Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5332

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
HA ZA 14-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres zegt de overeenkomst op na te late betaling door gedaagde. Gedaagde stelt dat de opzegging niet gerechtvaardigd, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was en betwist de opzeggingsvergoeding van € 650.000,00 verschuldigd te zijn. Zij beroept zich met name op een vordering die zij heeft op een aan eiseres verbonden vennootschap. De verweren falen: De beide vennootschappen drijven verschillende ondernemingen en zijn ook naar gedaagde toe voldoende duidelijk gescheiden gebleven. Eiseres heeft zich altijd verzet tegen verrekening en partijen hebben ook daadwerkelijk voor een andere betalingsregeling gekozen. Gedaagde moet de overeengekomen boete betalen. Geen handelsrente over boete, wettelijke rente verschuldigd na verzuim met betalen van de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/557436 / HA ZA 14-49

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SMQ GROUP B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. E.H. Boucher,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

GOGLIO S.P.A.,

gevestigd te [plaats] ([land]),

gedaagde,

advocaat mr. R.J. van Agteren.

Partijen zullen hierna SMQ en Goglio genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 januari 2014, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 23 april 2014, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 juli 2014,

  • -

    de brief van mr. Boucher naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de brief van mr. Van Agteren naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechtbank stelt vast, naar aanleiding van de brief van mr. Boucher, dat in het proces-verbaal een verschrijving is opgenomen. Mr. Boucher heeft van zijn aantekeningen ter zitting voorgedragen tot en met randnummer 6 en vanaf randnummer 12 tot en met randnummer 26 sub f. Het proces-verbaal is een korte zakelijke weergave van hetgeen ter zitting is gezegd. In de opmerkingen van mr. Van Agteren ziet de rechtbank geen aanleiding het proces-verbaal aan te passen.

2 De feiten

2.1.

SMQ is houdster van een aantal octrooien op het gebied van grootverpakkingen voor vloeibare voedingsmiddelen.

2.2.

SMQ is enig aandeelhoudster en bestuurder van de besloten vennootschap Qbig Packaging B.V. (hierna: Qbiq). Qbig is licentieneemster van SMQ met betrekking tot een aantal octrooien.

2.3.

SMQ, Goglio en Qbig zijn op 25 juni 2010 een licentieovereenkomst (hierna: de licentieovereenkomst) aangegaan voor de duur van 15 jaar. Die overeenkomst houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

3.b. Royalty-fee and Minimum Royalty. From the Effective Date [25 juni 2010, Rechtbank] and during the continuance of this Agreement until the termination […] the Parties agree that the Licensee [Goglio, Rechtbank] shall pay to SMQ, before the 30th of January of the year following each and all relevant calendar years: (1) a Royalty-fee based on an 8% royalty-rate […] (2) a Minimum Royalty of 50.000 Euros for the prior calendar year. This Minimum Royalty to be paid after the end of each specific calendar year shall be non-refundable, however, it may be set off or deducted against the Royalty-fees due after that specific calendar year by the Licensee according to Article 3.b (1) of this Agreement; if and insofar the Royalty-fees exceedes 50,000 Euros. All amounts payable by the Licensee to SMQ shall be paid by wire transfer of Euros in immediately available funds to such financial institution and account number as SMQ may designate in writing to the Licensee. The Parties shall be entitled, upon prior agreement in writing duly signed by representatives of all the Parties for each specific case, to exceptionally define a royalty-rate, in punctual cases, different from the fixed royalty rate (8%) set forth in this Article 3.b in connection with the Royalty-fee to be paid by the Licensee to SMQ.

3.c. The Parties agree that the fulfilment of the provisions set forth in Article

3.a and Article 3.b shall be substantial to this Agreement.

[…]

6. Purchase Commitments for Licensed Products. Within the licensed market segments as mentioned in Article 2 of this Agreement, QBIG shall purchase its requirements of Licensed Products items from the Licensee, requesting competitive pricing, quality, service, and technical capability. The Licensee will discuss and agree with QBIG by means of an agreement, separately from the present Agreement, the terms and conditions of the business relationship of these Parties, defining, among other provisions, the price list to be applied

upon the sales of the Licensed Products from the Licensee to QBIG.

[…]

26. Termination.

In the event either Party considers that any other Party to be in default of any provision of this Agreement, such Party shall provide notice in writing to the other specifically identifying the relevant part of the Agreement which has caused the breach or non-fulfilment of the Agreement, and the specific acts of the other Party which are believed to create a default. The Party to whom such notice is given shall have a term of sixty (60) days, from receiving the notice, to correct the matters or causes specified in the notice or otherwise correct such default. In the event such default cannot be corrected within the mentioned period of sixty (60) days, the notified Party shall inform the notifying Party to that effect and to immediately commence activity directed towards correction of such default and to diligently pursue the same until correction has occurred, unless the notifying Party has notified the defaulting Party in writing that the proposed cure or schedule is unacceptable. In the event such default is not cured, or such action taken and diligently pursued within said sixty-(60)-days period, or within such additional time as the notifying Party in its reasonable discretion may provide, does not succeed, the Party which has been aggrieved by such default may, without prejudice to any other legal or equitable right such Party may have with respect to the relevant default, terminate this Agreement by giving notice of termination, effective thirty (30) days after the expiration of the initial sixty-(60)-days cure period.

27. Break-up fee. The Parties agree that in the event this Agreement is terminated as a consequence of an attributable breach of contract by Licensee, or by unilateral decision of the Licensee, or by any other cause, the Licensee will be due and shall immediately pay to SMQ a Break-up Fee of seven-hundred fifty-thousand Euros (750,000) Euros, non-refundable and directly executable by SMQ, being accepted by SMQ as Break-up Fee for the termination of this Agreement and being the full and only compensation by the Licensee for any and all claims for damages suffered by SMQ and/or QBIG caused by such termination, expressly, except for (a) any payments or obligations of the Licensee towards QBIG and/or SMQ that the Parties have explicitly agreed in writing, upon signature by the representatives of the Parties, beyond the scope of this Agreement; (b) relevant Royalty-fees as set forth in Article 3 of this Agreement, whose payment has not been executed at the date of termination; and (c) all claims for damages relating to any right to or interest in any of the Patents. The Royalty-fees and Minimum Royalties, effectively paid and executed, by the Licensee to SMQ with respect to the calendar year 2011 and subsequent years shall be deductible from the Break-up Fee set forth in this Article, being each deduction effective upon the date of receipt of the relevant sum(s) by SMQ. […]

2.4.

Goglio kocht kunststof kranen van Qbig. Qbig kocht vervolgens van Goglio complete “liners” voorzien van die kranen. Tussen Qbig en Goglio bestond een rekening-courant verhouding.

2.5.

Op 31 januari 2013 zond SMQ een betalingsverzoek aan Goglio, met betrekking tot de licentiebetaling over 2012. Op 6 februari 2013 volgde een ingebrekestelling. De termijn van zestig dagen van artikel 26 van de overeenkomst verliep op 10 april 2013. Bij brief van 19 april 2013 zegde SMQ de licentieovereenkomst met Goglio op.

2.6.

Op 23 april 2013 voldeed Goglio aan SMQ de licentievergoeding over het jaar 2012.

2.7.

Bij brief van 3 mei 2013 heeft SMQ Goglio in gebreke gesteld en een termijn tot 10 mei 2013 gegund voor – onder meer – betaling van de Break-up Fee.

3 Het geschil

3.1.

SMQ vordert – samengevat – veroordeling van Goglio tot betaling van

 € 650.000,00 € 650.000,00 te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente over dit bedrag te berekenen vanaf 23 april 2013, althans 10 mei 2013;

 € 16.666,66 € 16.666,66 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 30 dagen na 3 januari 2014,

  • -

    € 5.087,50 als vergoeding van door SMQ gemaakte kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte;

  • -

    de proceskosten en beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en de nakosten.

3.2.

SMQ voert daartoe het volgende aan. Op grond van artikel 27 is Goglio een ‘break-up fee’ van (na aftrek van de minimumlicentievergoeding van 2010 en 2011) € 650.000,00 verschuldigd. Die ‘break-up fee’ is contractueel vastgelegd, mede omdat Goglio een eerdere overeenkomst tussen partijen niet (correct) nakwam. Op grond van artikel 27 onder b van de overeenkomst blijven onbetaalde licentievergoedingen verschuldigd na opzegging. In dit geval is Goglio nog een bedrag van 1/3e van de minimumvergoeding verschuldigd voor het jaar 2013. Daarnaast heeft SMQ buitengerechtelijke kosten gemaakt.

3.3.

Goglio voert verweer. Onder de gegeven omstandigheden was SMQ niet gerechtigd de overeenkomst op te zeggen of te ontbinden. Goglio had een vordering op Qbig en SMQ stelde Qbig niet in staat om die vordering te voldoen. Pas eind 2013 is SMQ op papier een onderscheid gaan maken tussen SMQ en Qbig. Door een verwijzing naar de termijn van 60 dagen in een brief van 26 maart 2013 is Goglio ook op het verkeerde been gezet, zodat de betaling als tijdig moet worden aangemerkt. In ieder geval heeft de betaling het verzuim gezuiverd. Zij heeft op zijn hoogst enkele dagen na het verstrijken van de termijn betaald. Een eventueel verschuldigde boete moet worden gematigd, de wettelijke handelsrente is niet verschuldigd en de wettelijke rente is pas verschuldigd na een termijn van 30 dagen na de 60 dagen. De wettelijke rente is derhalve pas vanaf 10 mei 2013 verschuldigd. Voor het bedrag van € 16.666,66 is nog geen factuur ontvangen, die is om fiscale redenen wel vereist. De buitengerechtelijke kosten zijn niet onderbouwd. Aldus steeds Goglio.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De overeenkomst bepaalt dat betaling van de licentie “shall be substantial to this Agreement”. De overeenkomst kent een termijn die vervalt op 30 januari (artikel 3.b.) en vereist vervolgens een ingebrekestelling (“notice”) met een termijn van 60 dagen om het verzuim te zuiveren, voordat de bevoegdheid tot opzegging ontstaat. Ter zitting heeft Goglio haar standpunt dat geen sprake zou zijn van een tekortkoming, dan wel dat de tekortkoming tijdig zou zijn hersteld, laten varen. Niet langer in geschil is dus dat aan deze vereisten voor opzegging (tekortkoming, in gebrekestelling en het verstrijken van de termijn van 60 dagen) is voldaan. Goglio heeft zich op het standpunt gesteld dat opzegging van de licentieovereenkomst gelet op de omstandigheden van het geval niet gerechtvaardigd is, althans dat opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2.

Goglio brengt in dit verband een aantal omstandigheden naar voren. Ten eerste wijst zij op het feit datGoglio al sinds 2009 een vordering in rekening-courant heeft op Qbig, die de licentievergoeding 2012 overtreft en dat Qbig vanuit het gezichtspunt van Goglio feitelijk en economisch het alter ego was van SMQ. De nauwe verbondenheid tussen de vennootschappen blijkt volgens Goglio uit de omstandigheden dat SMQ enig aandeelhouder is van Qbig, beide vennootschappen worden vertegenwoordigd door de bestuurder Oostveen, Qbig door SMQ werd gefinancierd, en SMQ, Qbig en Goglio gezamenlijk de licentieovereenkomst zijn aangegaan met alle juridische en financiële gevolgen van dien. Goglio stelt verder dat tussen haar en SMQ/Qbig een groot wantrouwen was ontstaan over het nakomen van betalingsverplichtingen. De drie partijen zijn uiteindelijk een betalingsregeling overeen gekomen voor de betaling van de licentievergoeding over 2011 en aflossing van de rekening-courantschuld van Qbig aan Goglio. Goglio rekende voor de licentievergoeding over 2012 op een gelijksoortige regeling. Zij stelt dat zij er van mocht uitgaan dat een dergelijke regeling tot stand zou komen, mede gelet op het feit dat Goglio en SMQ op 11 april 2013 – dus na het verstrijken van de 60-dagen termijn – een bespreking hadden gepland om de betalingskwestie te bespreken. Verder moet volgens Goglio in aanmerking worden genomen dat het een overeenkomst met een looptijd van 15 jaar betreft, die voor haar een belangrijke commerciële functie heeft. Daar komt bij dat haar slechts 30 dagen is gegund om zich op de beëindiging van de overeenkomst, die voor haar grote gevolgen heeft, voor te bereiden. Tot slot is in de visie van Goglio van belang dat [naam 1], die bij Goglio verantwoordelijk was voor de contracten met SMQ en Qbig, informatie heeft achtergehouden. Dit is na zijn ontslag pas ontdekt.

4.3.

De rechtbank volgt Goglio niet in haar betoog dat in de weging van de omstandigheden wezenlijke betekenis toekomt aan het feit dat SMQ en Qbig gelieerde vennootschappen zijn. Het gaat om twee verschillende rechtspersonen en om twee verschillende ondernemingen: het ontwikkelen en beheren van octrooien door SMQ, tegenover koop- en verkoop van verpakkingsmateriaal door Qbig. In de licentieovereenkomst zijn de partijen ook duidelijk gedifferentieerd. De aard van de prestaties in de verhouding SMQ-Goglio is dan ook heel anders dan die in de verhouding Qbig-Goglio. Uit het feit dat SMQ enig aandeelhouder is van Qbig en dat [naam 2] bestuurder is van beide vennootschappen blijkt weliswaar van de verbondenheid tussen beide vennootschappen, maar dat is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om te concluderen dat een schuld van Qbig aan Goglio opzegging van de overeenkomst door SMQ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Partijen hebben in de licentieovereenkomst niet gekozen voor de mogelijkheid van verrekening door Goglio van schulden en vorderingen aan/op SMQ en Qbig. Weliswaar zijn partijen ten aanzien van de licentievergoeding over 2011 een betalingsregeling aangegaan, waarbij zowel SMQ, Qbig als Goglio betrokken waren maar Goglio mocht er niet op vertrouwen dat voor de licentievergoeding 2012 een vergelijkbare regeling zou worden getroffen. SMQ heeft er terecht op gewezen dat zij zich bij de totstandkoming van de betalingsregeling uitdrukkelijk heeft verzet tegen zelfstandige verrekening door Goglio van haar schuld aan SMQ met haar vordering op Qbig. Een van de redenen om zich tegen verrekening te verzetten, zo is door SMQ ter zitting toegelicht, was dat de betalingen in SMQ moesten achterblijven om de kosten voor het instandhouden van de patenten te voldoen. Dit is door Goglio niet betwist. Goglio wist dus dat de licentieovereenkomst geen basis bood voor verrekening en dat SMQ grote bezwaren tegen verrekening had. Kennelijk aanvaardde Goglio het standpunt van SMQ ook, Goglio is immers niet overgegaan tot verrekening. Verder heeft SMQ aangevoerd dat na de afwikkeling van de overeengekomen betalingsregeling de rekening-courantschuld van Qbig aan Goglio geheel zou zijn afgelost, zodat een vergelijkbare regeling ook voor de licentievergoeding 2012 om die reden niet aan de orde was. Dit is niet, althans onvoldoende, betwist. Tot slot heeft SMQ erop gewezen dat Goglio degene was die aan zet was in de afwikkeling van de betalingsregeling en dat zij daarin tekortschoot. Ook dit is niet, althans onvoldoende, betwist door Goglio. Gelet hierop mocht Goglio uit het feit dat voor de licentievergoeding voor 2011 een betalingsregeling was getroffen niet afleiden dat SMQ bereid zou zijn voor de licentievergoeding 2012 een gelijksoortige regeling te treffen. Uit het enkele feit dat de bespreking op 11 april 2014, dus na het verstrijken van de 60-dagen termijn, was gepland, mocht Goglio dit evenmin afleiden. Daarvoor was te minder aanleiding omdat SMQ in haar brieven van 31 januari en 6 februari 2013 en daarop volgende e-mails al voldoende duidelijk had gemaakt aan Goglio dat zij tekortschoot in de betaling van de licentievergoeding 2012. Het feit dat [naam 1] intern mogelijk informatie heeft achtergehouden is een omstandigheid die geheel voor rekening van Goglio komt. Bovendien moet in ieder geval vanaf 31 januari 2013 voor zijn opvolger, [naam 3], duidelijk zijn geweest wat volgens de licentieovereenkomst de gevolgen waren van het achterwege blijven van betaling van de licentievergoeding.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de hiervoor bedoelde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen om te oordelen dat opzegging niet gerechtvaardigd, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit wordt niet anders vanwege het feit dat de overeenkomst is aangegaan voor een periode van 15 jaar. Dit was bij het sluiten van de overeenkomst bekend en toch zijn partijen deze opzeggingsmogelijkheid overeengekomen. Goglio heeft nog gesteld dat opzegging van de overeenkomst voor haar commercieel zeer nadelige gevolgen heeft, maar zij heeft die stelling niet, althans onvoldoende onderbouwd. Verder moet worden geoordeeld dat ook als die gevolgen ingrijpend zijn, Goglio het intreden daarvan aan zich zelf te wijten heeft. Ook in de stelling dat het een geringe tekortkoming betreft wordt Goglio niet gevolgd. Anders dan zij heeft gesteld heeft zij de betalingstermijn voor de licentievergoeding niet met 17 dagen maar met 84 dagen overschreden. De betaling had immers voor 30 januari 2013 moeten zijn gedaan en deze heeft uiteindelijk op 23 april 2013 plaatsgevonden. Goglio heeft nog gesteld dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij wel binnen de termijn van 60 dagen had betaald, omdat zij ervan was uitgegaan dat de 60-dagen termijn door de brief van 26 maart 2013 was gaan lopen. Dit is echter in redelijkheid niet vol te houden. Die brief verwijst expliciet naar eerdere “official notices” gedateerd op 31 januari 2013 en 6 februari 2013: daaruit volgt reeds dat Goglio moest begrijpen dat de termijn van 60 dagen reeds was gaan lopen vóór ontvangst van de brief van 26 maart 2013.

4.5.

De stelling van Goglio dat artikel 27 van de licentieovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat de tekortschietende partij na het verstrijken van de 60-dagen termijn nog eens een termijn van 30 dagen heeft om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen en het gebrek te zuiveren, vindt geen steun in die bepaling en zal dus worden verworpen.

4.6.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de opzegging van de licentieovereenkomst door SMQ gerechtvaardigd. De opzegging was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De overeenkomst is derhalve rechtsgeldig opgezegd.

4.7.

Partijen zijn een gefixeerde beëindigingsvergoeding overeengekomen. Deze vergoeding, te betalen aan de opzeggende partij in het geval er sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de wederpartij, is, zoals Goglio terecht stelt, een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. Hetgeen Goglio stelt, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging vereist. Met SMQ en anders dan Goglio heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat voor de uitleg en de toepassing van artikel 27 de achtergrond en de totstandkoming daarvan wel degelijk van belang zijn. Artikel 32 van de licentieovereenkomst (‘entire agreement clause’) staat daaraan niet in de weg. SMQ heeft onweersproken gesteld dat een eerdere definitieve versie van de overeenkomst Goglio verplichtte tot betaling van 10 miljoen euro aan licenties, dat SMQ op verzoek van Goglio na het sluiten van die overeenkomst alsnog akkoord is gegaan met een veel lager gegarandeerd bedrag, maar dat daar wel deze boeteclausule tegenover heeft gestaan. Goglio heeft getracht haar verplichtingen onder de licentieovereenkomst te verlichten door bij SMQ erop aan te dringen om, anders dan was overeengekomen, verrekening van haar betalingsverplichting met een vordering op Qbig toe te staan. SMQ heeft dit consequent geweigerd en vervolgens heeft Goglio weliswaar alsnog betaald, maar pas veel te laat en op een moment dat het wederzijdse vertrouwen om de overeenkomst nog voort te zetten geheel was weggevallen. Juist voor deze omstandigheid is, zo volgt uit hetgeen SMQ heeft gesteld, artikel 27 in het leven geroepen. Het ligt dan ook in de rede dat deze bepaling naar de letter wordt nageleefd. De situatie dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd doet zich dan ook niet voor.

4.8.

Het gaat hier om een (contractuele) schadevergoeding, zodat niet de wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar slechts de (gewone) wettelijke rente van artikel 6:119 BW. De licentieovereenkomst is bij brief van 19 april 2013 – rechtsgeldig – opgezegd tegen 7 mei 2013. Goglio heeft gesteld dat uit de licentieovereenkomst voortvloeit dat de boete pas opeisbaar is na het verstrijken van de in artikel 27 bedoelde termijn van 30 dagen. SMQ heeft dit niet betwist, zodat ervan wordt uitgegaan dat de vordering op 7 mei 2013 opeisbaar werd. Bij brief van 3 mei 2013 is Goglio in gebreke gesteld en een termijn tot 10 mei 2013 gegund voor – onder meer – betaling van de break-up fee. Vanaf die datum is Goglio derhalve in verzuim en de wettelijke rente verschuldigd over het bedrag van € 650.000,00 (vgl. Hoge Raad, 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127).

4.9.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 16.666,66 geldt het volgende. Goglio betwist niet dat zij in de periode van januari – april 2013 van de licentie gebruik heeft gemaakt. Zij betwist evenmin dat zij in beginsel over die periode een vergoeding verschuldigd is, maar zij voert aan dat zij niet tot betaling gehouden is omdat zij nog geen factuur ontvangen heeft en – zo begrijpt de rechtbank – dat het bedrag ten onrechte niet in mindering is gebracht op de break-up fee. Uit de overeenkomst volgt niet dat Goglio eerst na ontvangst van een factuur gehouden kan zijn tot betaling. Dat verweer faalt derhalve. Van verrekening met de break-up fee is in artikel 27 van de overeenkomst expliciet uitgesloten: “relevant Royalty-fees as set forth in Article 3 of this Agreement, whose payment has not been executed at the date of termination”. Door Goglio is niet (nader) toegelicht waarom het bedrag van € 16.666,66 dat nog niet was betaald op het moment van beëindiging van de overeenkomst, desondanks in mindering zou moeten worden gebracht op de break-up fee. Ook dit bedrag is derhalve toewijsbaar. Nu deze vordering voortvloeit uit de licentieovereenkomst is de wettelijke handelsrente hierover verschuldigd. Door Goglio is onweersproken gesteld dat eerst vanaf 30 januari 2014 het bedrag verschuldigd is. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een fatale termijn, en is zij de rente daarom met ingang van die datum verschuldigd.

4.10.

Gelet op de door SMQ in het geding gebrachte brief van mr. Boucher zijn namens SMQ buitengerechtelijke werkzaamheden verricht in het kader van de inning van het bedrag van € 650.000,00. De buitengerechtelijke incassokosten begroot de rechtbank, conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, op € 5.025,00. Dat er voor de inning van het bedrag van € 16.666,66 ook buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, is niet gesteld.

4.11.

SMQ vordert Goglio te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 589,00 voor verschotten en € 2.580,00 voor salaris advocaat (1 punt × tarief € 2.580,00).

4.12.

Goglio zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SMQ worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 3.240,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.493,80

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.14.

Over de proces- en nakosten is slechts de wettelijke rente verschuldigd en niet de gevorderde wettelijke handelsrente.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Goglio om aan SMQ te betalen een bedrag van € 650.000,00 (zeshonderdvijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 10 mei 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Goglio om aan SMQ te betalen een bedrag van € 16.666,66 (zestien duizend zeshonderdzesenzestig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 30 januari 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Goglio om aan SMQ te betalen een bedrag van € 5.025,00 (vijf duizend vijfentwintig euro),

5.4.

veroordeelt Goglio in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.169,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Goglio in de proceskosten, aan de zijde van SMQ tot op heden begroot op € 8.493,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Goglio in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Goglio niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Fehmers en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.1

1 type: EJvVcoll: