Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5288

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_5116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Awb 8:81, APV, evenementenvergunning. Het beleid schrijft weliswaar een langere termijn voor, maar dat is geen weigeringsgrond en bovendien is de aanvraag ingediend binnen de termijn die in de APV staat. Het terrein is aangemerkt als evenementengebied dus geen strijd met de bestemming. De burgemeester mocht zich baseren op het rapport van de deskundige, waaruit blijkt dat er wat betreft de geluidsnormen geen verslechtering is ten opzichte van de situatie in 2013. Een door de omwonende ingebracht andersluidend rapport leidt niet tot een andere conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/5116

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2014 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S.D. van Reenen),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Waal),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:[derde belanghebbende][derde belanghebbende] te [woonplaats].

Procesverloop

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

Het[derde belanghebbende] heeft om een evenementenvergunning verzocht voor het organiseren van het evenement Magneetfestival 2014. Verweerder heeft vergund een cultureel festival met workshops, versterkte muziek, theater, eten/drinken en beeldende kunst met naar schatting 6.000 bezoekers op het drukste moment, ter hoogte van [adres 1] op

vrijdag 22 augustus 2014 tot en met zondag 24 augustus 2014 en op vrijdag

29 augustus 2014 tot en met zondag 31 augustus 2014, te weten op vrijdagen tussen 15.00 en 01.00 uur, op zaterdagen en zondagen tussen 12.00 en 01.00 uur. De evenementenvergunning is verleend bij besluit van 28 juli 2014 alsmede een ontheffing voor het hebben van een tijdelijke camping alleen voor medewerkers ex artikel 2.20 in samenhang met artikel 4.25, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2008 (APV) en ontheffing ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel. 4, lid 2 van de Zondagswet. Aan de vergunning heeft verweerder een aantal voorwaarden verbonden. Bij het besluit van 4 augustus 2014 heeft verweerder de vergunning van 28 juli 2014 gewijzigd met aangepaste milieuvoorschriften. Deze zijn als bijlage bij het besluit gevoegd, het gaat daarbij om het aantal decibellen (dB(A))geluid vanaf de podia en de tenten en de wijze waarop dat wordt gemeten.

2.2

Verzoeker heeft tegen het besluit van 4 augustus 2014 bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn dat de evenementenvergunning te laat is aangevraagd en verleend en dat de aan de vergunning verbonden milieuvoorschriften te veel geluid toestaan dan wel onduidelijkzijn. Voorts is aangevoerd dat de vergunning in strijd met de Zondagswet en het Evenementenbeleid is verleend, aangezien het maximaal aantal festivaldagen voor een dergelijk zwaar evenement wordt overschreden. Verzoeker heeft verzocht om het besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

Juridisch kader

3

Op grond van artikel 2.43 van de APV kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar zijn oordeel:

(…) c. het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats op waar het wordt gehouden; (…)

f. van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is;

(…) h. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen of

i. (…).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4.1

Volgens vaste jurisprudentie is de bevoegdheid van de burgemeester tot verlening van een evenementenvergunning een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan hem een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt. De burgemeester kan en mag daarbij alleen rekening houden met rechtsbelangen die deze bepaling beoogt te beschermen. Andere belangen kunnen dan ook geen grond vormen voor weigering van de vergunningverlening. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2003, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2003:AF8028.

4.2

Verzoeker woont op de [adres 2] te [woonplaats]. Hij stelt zicht te hebben op het evenement en als gevolg van het evenement geluidsoverlast te ondervinden. Ter zitting hebben partijen aan de hand van de kaart geschat dat de afstand tussen het festivalterrein en verzoekers woning meer dan 850 meter bedraagt. Ook de voorzieningenrechter gaat daar van uit. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat het geluid van het festival voor verzoeker hoorbaar is en hij daardoor als belanghebbend kan worden aangemerkt.

4.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder uiteengezet dat deze bevoegdheid van de Burgemeester in mandaat wordt uitgeoefend door de Voorzitter van de Bestuurscommissie oost wordt uitgeoefend. Daarbij wordt volgens verweerder gebruik gemaakt van het Evenementenbeleid stadsdeel Oost 2012, ook al is dit – zo stelt verweerders gemachtigde – niet officieel door de Burgemeester goedgekeurd. Ook de voorzieningenrechter gaat derhalve uit van de toepasselijkheid van genoemd beleid.

4.4

Verzoeker betoogt dat verweerder de aanvraag van de vergunninghouder voor een evenementenvergunning ten onrechte heeft verleend, omdat de aanvraag van 21 mei 2014 te laat is gediend. Dit is namelijk 13 weken voor het evenement, terwijl verweerder voor een evenement van deze omvang een indieningstermijn van uiterlijk 16 weken voor de datum van het evenement hanteert. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag van de vergunninghouder ten onrechte in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft ter zitting nog eens benadrukt dat het evenement voor

1 december 2013 is aangekondigd, er op 24 april 2014 een exactere vooraankondiging is gedaan. Ingevolge artikel 2.40, tweede lid van de APV wordt de aanvraag voor een evenementenvergunning ingediend uiterlijk acht weken voor de datum van de aanvang van het evenement. De uiteindelijke aanvraag is ingediend op 21 mei 2014, hetgeen in overeenstemming is met het wettelijk voorschrift. Deze termijn weliswaar korter is dan de termijn van 16 weken die in het evenementenbeleid wordt gehanteerd, echter van die termijn mag worden afgeweken, aldus verweerder. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat het te laat indienen van de aanvraag op zich geen weigeringsgrond is en bekendheid met het evenement meebrengt dat de aanvraag in behandeling kon worden genomen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband ook op artikel 2.40, derde lid APV waarin is bepaald dat van de termijn in het tweede lid kan worden afgeweken. Daaruit volgt dat de burgmeester bevoegd maar niet verplicht is te besluiten de aanvraag voor een evenementenvergunning niet te behandelen omdat deze te laat is ingediend. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om vanwege het laat indienen van de aanvraag een voorziening te treffen. Verder valt niet in te zien dat verzoeker door de kortere termijn zou zijn geschaad nu de in het beleid genoemde termijn zich vooral richt op de aanvrager en dient als waarborg voor het bestuursorgaan teneinde voldoende tijd te hebben voor de behandeling van de vergunningsaanvraag.

4.5

Dat sprake is van een wijziging van de geluidsnormen ten opzichte van het evenement in 2013 maakt nog niet dat daarom de voorziening moet worden getroffen het besluit te schorsen. Zoals blijkt uit de toelichting ter zitting van de deskundige van verweerder, gaat het om een wijziging van de geluidsvoorschriften en wordt een andere meetoptiek gebruikt. De deskundige van verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat dit geen verslechtering is ten opzichte van 2013. Zo zijn er nu vaste meetpunten bij het podium en de tenten. Bij de tenten wordt op 1 meter van de tent gemeten en van het podium op 10 meter, in 2013 was dat 20 meter. De meetpunten zijn nu op tekening exact vastgelegd, wat de handhaafbaarheid vergemakkelijkt omdat geen discussie meer kan ontstaan waar gemeten moet worden. Verder wordt ook geluid gemeten op de eerste gevel van de geluidsgevoelige bewoning op de [adres 3], die ongeveer 815 meter van het festival terrein ligt aan de andere kant van het water. Op die gevel is ingevolge de voorschriften na 23.00 uur maximaal 40 dB(A) toegestaan. Het aantal dB(A) vanaf 10 meter van het podium en 1 meter van de tenten neemt volgens de deskundige van verweerder bij verdubbeling van de meetafstand 6 dB(A) af. Op het meetpunt op 1 meter vanuit tenten en overkappingen is 85 dB(A) en op 10 meter van de podia zonder tent of overkapping is 90 dB(A) toegestaan. Het geluid vanuit de Magneetbar mag gemeten op 1 meter vanuit de tent niet meer bedragen dan 90 dB(A). Met het vastleggen van deze waarden in de vergunning is volgens de deskundige gelet op de afstand voldoende gewaarborgd dat het geluid op de naastgelegen woningen overdag niet komt boven de 50 dB(A) hetgeen volgens de deskundige overeen met geluid wat voor een bedrijf over de hele dag is toegestaan. Daarnaast heeft verweerder in de vergunning de zware norm van 40 dB(A) voor de nachtelijke uren neergelegd De voorzieningenrechter overweegt dat het door verzoeker ingebrachte rapport van [deskundige] niet specifiek genoeg is om te concluderen dat verweerder zich niet heeft mogen baseren op de bevindingen van de eigen deskundige. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat de geluidsbelasting die verzoeker dient te dulden niet onevenredig is, nu hij ook nog verder van het evenement af woont dan de gevel waarop wordt gemeten, dat daarom een voorziening moet worden getroffen.

4.6.

Anders dan verzoeker aanvoert, constateert de voorzieningenrechter dat verweerder in het besluit rekening houdt met de Zondagswet en daarvan ontheffing heeft verleend. Daarbij komt dat vergunninghouders ter zitting hebben gezegd dat het evenement op zondag niet eerder dan 13.00 uur zal aanvangen. Dat dit niet in de vergunning staat kan in bezwaar worden gerepareerd door verweerder.

4.7

Verweerder gaat er van uit dat het hier gaat een middelzwaar evenement op basis van het Evenementenbeleid 2012. Een zwaar evenement is volgens verweerder bijvoorbeeld een popfestival wat hier niet het geval is. De geluidsnormen 85 dB(A) die in het beleid worden gehanteerd voor een middelzwaar evenement worden volgens verweerder op een afstand van 25 meter gemeten. Rekening houdend met het verlies aan dB(A) door de afstand komt dat volgens de deskundige van verweerder voor het Magneetfestival (gemeten 90 dB(A) op 10 meter) onder de norm van een middelzwaar evenement. De voorzieningenrechter acht de redenering van de deskundige van verweerder niet onjuist. Nu het bij het Magneetfestival gaat om zes dagen, wordt het maximaal aantal evenementsdagen met middelzware geluidsbelasting op deze locatie niet overschreden.

4.8

Dat verweerder een preventieve last onder dwangsom had moeten opleggen volgt de voorzieningenrechter niet. Er is immers een evenementenvergunning afgegeven en overtreding daarvan ligt niet voor de hand. Er is tussen verweerder en de vergunninghouders overleg geweest om zich aan de voorwaarden te houden. Ook heeft vergunninghouder ter zitting er blijk van gegeven zich aan de voorwaarden te houden. Dat de voorwaarden overtreden zullen worden ligt niet voor de hand nu er voldoende toezicht wordt gehouden door verweerder die ook geluidsmetingen zal doen en ook vergunninghouder telefonisch bereikbaar is indien verzoeker overlast ervaart. De voorzieningenrechter ziet dan evenmin aanleiding om te menen dat vergunninghouder onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement.

4.9

De voorzieningenrechter overweegt tenslotte dat artikel 2.43, lid c, van de APV weliswaar de mogelijkheid opent om een vergunning te weigeren indien het evenement zicht niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden, maar dat in het Evenementenbeleid het onderhavige industrieterrein, als evenementengebied wordt aangemerkt. De gestelde strijd met het bestemmingsplan acht de voorzieningenrechter in het onderhavige geval geen grond waarom verweerder in dit geval de vergunning in redelijkheid had moeten te weigeren.

4.10

De voorzieningenrechter ziet vooralsnog dan ook niet in dat het evenement op onjuiste wijze zou zijn vergund of dat verweerder in redelijkheid niet tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan.

5.1

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het primaire besluit in bezwaar vermoedelijk stand zal houden, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5.2

Nu het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en evenmin voor een vergoeding van het griffierecht door verweerder.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Coll: HB