Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5329

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
13/710069-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Mercedes II. Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf jaar voor witwassen, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie die oplichting, verduistering en witwassen als doel had. Verdachte heeft samen met anderen de door een medeverdachte door middel van oplichting verkregen bedragen weggesluisd. Daarbij zijn in sommige gevallen harde middelen gebruikt, als van andere betrokkenen medewerking moest worden afgedwongen. De aan verdachte ten laste gelegde afpersing acht de rechtbank echter niet bewezen. Ten behoeve van het witwassen heeft verdachte met behulp van zijn bedrijf documenten vervalst en vervolgens gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/710069-11 (Promis)

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, te plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 augustus 2011, 23 november 2011 en de inhoudelijke behandeling op 17 juni 2014, 18 juni 2014, 24 juni 2014, 26 juni 2014 en 30 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. J.M. Kees en D. Kruimel, (hierna genoemd: officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. W.J. Ausma en M.W. Zwiers, (hierna genoemd: raadsman) naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

1.1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, verduistering, (gewoonte)witwassen en/of afpersing (feit 1), afpersing (feit 2), valsheid in geschrifte (feit 3) en (gewoonte)witwassen (feit 4).

1.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

Hierna in dit vonnis zullen de (mede)verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 5] en [B.V. 1] en de rechtspersonen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] respectievelijk worden aangeduid als: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 5], [B.V. 1], [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2].

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunten

3.1.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren genoemd in zijn pleitnota.

Deze verweren bespreekt de rechtbank hierna – indien nodig – in haar oordeel.

De rechtbank zal hierna bij de relevante feiten en omstandigheden telkens feiten en omstandigheden weergeven die zij afleidt uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen.

3.2

Bespreking feiten

3.2.1

Vrijspraak afpersing [persoon 1]

Een belangrijke kern van de ten laste gelegde afpersing van [persoon 1] vormt het gegeven dat de daders hem zouden hebben bedreigd met geweld. Als bewijs voor die kern zijn in het dossier in feite slechts de verklaringen van [persoon 1] zelf aanwezig. De overige inhoud van het dossier kan slechts in ondergeschikte, ondersteunende zin bijdragen aan het bewijs. In het voorname aandeel dat de verklaringen van [persoon 1] voor het bewijs zouden moeten hebben, ziet de rechtbank aanleiding deze nader te beschouwen, zoals ook de raadsman van verdachte heeft bepleit.

Aannemelijk is dat een groep personen, bestaande uit – in ieder geval - [medeverdachte 3], [verdachte] en eenmaal [medeverdachte 4], bezoeken heeft gebracht aan [persoon 1] en dat het hun daarbij te doen was om de administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van de Hongaarse bedrijven [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 1] van [medeverdachte 5], die op dat moment gedetineerd was. Gelet op de hoogte van het op deze rekeningen geboekte bedrag was het belang voor deze groep groot.

De rechtbank stelt vast dat aan [persoon 1], zoals blijkt uit het dossier, naderhand een bedrag van € 100.000 is overgemaakt, afkomstig van het geld op de Hongaarse rekeningen. Deze betaling is opmerkelijk. Uitgaande van de verklaring van de getuige moet het immers ervoor worden gehouden dat van hem eerst op dreigende wijze bankgegevens zouden zijn afgeperst, maar zouden de daders van die afpersing hem vervolgens een dergelijk groot geldbedrag hebben geschonken. Deze opeenvolging van gebeurtenissen is niet zonder meer logisch of begrijpelijk.

Als gevolg van deze overboeking is de getuige ook zelf als verdachte aangemerkt. Het is ook niet zo dat getuige uit eigen beweging meteen na het zich voordoen van de beweerde bedreigingen aangifte daarvan heeft gedaan.

Daar komt bij dat [persoon 1] zich in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op vragen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Hierdoor is de verdediging een mogelijkheid onthouden haar ondervragingsrecht te effectueren en is de rechtbank minder dan wenselijk is in staat de verklaring nader te wegen en te beoordelen.

Met de officier van justitie onderkent de rechtbank dat er weliswaar objectieve gegevens zijn die aansluiten bij wat de getuige heeft verklaard. Die gegevens zien echter alle op elementen die niet tot de genoemde kern van het verwijt behoren.

De conclusie luidt dat in het bijzonder ten aanzien van de geweldskern van het ten laste gelegde aan de verklaringen van [persoon 1] niet die bewijswaarde toekomt die deze verklaringen op grond van het voorname bewijsaandeel zouden moeten hebben. Daarmee is sprake van onvoldoende bewijs. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

3.2.2

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank zal gelet op de chronologie eerst het ten laste gelegde feit 4 bespreken.

3.2.2.1 Relevante feiten en omstandigheden

In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [persoon 2]. Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [persoon 2]). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [rechtspersoon 1] en een deel van € 2.430.000,00 aan [rechtspersoon 2].

[medeverdachte 5], de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [persoon 1] te Heerewaarden.

Een groep personen, onder wie [medeverdachte 3], [verdachte] en eenmaal [medeverdachte 4], heeft in de daaropvolgende periode vanaf 30 maart 2010 meermalen bezoeken gebracht aan [persoon 1]. Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [verdachte], en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [persoon 1] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [persoon 1] langsgegaan om hem om assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.

De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 5] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [persoon 1] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.

Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.

Een van de hiervoor genoemde overboekingen vanaf de rekening van [rechtspersoon 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [B.V. 2]. Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [persoon 3] in Hongarije. Verdachte is tweemaal met de auto samen met [persoon 3] en [medeverdachte 4] naar Hongarije gereisd. De tweede maal heeft [persoon 3] op 27 en 29 april 2010 het grootste deel van dit bedrag contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije en aan [medeverdachte 4] en verdachte afgestaan.

[B.V. 2] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.

3.2.2.2 Het oordeel van de rechtbank

Bewijs van bezoeken aan Hongarije

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met [persoon 3] en [medeverdachte 4] naar Hongarije is geweest. Het bewijs daarvoor wordt gevormd door de verklaringen van [medeverdachte 4], [persoon 3] en de vrouw van [persoon 3]. [medeverdachte 4] heeft zijn verklaring dat ‘[naam]’ is meegeweest naar Hongarije, waarbij uit de context volgt dat hij daarbij doelt op verdachte, in eenduidiger bewoordingen herhaald bij de rechter-commissaris. De verklaringen van de genoemde andere getuigen geven aan die verklaringen van [medeverdachte 4] steun. Verdachte heeft de reis naar Hongarije ontkend. Gelet op deze ontkenning en het voorafgaande (hierna besproken), gaat de rechtbank uit van de verklaring van [persoon 3], namelijk dat het doel van de reis was het geld in Hongarije op te nemen. Dit vindt steun in de vaststelling dat toen en daar daadwerkelijk het door [persoon 3] genoemde bedrag van zijn rekening is opgenomen. Het anders concluderende verweer van de raadsman verwerpt de rechtbank dan ook.

Ten aanzien van het witwassen

Verdachte is een van de personen die meermalen bij [persoon 1] langs zijn geweest in verband met de rekeningen van de Hongaarse bedrijven van [medeverdachte 5]. Van [persoon 1] hebben zij de gegevens verkregen, waarmee zij samen met de later afgegeven dubbele simkaart toegang konden verkrijgen tot de rekeningen. Vervolgens hebben zij daadwerkelijk bedragen overgeboekt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard twee keer bij [persoon 1] te zijn langsgegaan. De dag voor zijn eerste bezoek was ‘s avonds een groep personen bij zijn eigen woning langsgekomen. Uit wat de mensen uit die groep zeiden, begreep verdachte dat zij geld van [persoon 1] tegoed hadden. Zij vroegen aan verdachte of hij hen naar [persoon 1] kon brengen.

De volgende dag is verdachte eerst in zijn eentje bij [persoon 1] langsgegaan. De dag daarna heeft verdachte de groep personen naar het erf van [persoon 1] gebracht.

De rechtbank acht deze verklaring, ten aanzien van het motief van verdachte om de groep personen te helpen, en ten aanzien van het aantal bezoeken aan [persoon 1] en de achtergrondrol die verdachte tijdens deze bezoeken zou hebben gespeeld, ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte vaker bij [persoon 1] is langsgegaan en dat hij daarbij een prominente rol heeft vervuld. Ten aanzien van het motief geldt voorts het volgende.

Dat verdachte een voor hem volstrekt onbekende groep personen (die toevallig op een avond bij hem langs kwam op zoek naar de ongeveer 12 kilometer verderop wonende [persoon 1]) naar [persoon 1] heeft gebracht, vanwege het enkele feit dat zij nog geld van [persoon 1] tegoed hadden, een onbekende schuld waar verdachte part noch deel aan had, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Veel aannemelijker is dat verdachte wèl een eigen belang had bij het geld dat de groep tegoed had, waarop de genoemde prominente rol die verdachte bij de bezoeken speelde, wijst. Dat hij een eigen belang had, volgt uit de vaststellingen over twee bedragen die vanaf de rekening van [rechtspersoon 2] naar [B.V. 2] waren doorgeboekt. Het ene bedrag nam verdachte mede contant op van een rekening in Hongarije, het andere ontving hij indirect van [B.V. 2] op een rekening van zijn eigen bedrijf.

Het waren nu juist de gegevens die vereist waren om de overboekingen van de rekening van [rechtspersoon 2] (en [rechtspersoon 1]) te kunnen verrichten, die de groep die verdachte naar [persoon 1] bracht wilde verkrijgen, en ook heeft verkregen.

Dat verdachte de groep personen alleen maar naar [persoon 1] heeft gebracht om van hen af te komen, zoals de raadsman heeft gesteld, acht de rechtbank op grond van het voorgaande dan ook niet aannemelijk, net als de stelling dat verdachte ten hoogste een onwetende uitvoerder zou zijn geweest.

Hieruit volgt dat verdachte als medepleger van het voorhanden hebben van het totaal van de naar de Hongaarse rekeningen overgemaakte bedragen kan worden aangemerkt. Door de verkrijging van de gegevens van [persoon 1], die cruciaal was, kreeg de groep toegang tot het geldbedrag en daarmee de mogelijkheid om over dit bedrag te beschikken. Weliswaar was hiervoor ook de dubbele simkaart vereist, maar de groep heeft overboekingen verricht, nadat deze simkaart was afgegeven. Doordat zij over de geldbedragen konden beschikken, hadden zij deze in juridische zin voorhanden. Verdachte speelde blijkens de bewijsmiddelen bij de verkrijging van de gegevens vanaf 30 maart 2010 een voorname rol. Hij was ten tijde van de periode van de overboekingen van de rekeningen van [rechtspersoon 2] en [rechtspersoon 1] van de vorderingen daarvan op de hoogte (blijkens het feit dat hij wist van de overboeking naar [persoon 7] in Hongarije, het feit dat hij instemde met de overboeking van € 100.000 naar [persoon 1] zelf en het feit dat hij wist van de overboekingen naar [persoon 3] via [B.V. 2]). En hij haalde zelf, samen met [medeverdachte 4] en [persoon 3] op 27 en 29 april 2010 in Hongarije de naar [persoon 3] overgeboekte bedragen contant op. Daaruit volgt dat verdachte tijdens dit proces (te weten voor, tijdens en na) nauw en bewust heeft samengewerkt om over de overgeboekte geldbedragen te beschikken.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte van de criminele herkomst van dit geldbedrag op de hoogte was. Het gaat hier om een geldbedrag van ruim € 5 miljoen. De overboeking van een dergelijk bedrag naar een bedrijf in Hongarije, zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare economische grondslag aanwezig is, roept zonder meer vragen op over de herkomst en rechtvaardigt een vermoeden van witwassen.

Er is niet gebleken van omstandigheden waarin verdachte het genoemde sterke witwasvermoeden ontzenuwd zou kunnen of mogen zien. Verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd die zijn goede trouw een begin van aannemelijkheid zou kunnen geven.

De rechtbank acht dan ook witwassen bewezen. Tegelijkertijd heeft verdachte van het geldbedrag de werkelijke aard en herkomst verhuld. Door het geldbedrag op een rekening van een katvanger in Hongarije voorhanden te hebben, werd de werkelijke aard en herkomst versluierd. Deze omslachtige procedure kan zich ook slechts door dat kennelijke doel, het verhullen van die criminele herkomst, laten verklaren.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de bewezenverklaring noch het feitencomplex kan volgen dat sprake is van het maken van een gewoonte van witwassen. Daarvan zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken.

3.2.3

Valsheid in geschrift

3.2.3.1 Relevante feiten en omstandigheden

Als hiervoor overwogen en geoordeeld heeft verdachte vanaf 30 maart 2010 het bedrag van ruim € 5 miljoen euro witgewassen door dit op de rekeningen van [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] voorhanden te hebben. Vervolgens werd op 12 april 2010 vanaf de rekening van [rechtspersoon 1] een bedrag van € 1,26 miljoen overgemaakt op de rekening van [B.V. 2]. Op 22 april 2010 werd hiervan een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [persoon 3] in Hongarije. Vervolgens heeft verdachte het grootste deel van dit bedrag samen met [persoon 3] en [medeverdachte 4] op 27 en 29 april 2010 contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije. [B.V. 2] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte. Deze bedragen waren gekoppeld aan facturen voor werkzaamheden door het bedrijf van verdachte op het terrein van [B.V. 2]

Eerste oordeel rechtbank

De titel voor de overboeking van € 1,26 miljoen van [rechtspersoon 1] aan [B.V. 2] zou de verkoop van bedrijfsmachines aan het bedrijf [bedrijf 1] moeten zijn. De eigenaar van dat bedrijf, [persoon 4], heeft echter verklaard dat van een dergelijke verkoop geen sprake is geweest.

Reeds uit deze vaststellingen volgt dat een deel van het geldbedrag dat verdachte zelf als medepleger had witgewassen door het op Hongaarse rekeningen voorhanden te hebben, via [B.V. 2] naar de rekening van zijn eigen bedrijf is gevloeid. Voor zover niet reeds hieruit volgt dat de facturen die aan de overmakingen naar het bedrijf van verdachte waren gekoppeld, geen reële facturen, maar een dekmantel waren, geldt het volgende.

Ten aanzien van de werkzaamheden van het bedrijf van verdachte voor [B.V. 2] volgt het volgende uit het dossier.

Verdere relevante feiten en omstandigheden

[B.V. 2] had een bouwfonds van € 350.000 verkregen voor aanpassingen aan het terrein. Voordat het bedrijf van verdachte de werkzaamheden had aangevangen, was dit bouwfonds zo goed als opgebruikt. Op dat zelfde moment had de provincie, die eerder de aanpassingen verplicht had gesteld, vastgesteld dat het terrein aan de gestelde eisen voldeed. De uitvoerder van de werkzaamheden heeft na een discussie met [persoon 5] in april 2010 pas aan [persoon 5] laten weten dat hij de door [persoon 5] gewenste aanvullende werkzaamheden niet zou uitvoeren en heeft geconstateerd dat op 10 april 2010 nog geen werkzaamheden door derden op het terrein van [B.V. 2] waren uitgevoerd. De offerte van verdachte is echter reeds op 1 maart 2010 gedateerd en de eerste rekening is op 18 maart 2010 verstuurd, omdat de daarmee corresponderende werkzaamheden reeds zouden zijn uitgevoerd.

3.2.2.2 Conclusie van de rechtbank

Onder die omstandigheden was het opmerkelijk dat [B.V. 2] opnieuw een opdracht voor wederom een omvangrijk bedrag (te weten € 150.000) zou geven om aanpassingen aan het terrein te laten aanbrengen. Dat de eerste opdrachtnemers de werkzaamheden niet goed zouden hebben uitgevoerd, kan niet uit de vaststellingen van de provincie worden afgeleid. Dat die eerste opdrachtgevers door [B.V. 2] gewenste verdere werkzaamheden niet zouden uitvoeren, bleek pas in april, terwijl de offerte van [verdachte] op 1 maart 2010 gedateerd is.

Voorts blijkt uit diverse verklaringen van getuigen dat het offertebedrag (€ 150.000) hun, gelet op de te verrichten werkzaamheden, als bijzonder hoog voorkomt. Ook blijkt dat deze opdracht voor het bedrijf van verdachte – relatief – zeer groot was, terwijl er binnen het bedrijf weinig over bekend was (gemaakt). Ook zijn er geen stukken die verband houden met de uitvoering van deze opdracht in de administratie van het bedrijf aangetroffen, terwijl dat gelet op de bijzondere grootte van de opdracht wel in de rede zou liggen. Tot slot hebben de personen die volgens de verklaring van verdachte samen met hem of in zijn opdracht het werk zouden hebben verricht, dat niet in hun verklaring bevestigd.

De rechtbank concludeert dat deze geschriften vals zijn en verdachte, zijn bedrijf en [persoon 6] deze hebben opgemaakt en in de bedrijfsadministratie hebben opgenomen met het doel de betalingen van [B.V. 2] aan het bedrijf van verdachte een legale grondslag te verschaffen en aldus te verhullen dat in werkelijkheid sprake was van witwassen. De werkzaamheden die het bedrijf van verdachte verrichtte, waren, gespiegeld aan het voorgaande, erop gericht de gecreëerde facturen enige feitelijke grond te geven. De offerteprijs voor de werkzaamheden, die al voor een belangrijk gedeelte door andere bedrijven waren verricht, was te hoog en daarmee onzakelijk, de offertedatum was geantedateerd. De verweren van de raadsman, die van een andere interpretatie van deze feiten uitgaat, worden verworpen.

3.2.4

Ten aanzien van feit 1:

3.2.4.1 Relevante feiten en omstandigheden

[medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.

Verdachte komt in één zaaksdossier naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten, te weten bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op de rekeningen van [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] in Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).

Voor de volledigheid worden hier de volgende feitelijkheden, aangehaald bij feit 3,herhaald.

Een van de overboekingen vanaf de rekening van [rechtspersoon 1] betrof de overboeking op 12 april 2010 van € 1,26 miljoen naar een Duitse rekening van het bedrijf [B.V. 2]. Op 22 april 2010 werd van die rekening een deel van € 0,85 miljoen overgeboekt naar de rekening van [persoon 3] in Hongarije. Vervolgens heeft verdachte het grootste deel van dit bedrag samen met [persoon 3] en [medeverdachte 4] op 27 en 29 april 2010 contant opgenomen van die bankrekening in Hongarije. [B.V. 2] heeft vervolgens op 6 mei 2010 en in de periode van 15 juli 2010 tot en met 22 oktober 2010, in totaal € 100.000 overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van verdachte.

3.2.4.2 Het oordeel van de rechtbank

De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte heeft in maart en april 2010 een groot geldbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen, witgewassen en heeft delen van dat bedrag later in Hongarije contant opgenomen en een ander deel op zijn bedrijfsrekening ontvangen.

De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds te kunnen doorgaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.

Uit het aandeel van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ([medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde. Hij was immers prominent bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken, haalde zelf contante geldbedragen bij hen op en ontving geldbedragen op zijn eigen bedrijfsrekening. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk. Dat niet blijkt dat verdachte op enig moment direct contact heeft gehad met [medeverdachte 1], die het grondfeit, de oplichting, pleegde, doet hieraan niet af.

Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van betrokkenheid van verdachte voor maart 2010 niet blijkt. Wel duurde zijn betrokkenheid voort tot het eind van de periode, gelet op het voortdurende karakter van het delict witwassen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 oktober 2010 te [plaats 1] en Heerewaarden en Amersfoort en Nijkerk en Altforst en Hoenderloo en Putten en elders in Nederland en in Hongarije en Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit de navolgende mededaders:

- [medeverdachte 1] en

- [medeverdachte 2] en

- [medeverdachte 3] en

- [medeverdachte 4] en

- [medeverdachte 5] en

andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het oplichten van rechtspersonen (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en

- het (gewoonte)witwassen van geldbedrag(en) en voorwerpen uit misdrijf afkomstig (artikel 420(ter/bis/quater) van het Wetboek van Strafrecht);

3.

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 13 oktober 2010 te Altforst en Beneden-Leeuwen, tezamen en in vereniging met anderen, de bedrijfsadministratie van [B.V. 1], zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken , door valse geschriften, te weten :

een opdrachtbevestiging:

- opdrachtbevestiging d.d. 1 maart 2010 (HH01.04.03-001) en

facturen:

  • -

    1e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 18-03-2010) (HH01.04.12-002) en

  • -

    2e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 22-06-2010) (HH01.04.12-001) en

  • -

    3e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 13-10-2010) (HH01.02.05-002),

in die bedrijfsadministratie te doen boeken, bestaande die valsheid hierin dat in genoemde opdrachtbevestiging en facturen telkens valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat de offertedatum 1 maart 2010 was en dat de omschreven werkzaamheden ten behoeve van het terrein van [B.V. 2] zouden worden/zijn verricht door [B.V. 1], terwijl in werkelijkheid de offertedatum niet 1 maart 2010 was en die werkzaamheden reeds (grotendeels) door ander waren verricht en die werkzaamheden niet, althans in minder grote omvang, zouden worden/zijn verricht door [B.V. 1],

telkens met het oogmerk die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

en

in de periode van 1 maart 2010 tot en met 13 oktober 2010 te Altforst en Beneden-Leeuwen, opzettelijk voorhanden heeft gehad een valse opdrachtbevestiging en valse facturen, met als omschrijving:

ten aanzien van de opdrachtbevestiging:

- opdrachtbevestiging d.d. 1 maart 2010 (HH01.04.03-001) en

ten aanzien van de facturen:

  • -

    1e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 18-03-2010) (HH01.04.12-002) en

  • -

    2e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 22-06-2010) (HH01.04.12-001) en

  • -

    3e termijn inzake herbestrating uw terrein nav offerte d.d. 01-03-2010 (factuurdatum 13-10-2010) (HH01.02.05-002),

geschriften die bestemd waren tot bewijs van enig feit te dienen, als waren die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat in genoemde opdrachtbevestiging en facturen telkens valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen dat de offertedatum 1 maart 2010 was en dat de omschreven werkzaamheden ten behoeve van het terrein van [B.V. 2] zouden worden/zijn verricht door [B.V. 1], terwijl in werkelijkheid de opmaak-/offertedatum niet 1 maart 2010 was en die werkzaamheden reeds (grotendeels) door anderen waren verricht en die werkzaamheden niet, althans in minder grote omvang, zouden worden/zijn verricht door [B.V. 1],

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat deze geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik;

4.

in de periode van 19 maart 2010 tot en met 23 mei 2011, te Amersfoort en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders van een geldbedrag van in totaal € 5.279.000,00 (aangifte 1), bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 ([rechtspersoon 1]) en een deel van € 2.430.000,00 ([rechtspersoon 2]) de werkelijke aard en herkomst verborgen en verhuld, en voornoemd geldbedrag verworven, voorhanden gehad, en (gedeeltelijk) overgedragen en omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft subsidiair ten aanzien van de strafmaat bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf die het reeds ondergane voorarrest niet overstijgt, wordt opgelegd, met daarbij mogelijk een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. Daarbij heeft de raadsman op de volgende omstandigheden gewezen:

  • -

    anders dan het openbaar ministerie heeft gesteld is geen sprake is geweest van geweldsfeiten;

  • -

    de rol van verdachte is relatief beperkt geweest;

  • -

    het strafblad van verdachte is beperkt en inmiddels verouderd;

  • -

    het bedrijf van verdachte is als gevolg van deze zaak stilgelegd en zal binnenkort failliet gaan.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging wordt het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen, valsheid in geschrift en aan deelname aan een criminele organisatie. De criminele organisatie lichtte banken via valse optieposities voor miljoenen op, sluisde deze bedragen weg en nam deze vervolgens contant op.

Vanwege de miljoenen die zijn verkregen met het oplichtingsfeit waaraan verdachte een aandeel had, gaat het om ernstige strafbare feiten. Daarnaast weegt zwaar dat deze feiten gedurende een geruime periode zijn gepleegd op een wijze die veel weg heeft van de handelwijze van de zware, doorgewinterde criminaliteit; namelijk in een omvangrijk internationaal georganiseerd verband op een geraffineerde en professionele wijze. Voorts heeft verdachte er niet voor teruggedeinsd als laatste schakel in het internationale witwasproces geschriften valselijk op te maken, om de illegale herkomst van overgeboekte bedragen verder te verhullen. Als reactie op deze feiten kan niet met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf worden volstaan.

De rechtbank weegt daarbij mee dat verdachte meermalen een rol vervulde binnen de criminele organisatie en zijn rol ten opzichte van enkele van zijn mededaders prominent was. Daar staat tegenover dat zijn actieve betrokkenheid relatief kort heeft geduurd.

Dankzij het ingrijpen van de banken is voorkomen dat de criminele organisatie het grootste gedeelte van de vele buitgemaakte miljoenen fysiek in handen kon krijgen en daarmee het witwasproces kon voltooien. ‘Slechts’ een bedrag van ruim drie miljoen1 van het totaal van € 44 miljoen kon niet meer worden achterhaald. Daarmee is de schade, hoewel groot, in belangrijke mate beperkt gebleven.

Verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie eerder veroordeeld door de strafrechter, maar niet in de afgelopen 5 jaar voor soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding daarmee bij de strafmaat rekening te houden.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het afpersingfeit niet bewezen en ook overigens acht zij het geweldselement binnen de organisatie niet voldoende aannemelijk geworden. Reeds daarom volgt de rechtbank de officier van justitie niet in haar strafeis.

Al het voorgaande afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Afwijzing vordering gevangenneming

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming van verdachte afwijzen. In een eerder stadium heeft de rechtbank onvoldoende gronden aanwezig geacht de voorlopige hechtenis van verdachte te laten voortduren, ook omdat uitgangspunt bij de behandeling van een strafzaak is en na de onderhavige veroordeling blijft dat een verdachte zijn onherroepelijke berechting in vrijheid kan afwachten. Dit veroordelende vonnis maakt dat niet anders. Ook is de op te leggen straf niet van die orde dat deze op zichzelf tot het een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis noopt. Daarbij weegt de rechtbank het aanzienlijke tijdsverloop mee, dat overigens niet aan het openbaar ministerie is te wijten.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 140, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

3.

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

4.

medeplegen van witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering tot gevangenneming van verdachte af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2014.

De oudste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.

1 € 3.491.772,-, zie AH7049, pag. 10.