Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5314

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
C-13-545103 - HA ZA 13-725 TVS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen beroep op verrekening of opschorting met onvoldoende vaststaande tegenvordering, dagvaardingstermijn bij repeterende beslagen. Geslaagde vernietiging van pandrecht (actio pauliana)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/545103 / HA ZA 13-725

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

[naam curator],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam bedrijf 1],

gevestigd te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.R. Kluyver te Utrecht,

tegen

vennootschap naar Italiaans recht

[naam bedrijf 2],

gevestigd te [plaats] (Italië),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat eerst mr. N.A. van Loon, thans mr.drs. B.L.M. Voorvaart te Amsterdam.

Partijen zullen hierna curator en [gedaagde] worden genoemd. [eiser] zal [eiser] worden genoemd

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 23 oktober 2013,

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis van 27 november 2013, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens antwoord wijziging van eis in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2014, alsmede de daarin vermelde proceshandelingen en/of processtukken, waaronder:

* de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende incidentele conclusie tot

voeging met een in Italië aanhangige procedure,

* de brief van de curator van 16 mei 2014 waarin hij bericht dat hij de procedure in conventie en in reconventie overneemt,

- de brief van 27 mei 2014 zijdens de curator, met twee opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Italiaanse vennootschap [naam bedrijf 3] is een houdstermaatschappij van een groep van vennootschappen die actief zijn of waren in de Europese sierteeltsector (hierna: [groep 1]).

2.2.

[naam bedrijf 3] houdt alle aandelen in [gedaagde]. [gedaagde] is de Italiaanse productiemaatschappij van [groep 1].

2.3.

[naam bedrijf 3] was tot 14 februari 2013 ook aandeelhouder van [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4]). [naam bedrijf 4] was op haar beurt aandeelhouder van zeventien dochtervennootschappen van Nederlandse kwekerijen-, bloemen- en plantenhandelaren en –exporteurs (hierna: [de vennootschappen]).

2.4.

[naam bedrijf 4] hield tot mei 2009 (indirect) 75% van de aandelen in [eiser], toen nog met de statutaire naam [naam 1] De handelsnaam was [naam 2]. De overige aandelen werden door een derde gehouden. In mei 2009 zijn alle aandelen in [eiser] overgedragen aan [naam bedrijf 5] De nieuwe statutaire naam van [eiser] werd [naam bedrijf 1]

2.5.

Zowel voor als na de aandelenoverdracht in mei 2009 verrichte [eiser] transportdiensten voor [de vennootschappen]. Voor deze diensten heeft [eiser] facturen verzonden aan die vennootschappen.

2.6.

Vanwege een in 2009 ontstane betalingsachterstand op de genoemde facturen en ter bevordering van de continuïteit van de transportdiensten van [eiser] heeft [naam bedrijf 3] op 4 januari 2010 aan [eiser] de garantie gegeven in een aantal limitatieve gevallen openstaande facturen van [eiser] op [de vennootschappen] te voldoen. Deze garantie is schriftelijk vastgelegd in een “Guarantee Agreement” van dezelfde datum (hierna: de garantie).

2.7.

Medio 2012 is een achterstand ontstaan in de betaling van genoemde facturen. [eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [gedaagde] van de achterstand € 499.785,00 aan [eiser] zou betalen. [eiser] heeft voor dat bedrag reeds verzonden facturen aan haar opdrachtgevers gecrediteerd en in de plaats daarvan op 29 juni 2012 vijf facturen aan [gedaagde] verzonden. [gedaagde] heeft de eerste drie facturen voldaan, de resterende twee facturen van in totaal € 200.775,00 zijn onbetaald gebleven. [eiser] heeft over de openstaande facturen aan de oorspronkelijke debiteuren de wettelijke handelsrente in rekening gebracht, welke rente tot 6 mei 2013 aan [eiser] is voldaan.

2.8.

Een e-mail van 16 juli 2012 van [naam 3] van [naam bedrijf 4] aan [eiser] houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[…]

This was what we decided last time during the meeting with [naam bedrijf 4]:

 The maximum limit of all the invoices outstanding at any time between [groep 1] on the one hand and [naam bedrijf 1] on the other hand shall be equal to € 4.900.000 (“Credit Limit”);

 To the extent that at any moment in time the outstanding invoices are over and above the Credit Limit, [naam bedrijf 3] ([...]) shall forthwith pay [naam bedrijf 1] the difference between the Credit Limit and the amount of outstanding invoices at that moment in time;

 […]

 We will meet again the first week of September in order to define the further steps of this agreement.

Furthermore, please note the following. In return of the given guarantee, we would like to lower the annual interest for the amount overdue within the Credit Limit to 5.5%.

Please confirm your agreement with the above.

[…]

2.9.

Op dezelfde dag, 16 juli 2012 heeft [naam 3] ook een e-mail gestuurd aan [eiser] met het factuuradres van [gedaagde].

2.10.

[naam bedrijf 4] en al haar Nederlandse groepsvennootschappen zijn op 18 februari 2013 failliet verklaard.

Beslag

2.11.

Bij beschikking van 8 april 2013 kreeg [eiser] van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof tot (gedurende één maand repeterende) conservatoire beslaglegging ten laste van [gedaagde]. Daarbij is de termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak moet worden ingesteld bepaald op vier weken na het beslag. Met dit verlof heeft [eiser] op 8, 16, 23 en 26 april en 3 mei 2013 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder [bloemenveiling] (hierna [bloemenveiling] . Daarbij is een bedrag van € 88.562,49 beslagen.

2.12.

Op 7 mei 2013 is de dagvaarding in deze zaak betekend.

2.13.

Bij beschikking van 22 mei 2013 kreeg [eiser] (nogmaals) verlof tot drie keer repeterende conservatoire beslaglegging ten laste van [gedaagde]. Daarbij is de termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak moet worden ingesteld bepaald op vier weken na de eerste beslaglegging. Met dit verlof heeft [eiser] op 2 en 28 mei en 4 en 11 juni 2013 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder [bloemenveiling].

Verpanding

2.14.

Op 23 april 2013 heeft [gedaagde] aan [naam bedrijf 6] (hierna: [naam bedrijf 6]) een stil pandrecht verstrekt op alle huidige en toekomstige vorderingen die [gedaagde] op [bloemenveiling] heeft en nog zal verkrijgen (hierna: het pandrecht). De verpanding is schriftelijk vastgelegd in een “receivables plegde deed” (hierna: de pandakte). Op de pandakte is Nederlands recht van toepassing verklaard. Voorts houdt de pandakte, voor zover hier van belang, het volgende in:

[…]

WHEREAS:

(A) pursuant to a suppliers contract between Pledgor and Pledgee, the Pledgee has supplied parts of greenhouses to the Pledgee, as a result of which the Pledgor currently owes the Pledgee an amount of EUR 24,000,000 (twenty four million Euros):

(B) Pledgee has required and the Pledgor has agreed that it provides security to secure all present and future indebtedness to Pledgee;

[…]

2.15.

De pandakte is op 23 april 2013 bij de belastingdienst geregistreerd.

2.16.

Bij brief van 21 mei 2013 heeft de advocaat van [gedaagde] de verpanding aan [bloemenveiling] bekend gemaakt.

2.17.

Bij brief van 19 juni 2013 aan [gedaagde] en aan [naam bedrijf 6] heeft de advocaat van [eiser] de verpanding buitengerechtelijk vernietigd.

Italiaanse procedure

2.18.

[naam bedrijf 3] en [gedaagde] hebben bij het gerecht in Trani, Italië, een procedure aangespannen tegen [eiser] en een aantal Nederlandse banken. Zij hebben daartoe op 24 juni 2013 een dagvaarding uitgebracht. [gedaagde] vordert daarin van [eiser] en de banken als hoofdelijk schuldenaren een bedrag van € 10 miljoen wegens onder meer onrechtmatig handelen en misbruik van de garantie (hierna: de Italiaanse procedure).

faillissement [eiser]

2.19.

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 mei 2014 is [eiser], op eigen aangifte failliet verklaard. Daarbij is de curator benoemd als zodanig.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert, na meerdere wijzigingen van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - verkort weergegeven:

  1. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 200.775,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 januari 2013 althans vanaf datum dagvaarding;

  2. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.172.683,61, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 2 oktober 2013 althans vanaf 27 november 2013 (datum akte wijziging van eis);

  3. een verklaring voor recht dat het pandrecht niet rechtsgeldig is gevestigd, dan wel dat het pandrecht buitenrechtelijk is vernietigd, danwel het pandrecht te vernietigen, dan wel dat het [gedaagde] niet is toegestaan het pandrecht in te roepen;

  4. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 6.422,00 althans € 4.000,00;

  5. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, waaronder de beslagkosten, en rente.

3.2.

Voorts vordert de curator voeging van de door hem tegen [naam bedrijf 6] bij deze rechtbank aangespannen procedure.

3.3.

Hij stelt daartoe dat tussen [eiser] en [gedaagde] medio 2012 een achterstand is ontstaan in de betaling van de facturen die [eiser] aan [de vennootschappen] heeft gestuurd voor verrichte transportdiensten. Nadat [eiser] begin juni 2012 een kort geding heeft aangespannen tegen [naam bedrijf 3] in verband met de garantie, zijn [eiser] en [gedaagde], nadat er eerst nog een betalingsregeling over € 1.200.000,00 was afgesproken en niet nagekomen, uiteindelijk overeengekomen dat [gedaagde] van de achterstand € 499.785,00 aan [eiser] zou betalen. [eiser] zou voor dat bedrag reeds verzonden facturen aan haar opdrachtgevers crediteren en in plaats daarvan facturen aan [gedaagde] sturen, wat ook is gebeurd. Van de vijf op 29 juni 2012 aan [gedaagde] verzonden facturen zijn de eerste drie voldaan, de resterende twee facturen van in totaal € 200.775 zijn echter onbetaald gebleven, aldus de curator.

Daarbovenop zijn [eiser] en [gedaagde] in een bespreking op 13 juli 2012 overeengekomen dat het openstaande bedrag van de facturen van [eiser] aan [de vennootschappen] niet hoger mocht zijn dan € 4,9 miljoen en dat [gedaagde] een eventueel hoger uitstaand bedrag (hierna: de overstand) aan [eiser] zou betalen. Deze afspraak blijkt uit een e-mail van 16 juli 2012 van [naam 3], directielid bij [naam bedrijf 4], aan [eiser]. Ondanks diverse sommaties weigert [gedaagde] echter de overstand te betalen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 1.172.683,61. Aldus nog steeds de curator.

Tenslotte stelt de curator dat het pandrecht niet rechtsgeldig is omdat niet voldaan is aan de formele vereisten voor het vestigen ervan althans dat het geen reële grondslag heeft. Mocht het pandrecht wel rechtsgeldig zijn, dan is het op de voet van artikel 3:46 Burgerlijk Wetboek (BW) althans 3:47 BW voor vernietiging vatbaar omdat het onverplicht is gevestigd althans omdat [gedaagde] wist of behoorde te weten dat [eiser] met de verpanding van de vorderingen op [bloemenveiling] in haar verhaalsrechten zou worden benadeeld. Aldus steeds de curator.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – verkort weergegeven:

  1. een verklaring voor recht dat het pandrecht rechtsgeldig is;

  2. een verklaring voor recht dat de derdenbeslagen die [eiser] op 8, 16, 23 en 26 april en op 3 mei 2013 ten laste van [gedaagde] onder [bloemenveiling] heeft gelegd van rechtswege zijn vervallen althans opheffing van deze beslagen;

  3. opheffing van de derdenbeslagen die [eiser] op 22 en 28 mei en 4 en 11 juni 2013 ten laste van [gedaagde] onder [bloemenveiling] heeft gelegd;

  4. veroordeling tot betaling van de proceskosten, de nakosten en rente.

3.7.

[gedaagde] stelt daartoe in de eerste plaats dat aan alle vormvereisten voor het vestigen van het pandrecht is voldaan. Ook bestond een reële grondslag voor de verpanding, te weten de verstrekking van een krediet voor de aankoop van een perceel landbouwgrond en voor de bouw van kassen op dat perceel door [naam bedrijf 6]. De vraag of vernietiging van de verpanding mogelijk is, moet voorts worden beoordeeld naar Italiaans recht, naar welk recht [naam bedrijf 6] gerechtigd was om van [gedaagde] een pandrecht te verlangen. Ook naar Nederlands recht geldt dat [naam bedrijf 6] een tegenprestatie heeft verricht, zodat het pandrecht om baat is verstrekt, en dat er geen wetenschap van benadeling was.

Voorts stelt [gedaagde] dat alle beslagen van de eerste beslagenreeks zijn komen te vervallen omdat [eiser] de dagvaarding niet binnen vier weken na de eerste beslaglegging op 8 april 2013 heeft uitgebracht.

De beslagen van de tweede beslagenreeks ten slotte dienen volgens [gedaagde] te worden opgeheven omdat de vorderingen waarop beslag is gelegd al vóór de beslaglegging waren verpand aan [naam bedrijf 6].

3.8.

De curator voert verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De curator heeft meerdere keren de eis aangevuld. [gedaagde] heeft tegen deze eiswijzigingen als zodanig geen bezwaar gemaakt zodat over de gewijzigde eis zal worden geoordeeld.

4.2.

In het vonnis in incident is al geoordeeld over de rechtsmacht en de bevoegdheid van deze rechtbank.

De curator stelt dat op zijn vordering jegens [gedaagde] Nederlands recht van toepassing is. [gedaagde] heeft dit wat betreft de betalingsvorderingen niet betwist en heeft zich ter betwisting daarvan eveneens op Nederlands recht beroepen. De rechtbank gaat dan ook ervan uit dat partijen een (stilzwijgende) rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gemaakt wat de betalingsvorderingen. Ten aanzien van het pandrecht zal hierna nader over het toepasselijke recht worden geoordeeld.

€ 200.775,00

4.3.

[gedaagde] heeft erkend dat zij met [eiser] is overeengekomen dat zij € 499.785,00 aan [eiser] zou betalen en dat daarvan € 200.775,00 onbetaald is gebleven. Anders dan de rechtbank in haar vonnis in incident heeft geoordeeld is [gedaagde] tegenover [eiser] echter een zelfstandige overeenkomst aangegaan en is geen sprake van contracts- of schuldoverneming. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde], anders dan de oorspronkelijke debiteuren, geen handelsrente is verschuldigd omdat het niet meer om handelstransacties gaat, aldus [gedaagde].

4.4.

Gelet op de erkenning is [gedaagde] in beginsel € 200.775,00 aan de curator verschuldigd. Over dit bedrag is [gedaagde] ook de handelsrente overeenkomstig artikel 6:119a BW verschuldigd. Uit de vaststaande feiten valt af te leiden dat [gedaagde] (een groepsvennootschap van [groep 1]) zich jegens [eiser] heeft verplicht de schulden van [de vennootschappen] (eveneens groepsvennootschappen van [groep 1]) te betalen en dat partijen daarbij zijn overeengekomen dat de oude facturen zouden worden gecrediteerd en nieuwe aan [gedaagde] facturen zouden worden gestuurd. Dit alles wijst op een schuldoverneming door [eiser], zodat [gedaagde] in beginsel ook de door [de vennootschappen] oorspronkelijk verschuldigde handelsrente dient te betalen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde ingangsdatum van 6 december 2013, zodat deze datum zal worden aangehouden.

4.5.

Over het gevoerde opschortings- en verrekeningsverweer zal hierna worden geoordeeld.

€ 1.172.683,61

4.6.

[gedaagde] heeft betwist dat [eiser] en [gedaagde], anders dan de hiervoor besproken afspraak over betaling van € 499.785,00, zijn overeengekomen dat [gedaagde] de overstand zou betalen. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de gestelde afspraak niet blijkt uit de e-mail van 16 juli 2012, omdat er, onder meer, (i) nog nieuwe voorstellen over rente in zijn verwoord, (ii) bepaalde zaken tot september 2012 onuitgewerkt bleven en (iii) [eiser] expliciet om instemming is verzocht. Ook uit de door [eiser] daarna verzonden e-mails blijkt dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt. [naam 4] heeft in zijn e-mail van 17 juli 2014 de inhoud van de e-mail van 16 juli 2012 niet bevestigd maar deels betwist. In latere mails, die niet eens aan [gedaagde] waren gericht, wordt [gedaagde] steeds in verband gebracht met een betaling van € 200.755,00, maar nooit met de overstand, aldus [gedaagde].

Verder heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat [naam 3], die de mail heeft verzonden en die inkoopdirecteur was bij [naam bedrijf 4], niet bevoegd was om namens [gedaagde] op te treden.

4.7.

Nu [gedaagde] op de hiervoor vermelde wijze de door de curator gestelde afspraak gemotiveerd heeft betwist, ligt op de curator, die zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling beroept, de bewijslast daarvan. De rechtbank zal de curator in de gelegenheid stellen te bewijzen dat [eiser] met [gedaagde] op 13 juli 2012 is overeengekomen dat [gedaagde] de overstand aan [eiser] zou betalen en dat deze afspraak naast de afspraak over betaling van € 499.785,00 is gemaakt. De zaak zaal daartoe naar de rol worden verwezen voor akte uitlating bewijs zijdens de curator.

4.8.

Vooruitlopend op de bewijslevering wordt reeds nu het beroep van [gedaagde] op de klachtplicht overeenkomstig 6:89 BW verworpen. Dit artikel ziet op een gebrek in de prestatie van een schuldenaar maar niet op het niet-nakomen van een betalingsverplichting.

opschorting/verrekening

4.9.

Voor het geval zij nog betaling van enig bedrag aan de curator zou zijn verschuldigd, heeft [gedaagde] een beroep gedaan op verrekening met een vordering van haar op [eiser], ontstaan vóór datum faillissement. In de Italiaanse procedure heeft [gedaagde] immers € 10 miljoen aan schadevergoeding van onder meer [gedaagde] gevorderd. Nu de precieze omvang van deze vordering weliswaar nog niet vast staat maar deze hoe dan ook vele malen hoger is dan het door de curator gevorderde, kan de vordering van de curator in geen geval tot toewijzing van enig bedrag leiden, aldus [gedaagde].

4.10.

In de dagvaarding in de Italiaanse procedure wordt – verkort weergegeven – gesteld dat [eiser] jegens [naam bedrijf 3] misbruik heeft gemaakt van haar positie van begunstigde van de garantie (door [naam bedrijf 3] aan [eiser] verstrekt, zie 2.6) door de stelselmatige late betaling van [de vennootschappen] (in die dagvaarding genaamd “[de vennootschappen]”) aan [eiser] te tolereren in plaats van juridische acties in te stellen, en door een hogere rente met [de vennootschappen] overeen te komen, waardoor het bedrag waarvoor [naam bedrijf 3] instond hoger werd. Volgens de Italiaanse dagvaarding heeft [eiser] van deze situatie ook misbruik gemaakt door rechtstreeks van [gedaagde] betaling te verlangen van transportdiensten voor [de vennootschappen]. Voorts wordt in die dagvaarding gesteld dat [eiser] eind 2012 met onmiddellijke ingang de met [groep 1] overeengekomen transportwerkzaamheden heeft stopgezet, waardoor het concern ernstige handelsschade heeft geleden en waardoor ook schade in de “rechts/vermogenssfeer” van [gedaagde] is opgetreden. Tenslotte wordt gesteld dat [eiser] zich jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gedragen door het verkrijgen van de betaling van schulden van anderen en door tegelijkertijd mee te weken aan de ineenstorting van het distributienetwerk op de Franse markt. Volgens de stellingen in de Italiaanse dagvaarding heeft [gedaagde] door het handelen van [eiser] schade geleden “ten aanzien van de productie van bloemen en planten”, welke schade bestaat uit “de aantasting van het “recht op vrij economisch en ondernemingsinitiatief”” . De hoogte van de door [gedaagde] geleden schade wordt gesteld op € 10 miljoen “voor de ineenstorting van het handelsnetwerk voor de verkoop van de producten, mede als gevolg van het faillissement van CHI [[naam bedrijf 4], toevoeging rechtbank]”.

4.11.

De curator heeft de door [gedaagde] gestelde tegenvordering gemotiveerd betwist. Volgens de curator ontbreekt iedere feitelijke en juridische grondslag aan de tegenvordering van [gedaagde]. Zowel de gestelde onrechtmatige gedragingen als de daaraan gekoppelde schade worden betwist. Meer specifiek heeft de curator, onder meer, betwist dat [eiser] eind 2012 haar transportverplichtingen eenzijdig zou hebben opgeschort dan wel stopgezet. Volgens de curator was daarover juist een afspraak gemaakt met [naam bedrijf 4], die inmiddels in zee was gegaan met een andere vervoerder.

4.12.

De rechtbank overweegt dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting door de curator op de weg van [gedaagde] had gelegen haar vordering nader te onderbouwen. Dit is echter niet gebeurd, zodat deze niet is komen vast te staan. De zeer algemene stellingen in de Italiaanse dagvaarding zijn in elk geval onvoldoende om de gestelde tegenvordering te kunnen vast stellen. Die dagvaarding bevat veel algemene stellingen en verwijten, die grotendeels zien op gedragingen van [eiser] jegens [naam bedrijf 3] De rechtbank kan uit die stellingen niet opmaken welke handelingen gedragingen jegens [gedaagde] precies aan [eiser] worden verweten, waarom die gedragingen onrechtmatig zijn, dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden en zo waarom in de gestelde hoogte.

Nu de gestelde tegenvordering niet is komen vast te staan, zal het beroep van [gedaagde] op verrekening worden verworpen.

4.13.

[gedaagde] heeft zich ook op opschorting van een eventuele betalingsverplichting aan de curator beroepen. Dit beroep wordt eveneens verworpen. Voorop staat dat de rechter die over een opschortingsverweer dient te oordelen moet onderzoeken of de gestelde tegenvordering bestaat en of en in hoeverre deze het beroep op een opschortingsrecht kan rechtvaardigen. Daarbij hij zal moeten volstaan met een voorshands oordeel omtrent (de omvang van) die tegenvordering indien nog bewijslevering of een afzonderlijke procedure (of een procedure in het buitenland) moet volgen voordat (de omvang van) de tegenvordering vaststaat (zie Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907).

Gelet op de overwegingen ten aanzien van de het verrekeningsverweer zal ook het beroep van [gedaagde] op opschorting van een eventuele betalingsverplichting aan de curator niet slagen.

pandrecht

4.14.

Vast staat dat de registratie van de pandakte en de mededeling van de verpanding aan [bloemenveiling] heeft plaatsgevonden vóór de eerste beslaglegging van de tweede beslagenreeks, zodat de vraag naar de geldigheid van het pandrecht van belang is voor het lot van de gelegde beslagen.

4.15.

Ter beoordeling van de vraag of het pandrecht voor vernietiging in aanmerking komt, dient eerst te worden gekeken naar welk recht de vernietigbaarheid moet worden beoordeeld. Volgens de curator is Nederlands recht op die vraag van toepassing omdat in de pandakte Nederlands recht van toepassing is verklaard.

Volgens [gedaagde] moet de vernietigbaarheid worden beoordeeld aan de hand van Italiaans recht. De verplichting van [gedaagde] tot het stellen van zekerheid aan [naam bedrijf 6] vloeit immers voort uit een kredietovereenkomst tussen deze twee Italiaanse partijen ten behoeve van landbouwgrond in Italië, aldus [gedaagde].

4.16.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het recht van een partij om de vernietiging in te roepen van een voor haar nadelige rechtshandeling tussen andere partijen, ook vaak aangeduid met de algemene Latijnse term actio pauliana, gaat terug op een oude Romeinse actio. Dergelijke actio’s komen nog steeds in veel Europese rechtsstelsels voor. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat ook in het Italiaans recht een dergelijke actio pauliana bestaat en dat de Italiaanse wettelijke bepalingen daaromtrent niet wezenlijk afwijken van de Nederlandse bepalingen van de artikelen 4:45 BW en volgende. De advocaat van [gedaagde] heeft dit ter zitting bevestigd. Derhalve zal de vernietiging naar Nederlands recht worden beoordeeld en kan een beslissing omtrent het toepasselijke recht achterwege blijven.

4.17.

De curator heeft gesteld dat uit niets een verplichting van [naam bedrijf 6] blijkt tot het verstrekken van het pandrecht, zodat het een rechtshandeling om niet betreft. Mocht er inderdaad een schuld van [gedaagde] jegens [naam bedrijf 6] bestaan voor de bouw van kassen, dan had het eerder voor de hand gelegen om daarvoor een hypotheekrecht te bedingen in plaats van een pandrecht.

[gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat er geen sprake was van en onverplichte prestatie. De verplichting van [gedaagde] tot het stellen van zekerheid aan [naam bedrijf 6] vloeit voort uit een kredietovereenkomst tussen deze twee Italiaanse partijen ten behoeve van landbouwgrond in Italië, wat ook uit het considerans van de pandakte blijkt. Ook is er geen sprake van een onverplichte rechtshandeling omdat [naam bedrijf 6] een tegenprestatie heeft verricht voor het verleende pandrecht, namelijk het verschaffen van aanzienlijke kredieten. In het licht van de als gevolg van het negatieve economisch klimaat dalende waarde van het door [gedaagde] verstrekte onderpand stond het [naam bedrijf 6] vrij aanvullende zekerheden te verlangen, aldus [gedaagde].

4.18.

Van belang bij de beantwoording van de vraag of het vestigen van het pandrecht een onverplichte rechtshandeling was, is of op het moment van het vestigen daartoe een verplichting voor [naam bedrijf 6] bestond, bijvoorbeeld omdat [naam bedrijf 6] en [gedaagde] dit ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst zo zijn overeengekomen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen, die geacht moet worden de beschikking te hebben over stukken met betrekking tot dergelijke afspraken met [naam bedrijf 6], dergelijke stukken ter onderbouwing van haar betwisting van de gestelde onverplichte rechtshandeling in te brengen. Dit is echter niet gebeurd. Dat [naam bedrijf 6] op enig moment krediet heeft verstrekt aan [gedaagde] is onvoldoende voor het aannemen van een verplicht verstrekt pandrecht als bij het geven van het krediet niet ook is afgesproken dat op een later moment aanvullende zekerheid (in de vorm van een pandrecht) moet worden afgegeven. De verwijzing naar de considerans onder (B) in de pandakte is eveneens onvoldoende, nu uit deze passage niet meer blijkt dan dat [naam bedrijf 6] gevraagd heeft om een pandrecht, maar niet of [gedaagde] ook een verplichting daartoe had. Dit alles, samen met het feit dat het pandrecht is overeengekomen op het moment dat [eiser] al beslagen ten laste van [gedaagde] had laten leggen en het feit dat [naam bedrijf 6] op dat moment een groepsvennootschap was van [groep 1], leidt ertoe dat [gedaagde] het gestelde onverplichte karakter van de verpanding onvoldoende heeft betwist, zodat ervan zal worden uitgegaan dat het om een onverplichte rechtshandeling ging.

4.19.

Verder wordt geoordeeld dat het verstrekken van het pandrecht aan [naam bedrijf 6] een rechtshandeling betreft die benadeling van de curator tot gevolg heeft. Door deze verpanding kan de curator immers de beslagen van de tweede beslagenreeks niet aan [naam bedrijf 6] tegenwerpen en vist hij bij tenuitvoerlegging van het eindvonnis in deze zaak, ter zekerheid waarvoor het beslag is gelegd, achter het net.

4.20.

Tenslotte geldt op grond van artikel 6:47 BW het vermoeden van wetenschap aan de kant van [gedaagde] van benadeling nu het pandrecht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietiging is verstrekt. [gedaagde] heeft dit vermoeden niet gemotiveerd betwist.

4.21.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de vereisten van artikel 3:45 BW voor het inroepen van de vernietiging. [eiser] heeft bij brief van 6 september 2013 aan [gedaagde] en aan [naam bedrijf 6] de vernietiging buitengerechtelijk ingeroepen, in welke mogelijkheid de artikelen 6:49 en 6:50 BW voorzien. Deze buitengerechtelijke vernietiging moet dan ook geacht worden rechtsgeldig te zijn, zodat [gedaagde] het pandrecht jegens de curator niet meer kan inroepen. Gelet op de buitengerechtelijke vernietiging, gedaan jegens beide partijen bij de vernietigde rechtshandeling, kon het dagvaarden van [naam bedrijf 6] op de voet van artikel 6:51 BW achterwege blijven. De gevorderde verklaring voor recht dat het pandrecht buitengerechtelijk is vernietigd is dan ook toewijsbaar.

4.22.

Nu is geoordeeld dat het pandrecht rechtsgeldig is vernietigd en [naam bedrijf 6] niet hoefde te worden gedagvaard, kan een beoordeling van de overige stellingen van de curator omtrent het pandrecht achterwege blijven. [gedaagde] komt gelet op dit oordeel ook geen beroep toe op de door haar ingeroepen exceptio pluris litis consortium (het verweer dat niet alle noodzakelijke partijen in het geding zijn betrokken).

voeging

4.23.

Hiervoor is al geoordeeld dat [naam bedrijf 6] niet hoefde te worden gedagvaard in verband met het beroep van de curator op vernietiging van het pandrecht. Voor zover de procedure tegen [naam bedrijf 6] überhaupt bij de rechtbank is aangebracht, heeft de curator dan geen belang meer bij zijn vordering tot voeging. Die vordering zal daarom worden afgewezen.

slotsom conventie

4.24.

In conventie is gelet op het voorgaande een bedrag van € 200.775,00, te vermeerderen met de hiervoor genoemde rente toewijsbaar. Over de vordering tot betaling van € 1.172.683,61 dient de curator bewijs te leveren. In afwachting daarvan zal iedere beslissing in conventie worden aangehouden.

in reconventie

pandrecht

4.25.

Uit de overwegingen in conventie vloeit voort dat de vordering in reconventie aangaande het pandrecht niet voor toewijzing in aanmerking komt.

beslag

4.26.

Vast staat dat de dagvaarding in deze zaak later dan vier weken na de eerste beslaglegging onder het eerste beslagverlof is betekend. Partijen twisten over de vraag of dit ook ertoe leidt dat alle onder het eerste beslagverlof gelegde beslagen daardoor van rechtswege zijn komen te vervallen in plaats van alleen de eerste beslaglegging op 8 april 2013. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit het geval is, de curator voert aan dat alleen het op 8 april 2013 gelegde beslag is komen te vervallen en dat de overige beslagen uit de eerste reeks nog wel rechtsgeldig zijn.

4.27.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn van vier weken die door de voorzieningenrechter is gegeven voor het uitbrengen van de dagvaarding in die zin moet worden begrepen dat de dagvaarding binnen vier weken na de éérste beslaglegging onder het gegeven verlof moet worden uitgebracht. Dat het verlof ook de mogelijkheid geeft voor verdere beslagen houdt verband met mogelijk bij de derdebeslagene nakomende bedragen die op die manier ook nog kunnen worden beslagen. Dit moet worden gezien als een uitbreiding van de mogelijkheid tot beslaglegging in de zin dat het een voortzetting is van het eerste gelegde beslag. Het is niet bedoeld voor het verruimen van de termijn voor het uitbrengen van de dagvaarding. Dit voorkomt ook dat een beslaglegger zelf zou kunnen bepalen wanneer hij de dagvaarding uitbrengt door de termijn pas te laten beginnen op de dag van laatste beslaglegging, wat in strijd zou zijn met de ratio van de dagbepaling overeenkomstig artikel 700 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het voorgaande betekent dat de hele eerste beslagenreeks op de voet van genoemd artikel van rechtswege is komen te vervallen.

4.28.

[gedaagde] heeft ook gevorderd om de beslagen van de tweede beslagenreeks op te heffen omdat aan de curator geen vordering toekomt. In conventie is geoordeeld dat [gedaagde] in elk geval € 200.775,00, te vermeerderen met rente, aan de curator is verschuldigd, dat het beroep van [gedaagde] op verrekening en opschorting niet wordt gehonoreerd en dat het pandrecht rechtsgeldig is vernietigd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om die beslagen op te heffen, zodat die vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.29.

In afwachting van de bewijslevering in conventie wordt iedere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

stelt de curator in de gelegenheid te bewijzen dat [eiser] met [gedaagde] op 13 juli 2012 is overeengekomen dat [gedaagde] de overstand aan [eiser] zou betalen en dat deze afspraak naast de afspraak over betaling van € 499.785,00 is gemaakt (zie 4.7),

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 september 2014 voor uitlating door de curator of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat de curator, indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat de curator, indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met december 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde, later aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, mr. L. Biller en mr. R. Raat en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.