Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5267

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
AMS 14-111
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was of dat hij redelijkerwijs kon begrijpen dat hij een te hoge Ziektewetuitkering kreeg. Geen grondslag voor de herziening of de aan eiser opgelegde boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Bakker-Havinga),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Hopster).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser meegedeeld dat een gedeelte van de inkomsten uit werk die hij per 28 mei 2012 heeft genoten zal worden ingehouden op de uitkering die hij op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangt en dat eiser de over de periode van 28 mei 2012 tot en met 16 september 2012 ten onrechte genoten ZW-uitkering ten bedrage van € 534,70 terug dient te betalen aan verweerder.

Bij besluit van 7 augustus 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.

Bij besluit van 28 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser was werkzaam als [baan] via[naam6][naam4]. Op 25 mei 2012 is eiser door[naam4] ziek gemeld naar aanleiding van een bedrijfsongeval.

1.2

Bij besluit van 11 juni 2012 heeft verweerder aan eiser met ingang van 28 mei 2012 een ZW-uitkering toegekend.

1.3

Bij het primaire besluit I heeft verweerder eiser meegedeeld dat nu eiser met ingang van 28 mei 2012 gewerkt heeft, 70% van de door eiser genoten inkomsten uit werk op zijn ZW-uitkering ingehouden zal worden. Eiser heeft niet alle informatie aan verweerder verschaft die van belang is voor verweerder voor het vaststellen van zijn uitkering. Eiser heeft hierdoor over de periode van 28 mei 2012 tot en met 16 september 2012 € 534,70 bruto aan ZW-uitkering gehad waar hij geen recht op had. Dit bedrag dient eiser aan verweerder terug te betalen.

1.4

Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 60,-, omdat eiser niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 28 mei 2012 tot en met

16 september 2012 gewerkt heeft bij [naam4][naam6]. Er is sprake van volledige verwijtbaarheid.

1.5

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser in de brief van 29 mei 2012 er op is gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie, bijvoorbeeld zijn inkomsten, zo snel mogelijk door moet geven. Eiser kan deze wijzigingen doorgeven door gebruik te maken van het formulier Wijzigingen doorgeven. In het toekenningsbesluit van

11 juni 2012 is eiser er nogmaals op gewezen dat hij wijzigingen in bijvoorbeeld zijn inkomsten zo snel mogelijk moet doorgeven. Uit opgave van[naam6] [naam4] is gebleken dat eiser voor het laatst had gewerkt in week 19 van 2012, die liep van 7 mei 2012 tot en met 13 mei 2012. De dag voorafgaande aan de ziekmelding op 25 mei 2012 had eiser geen inkomsten van [naam4]. In de week van 28 mei 2012 is eiser weer werkzaamheden gaan verrichten voor[naam6] [naam4]. De inkomsten die eiser in verband hiermee ontving dienen conform de geldende wetgeving op de ZW-uitkering te worden gekort. Niet is gebleken dat eiser heeft doorgegeven dat hij inkomsten van [naam4] had of dat in gesprekken met het[naam7] van verweerder aan eiser de ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat deze inkomsten niet gekort zouden worden. Er is geen dringende reden om van herziening of terugvordering af te zien. Eiser heeft, door geen melding te maken van de inkomsten van [naam4] in de week van 28 mei 2012, niet voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Verweerder ziet in het door eiser aangevoerde geen reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Ook overigens is niet gebleken van dringende redenen om van de boeteoplegging af te zien.

1.6

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en dat hij verweerder altijd heeft geïnformeerd over het feit dat hij naast het werk waaruit hij ziek is geworden nog twee andere werkgevers had, te weten [naam8] en [naam4]. Eiser heeft dit in diverse gesprekken met medewerkers van verweerder gemeld. Eiser heeft verweerder juist goed geïnformeerd, omdat hij achteraf niet met een terugvordering geconfronteerd wilde worden. Het is voor eiser niet duidelijk waarom vanwege de baan bij [naam4] wel en vanwege de baan bij Hortus niet wordt gekort op zijn ZW-uitkering. Ten onrechte heeft verweerder geconcludeerd dat het ontbreken van specifieke gespreksaantekeningen met betrekking tot het inkomen dient te worden gezien als een aanwijzing dat eiser de informatieplicht zou hebben geschonden. Het is onzorgvuldig geweest van verweerder om aan eiser een overzicht te vragen van de namen en data van de met medewerkers van verweerder gevoerde gesprekken. Er is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiser mocht er op vertrouwen dat de hem toegekende ZW-uitkering correct was berekend. Eiser wijst er in dit kader op dat zijn dagloon niet juist is vastgesteld en dat er gelet op artikel 9 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen geen enkele aftrek dient plaats te vinden van inkomsten uit dienstbetrekkingen die er reeds waren ten tijde van zijn uitval voor het vuilniswerk. Voor de berekening van het dagloon diende alleen gekeken te worden naar de inkomsten die eiser verdiende bij[naam4].

2.

De rechtbank gaat uit van de volgende relevante wetgeving.

2.1

Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de ZW – voor zover thans van belang – herziet of trekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld, een dergelijk besluit in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel

31

of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van

ziekengeld;

b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Op grond van het tweede lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

2.2

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de ZW is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens inkomen geniet verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uwv in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.

2.3

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

Op grond van het vijfde lid kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af zien.

2.4

Op grond van artikel 45a, eerste lid, van de ZW – zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2013 en gelet op het overgangsrecht nu van toepassing is – legt het Uwv een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2.269,- ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verzekerde van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of 49.

Op grond van het derde lid kan het Uwv afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Deze regels zijn neergelegd in het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

2.5

Op grond van artikel 49 van de ZW – voor zover thans van belang – is de verzekerde verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende ziekengelduitkering.

3.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat tegen het toekenningsbesluit van 11 juni 2012 geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan. In het besluit van 11 juni 2012 is de hoogte van het dagloon van eiser vastgesteld. De rechtbank kan zich in het kader van deze procedure niet uitlaten over de gronden van eiser die zich richten tegen de vaststelling van het dagloon, nu de rechtbank gehouden is uit te gaan van de juistheid van een in rechte vaststaand besluit. Hetgeen eiser hieromtrent heeft aangevoerd, kan reeds daarom niet slagen.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser melding heeft gemaakt van het feit dat er sprake was van meerdere dienstverbanden, te weten bij[naam4], waaruit eiser op 25 mei 2012 ziek is uitgevallen, alsmede [naam8] en [naam4]. Evenmin is in geschil dat de werkzaamheden die eiser heeft verricht voor [naam8] niet aan de herziening en terugvordering van de ZW-uitkering ten grondslag zijn gelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door na zijn uitval geen melding te maken van de inkomsten die hij via[naam6] [naam4] heeft genoten in de periode van

28 mei 2012 tot en met 16 september 2012.

3.3

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de inkomsten van eiser bij [naam8] niet gemeld hoefden te worden nu het hier een vast dienstverband betrof. De onregelmatige inkomsten die eiser had uit het dienstverband met[naam6] [naam4] diende eiser echter wel te melden, doch dat heeft hij niet gedaan. Eiser was over de meldingsplicht volgens verweerder voldoende geïnformeerd.

3.4

De rechtbank overweegt dat uit de informatie van verweerder aan eiser in de brief van 29 mei 2012 en het toekenningsbesluit van 11 juni 2012 weliswaar volgt dat eiser wijzigingen in zijn (inkomens)situatie dient door te geven, maar dat hieruit het door verweerder gemaakte onderscheid tussen welke inkomsten wel en welke inkomsten niet door eiser doorgegeven moesten worden niet duidelijk naar voren komt. Eiser heeft de nodige inspanningen verricht om aan zijn inlichtingenverplichting te voldoen. Uit het dossier komt namelijk naar voren dat eiser diverse malen contact heeft opgenomen met verweerder en telkens melding heeft gemaakt van het bestaan van de dienstverbanden met [naam8] en [naam4]. Uit de omstandigheid dat uit de telefoonnotities niet uitdrukkelijk volgt dat eiser tijdens de gesprekken met diverse medewerkers van verweerder melding heeft gemaakt van de specifieke wisselende inkomsten van [naam4], volgt, gelet op de beknopte notities van deze gesprekken, niet direct dat eiser de inkomsten in zijn geheel niet ter sprake heeft gebracht of deze heeft willen verzwijgen. Het feit dat eiser zijn andere dienstverbanden dan die met[naam4] heeft gemeld, wijst er juist op dat eiser wel heeft gemeld dat hij nog andere inkomsten had die mogelijk van belang konden zijn voor zijn (hoogte van de) ziektewetuitkering. Eiser heeft voorts op consistente en geloofwaardige wijze verklaard dat hij volledige openheid van zaken heeft willen geven en ook gegeven heeft. Verweerder heeft ter zitting aangegeven ook niet te twijfelen aan de intentie van eiser om alles volledig en juist door te geven. Daarnaast was voor eiser het door verweerder gemaakte onderscheid tussen de inkomsten uit een vast dienstverband en de inkomsten uit de uitzendwerkzaamheden niet kenbaar. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser, naar aanleiding van hetgeen hij tijdens de diverse gesprekken naar voren had gebracht over zijn dienstverbanden naast die met[naam4], te informeren over dit onderscheid. Verweerder had eiser er op moeten wijzen dat hij gehouden was iedere keer de wisselende inkomsten van [naam4] via het formulier Wijzigingen doorgeven op te geven bij verweerder. Aannemelijk is dat verweerder dit niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat er onder deze omstandigheden niet gezegd kan worden dat er sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

3.5

Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna beoordelen of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3.6.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de herziening van de ZW-uitkering ten onrechte gebaseerd is op artikel 30a, eerste lid, onder a, van de ZW. Van een situatie als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onder c, van de ZW is geen sprake, zodat de vraag voorligt of de herziening gestoeld kan worden op artikel 30a, eerste lid, onder b, van de ZW.

3.6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode van 28 mei 2012 tot en met 16 september 2012 inkomsten heeft gehad uit werkzaamheden verricht voor [naam4] en dat deze inkomsten gekort hadden dienen te worden op de ZW-uitkering van eiser. Uit het beleid dat verweerder hanteert ten aanzien van de toepassing van artikel 30a van de ZW volgt dat een uitkering met terugwerkende kracht wordt herzien tot het moment waarop het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2764).

3.6.3

Mede gelet op het hiervoor onder 3.4 overwogene, is niet aannemelijk dat eiser redelijkerwijs duidelijk was of dat hij redelijkerwijs kon begrijpen dat hij een te hoge uitkering kreeg, zodat in artikel 30a, eerste lid, onder b, van de ZW geen alternatieve grondslag kan worden gevonden voor de herziening. De rechtbank overweegt in dit kader dat het verschil tussen hetgeen eiser in de periode van 28 mei 2012 tot en met 16 september 2012 aan uitkering heeft ontvangen en hetgeen hij had moeten ontvangen, gelet op het geringe terugvorderingsbedrag van € 534,70, niet zodanig groot is dat eiser reeds hieruit had moeten begrijpen dat hij een te hoog bedrag aan ziekengeld kreeg uitgekeerd. Voorts heeft eiser de nodige inspanningen verricht om aan verweerder openheid van zaken te geven om te voorkomen dat hij een te hoge uitkering zou krijgen. Gelet op de reacties van verweerder op de door hem verstrekte informatie mocht hij in redelijkheid ervan uitgaan dat dit ook niet gebeurde. Onder die omstandigheden kan hem het gebrek aan kennis van de juiste toepassing van de ZW niet worden aangerekend.

3.6.4

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen grondslag voor de herziening van het recht op de ZW-uitkering van eiser. Er bestaat daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank het bezwaar tegen het primaire besluit I gegrond zal verklaren en het primaire besluit I zal herroepen.

3.7

Reeds omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, is de grondslag aan de aan eiser opgelegde boete komen te vervallen. De rechtbank zal ook in zoverre zelf in de zaak voorzien en het tegen het primaire besluit II gerichte bezwaar gegrond verklaren en het primaire besluit II herroepen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van dit deel van het vernietigde bestreden besluit.

3.8

Aangezien de rechtbank het beroep gegrond verklaard, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder eveneens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten begroot de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de in beroep door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,-, wegingsfactor 1). Voor zover eiser eveneens heeft willen verzoeken om een vergoeding van de proceskosten in bezwaar, wijst de rechtbank dit verzoek af aangezien eiser zich tijdens de bezwaarprocedure niet heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 28 november 2014 ;

  • -

    herroept de t primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2014.

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op:

D: B

SB