Hongaarse bankrekeningnummer van [persoon 8] ontvangen. Zij hadden, blijkens de verklaringen van [persoon 9] en [persoon 10], om een buitenlandse rekening gevraagd om daarop een groot geldbedrag te storten. Op 16 oktober 2010 heeft [medeverdachte 1] getracht een door middel van oplichting op de rekening van [persoon 3] verkregen geldbedrag over te boeken op de genoemde rekening van [persoon 8].

Ten aanzien van de rekeningen van [persoon 3] en [persoon 11]

In diezelfde periode stelden [persoon 3] en [persoon 11] hun bankrekening aan [persoon 12] ter beschikking, op verzoek van [persoon 12]. [persoon 12] handelde daarbij weer op verzoek van een zekere ‘[persoon 13]’. Hij had met zijn opdrachtgever [persoon 13] een ontmoeting, naar uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, op 17 september 2010 te Nijmegen, en diezelfde middag nog een ontmoeting met [persoon 13] en [persoon 3] bij een McDonalds te Beuningen. Bij beide ontmoetingen was verdachte aanwezig.

3.2.4.2 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs van daderschap ten aanzien van [persoon 2]

De rechtbank acht de meervoudige fotoconfrontatie met [persoon 2] bruikbaar en redengevend voor het bewijs. Dat de getuige [persoon 2] de dader die hij later heeft aangewezen als verdachte, heeft omschreven als een man met een oorring, doet daaraan niet af. Een oorring vormt een kenmerkend, maar ondergeschikt element in het uiterlijk van een persoon en kan eenvoudig worden afgedaan. Bovendien is, anders dan waar de raadsman in zijn verweer vanuit lijkt te gaan, voor het dragen van een oorring niet noodzakelijk dat deze door middel van een gaatje in het oor is bevestigd.

Getuige [persoon 2] is in zijn verhoor bij de RC opnieuw met de foto van verdachte geconfronteerd en heeft daarbij verdachte niet herkend. Getuige [persoon 2] is een oudere man die ten tijde van het verhoor met gezondheidsproblemen te kampen had. Daarin ziet de rechtbank aanleiding meer waarde te hechten aan de verklaring die de getuige eerder en korter na de feiten heeft afgelegd. Daar komt nog bij dat de herhaling van een reeds verrichte fotoconfrontatie met een verdachte voor de eerdere uitkomst geen verschil maakt. Verder staat de verklaring van [persoon 2] niet op zichzelf, maar vindt deze steun in andere objectieve onderzoeksgegevens.

Ook geeft wat hiervoor ten aanzien van feit 3 is vastgesteld en overwogen, steun aan het bewijs. Verdachte was immers op verschillende momenten en gedurende een periode van enkele weken betrokken bij het witwassen van de miljoenen op de rekeningen van [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2]. Het bedrag dat naar [persoon 2] werd overgemaakt, was afkomstig van de rekening van [rechtspersoon 2].

Ook weegt mee, zij het slechts in ondersteunende zin, dat verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk mondeling beïnvloeden van getuige [persoon 14], kennelijk om zichzelf in onderhavige zaak te ontlasten, door die [persoon 14] te zeggen om bij de RC te getuigen dat [persoon 14] [persoon 2] in contact geeft gebracht met [persoon 1]. Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van dit feit volgt dat [persoon 14] verdachte met [persoon 2] in contact bracht.

Ten aanzien van de rekening van [persoon 8] en [persoon 3] en [persoon 11]

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een van de personen was aan wie [persoon 9] de gegevens van de rekening van [persoon 8] heeft gegeven. De herkenning door [persoon 10] vormt daarvoor het belangrijkste bewijs. [persoon 10] heeft verklaard dat de persoon die hij later als verdachte heeft aangewezen, in een zwarte Mercedes reed. Verdachte heeft erkend in die periode een dergelijke auto te hebben gehuurd. Bovendien blijkt uit historische telefoongegevens dat een telefoon die aan verdachte kan worden toegeschreven, op de dag voor een van de ontmoetingen contact had met het nummer van de [locatie].

De zwarte Mercedes, en in het bijzonder het type daarvan (Mercedes 220 CDI), geeft ook steun aan het bewijs dat verdachte bij de ontmoeting tussen [persoon 13] en [persoon 12] en later tussen [persoon 13], [persoon 12] en [persoon 3], aanwezig is geweest. Het telefoonnummer dat aan verdachte kan worden toegeschreven, peilde ten tijde van de ontmoeting uit in de directe omgeving van de ontmoetingslocatie. Daarbij weegt mee dat verdachte, zoals uit het voorgaande blijkt, ook de rekening van [persoon 8] regelde. Van de rekening van [persoon 3], waarop de ontmoeting zag, werd later getracht geld over te maken op de rekening van [persoon 8]. Daaruit spreekt de logische verwevenheid van beide feiten.

Deelname aan criminele organisatie ruimer verwijt

De rechtbank stelt voorop dat de vrijspraak van feit 4 subsidiair en de nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van feit 4 primair er niet toe leiden dat wat zich op 15 oktober 2010 heeft voorgedaan (zoals hiervoor vastgesteld), niet kan bijdragen aan het oordeel van de rechtbank ter zake van het verwijt van deelname aan de criminele organisatie. Juridisch heeft het verwijt van deelname aan de criminele organisatie een ruimere reikwijdte. Dat volgt al uit het feit dat ook handelingen die op zichzelf geen strafbare gedragingen zijn, wel tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van deelname aan een criminele organisatie.

Conclusies

De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte was in maart en april 2010 op verschillende momenten en gedurende een periode van enkele weken betrokken bij het witwassen van een miljoenenbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen. In oktober 2010 heeft verdachte twee Nederlandse rekeningnummers en een buitenlands rekeningnummer geregeld ten behoeve van [medeverdachte 1], die later een deel van een volgend uit misdrijf verkregen miljoenenbedrag naar die rekening heeft trachten over te maken.

De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds door te kunnen gaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.

Uit het aandeel van verdachte bij de beide feiten kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ([medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], hijzelf en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde; hij was immers intensief bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken en haalde zelf contante geldbedragen bij hen op. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk.

Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 23 mei 2011 te [plaats 3] en Heerewaarden en Amersfoort en Nijkerk en Altforst en Hoenderloo en Putten en Zeewolde en elders in Nederland en in Hongarije en Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit de navolgende mededaders:

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2] en

- [medeverdachte 3] en

- [medeverdachte 4] en

- [medeverdachte 5] en

andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het oplichten van rechtspersonen (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en

- het (gewoonte)witwassen van geldbedrag(en) en voorwerpen uit misdrijf afkomstig (artikel 420 (ter/bis/quater) van het Wetboek van Strafrecht);

3.

in de periode van 19 maart 2010 tot en met 23 mei 2011, te [plaats 3] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders van een geldbedrag van in totaal € 5.279.000,00 (aangifte 1), bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 ([rechtspersoon 2]) en een deel van € 2.430.000,00 ([rechtspersoon 2]), de werkelijke aard en herkomst verborgen en verhuld en voornoemd geldbedrag verworven, voorhanden gehad en (gedeeltelijk) overgedragen en omgezet, terwijl hij en zijn mededaders, wisten dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 ½ jaar (66 maanden), met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft subsidiair, ten aanzien van de strafoplegging gepleit voor een straf die gelijk is aan het voorarrest, daarbij wijzende op de volgende omstandigheden.

  • -

    De mate waarin verdachte door de overtreding mogelijk voordeel heeft verkregen;

  • -

    De rol van verdachte ten opzichte van zijn mededaders;

  • -

    De financiële draagkracht van verdachte.

  • -

    Het recidivegevaar;

  • -

    De duur van de strafprocedure;

  • -

    De duur van de procedure in Frankrijk.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging wordt het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen en aan deelname aan een criminele organisatie. De criminele organisatie lichtte banken via valse optieposities voor miljoenen op, sluisde deze bedragen weg en nam deze vervolgens contant op.

Vanwege de miljoenen die zijn verkregen met de oplichtingsfeiten waaraan verdachte een aandeel had, gaat het om ernstige strafbare feiten. Daarnaast weegt zwaar dat deze feiten gedurende een geruime periode zijn gepleegd op een wijze die veel weg heeft van de handelwijze van de zware, doorgewinterde criminaliteit; namelijk in een omvangrijk internationaal georganiseerd verband op een geraffineerde en professionele wijze. Als reactie op deze feiten kan niet met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf worden volstaan.

De rechtbank weegt daarbij mee dat verdachte een aanzienlijke en intensieve rol vervulde binnen de criminele organisatie, en hij daarbij telkens als woordvoerder fungeerde.

Dankzij het ingrijpen van de banken is voorkomen dat de criminele organisatie het grootste gedeelte van de vele buitgemaakte miljoenen fysiek in handen kon krijgen en daarmee het witwasproces kon voltooien. ‘Slechts’ een bedrag van ruim drie miljoen1 van het totaal van € 44 miljoen kon niet meer worden achterhaald. Daarmee is de schade, hoewel groot, in belangrijke mate beperkt gebleven.

De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder onherroepelijk tot gevangenisstraffen is veroordeeld, maar niet in de afgelopen vijf jaar.

De rechtbank slaat acht op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan mede blijkt uit het daaromtrent opgemaakte reclasseringsrapport van 25 mei 2011. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat verdachte naar het zich laat aanzien nog geruime tijd in het buitenland in detentie zal moeten verblijven en hem tijdens dat verblijf weinig tot geen contact met zijn familie zal worden toegestaan. In die wrange omstandigheid en de overige persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding daarmee bij de strafmaat rekening te houden.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het afpersingsfeit niet bewezen en ook overigens acht zij het geweldselement binnen de organisatie niet voldoende aannemelijk geworden. Reeds daarom volgt de rechtbank de officier van justitie niet in zijn strafeis.

Al het voorgaande zorgvuldig afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Afwijzing vordering gevangenneming

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming van verdachte afwijzen. In een eerder stadium heeft de rechtbank onvoldoende gronden aanwezig geacht de voorlopige hechtenis van verdachte te laten voortduren, ook omdat uitgangspunt bij de behandeling van een strafzaak is en na de onderhavige veroordeling blijft dat een verdachte zijn onherroepelijke berechting in vrijheid kan afwachten. Dit veroordelende vonnis maakt dat niet anders. Ook is de op te leggen straf niet van die orde dat deze op zichzelf tot het een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis noopt. Daarbij weegt de rechtbank het aanzienlijke tijdsverloop mee, dat overigens niet aan het openbaar ministerie is te wijten.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde nietig.

Verklaart het onder 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

3.

medeplegen van witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.

Wijst de vordering tot gevangenneming van verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2014.

De oudste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.

1 € 3.491.772,-, zie AH7049, pag. 10.