Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5191

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
13.707.039-11 (EAB 1), 14/3015
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering. Art. 7 OLW: beoordeling strafbaarheid naar Nederlands recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.707.039-11 (EAB 1)

RK nummer: 14/3015

Datum uitspraak: 18 juli 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 mei 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 september 2011 door the District Court in Kalisz (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “[locatie]” te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 juli 2014 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri. De opgeëiste persoon heeft op 4 juli 2014 schriftelijk verklaard dat hij niet wenst te worden gehoord. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd om de verdediging te voeren.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een

- sentence of 16 May 2008 by the Circuit Court in Ostrów Wielkopolski, II K 40/08;

- decision of 26 August 2011 by the Circuit Court in Ostrów Wielkopolski ordering warrant-based search.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, zeven maanden en tweeëntwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Verzoek aanhouding behandeling zaak

3.1.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde te doen uitzoeken of het vonnis van 16 mei 2008 onherroepelijk is of niet. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft tot tweemaal toe verklaard dat hij hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 16 mei 2008. Uit het EAB blijkt niet van een hoger beroep, maar nu de opgeëiste persoon tweemaal heeft verklaard dat hij in hoger beroep is gegaan, heeft deze stelling een zekere mate van aannemelijkheid. Er moet dan ook worden uitgezocht of het vonnis van 16 mei 2008 onherroepelijk is of niet.

3.1.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit een EAB heeft uitgevaardigd ter tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 16 mei 2008 opgelegde straf, de rechtbank ervan uit moet gaan dat dit vonnis onherroepelijk is.

3.1.3

Oordeel van de rechtbank

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel b) van het EAB het vonnis van 16 mei 2008 vermeld en heeft in onderdeel c) ingevuld “Remaining sentence to be served: 2 years, 7 months and 22 days”. Daarin ligt het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit besloten dat het vonnis van 16 mei 2008 voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Op de juistheid van dat oordeel moet de rechtbank in beginsel vertrouwen. De enkele – herhaalde – verklaring van de opgeëiste persoon dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 16 mei 2008 is onvoldoende om die juistheid in twijfel te trekken.

De rechtbank wijst het verzoek af.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten IV, V en VI waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 21, te weten:

racketeering en afpersing.

Volgens de in het faxbericht van 16 januari 2012 vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I, II, III en VII niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd voor feit VII. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De beschrijving van het feit houdt in dat de opgeëiste persoon een ander onder bedreiging heeft gedwongen naar de woonplaats van [persoon 1] te gaan. Dat is een zuiver geval van dwang, zoals strafbaar gesteld bij artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht, maar op dwang is niet een gevangenisstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld. Het feit kan niet worden gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling. De enkele bedreiging met slaan of met het gebruik van een mes levert niet zonder meer bedreiging met zware mishandeling op. De rechtbank moet in de beschrijving van het feit niet meer lezen dan er staat.

Naar aanleiding van dit betoog heeft de raadsman opgeworpen dat de Nederlandse implementatie van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit EAB niet klopt. Anders dan deze bepaling eist artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW namelijk voor de executie-overlevering voor een niet-lijstfeit een strafbedreiging in de uitvoerende lidstaat met een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden. Hoewel de raadsman zich ervan bewust is dat de huidige rechtspraak van de rechtbank op dit punt gunstig is voor de opgeëiste persoon, heeft hij de suggestie gedaan dat de rechtbank artikel 7 OLW thans, voor zover mogelijk, kaderbesluitconform uitlegt, in die zin dat de eis inzake de strafbedreiging alleen betrekking heeft op het recht van de uitvaardigende lidstaat. Zo een kaderbesluitconforme uitleg zou tot gevolg hebben dat de overlevering voor feit VII zou moeten worden toegestaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit VII naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als bedreiging met zware mishandeling.

Over het standpunt van de raadsman inzake de kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW heeft de officier van justitie opgemerkt dat de Overleveringswet inderdaad extra eisen stelt ten opzichte van het Kaderbesluit EAB. De rechtbank heeft onlangs het standpunt van een ambtgenoot verworpen dat accessoire overlevering is toegestaan voor feiten waarop niet een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden is gesteld. Het is dus een uitgemaakte zaak dat de eis inzake de strafbedreiging naar Nederlands recht moet worden gesteld. Alle feiten voldoen aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW gestelde eisen.

Oordeel van de rechtbank

Onderdeel e) van het EAB bevat de volgende beschrijving van feit VII:

On 8 and 9 January 2008 in Ostrów Wlkp., province of Wielkopolska, acting intentionally and threatening to beat and use a knife, he forced juvenile [persoon 2] to go to the living place of juvenile [persoon 1].

Bij de beoordeling van de strafbaarheid naar Nederlands recht moet voorop staan dat de Nederlandse strafbaarstelling niet alle opzichten overeen hoeft te komen met de buitenlandse strafbaarstelling (zie bijv. Rb. Amsterdam 19 juli 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BR4763; Rb. Amsterdam 26 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2958). Voldoende is dat het in het EAB beschreven materiële feit onder een Nederlandse strafbaarstelling valt die in de kern hetzelfde rechtsgoed beoogt te beschermen als de buitenlandse strafbaarstelling (zie bijv. Rb. Amsterdam 16 april 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4875). Niet is uitgesloten dat het materiële feit onder twee of meer Nederlandse strafbaarstellingen valt. In zo een geval moet ten minste één van deze strafbaarstellingen tot overlevering kunnen leiden.

De omstandigheden dat het feit onder de strafbaarstelling van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht valt en dat deze bepaling slechts een strafbedreiging met negen maanden gevangenisstraf kent, brengen daarom nog niet mee dat de overlevering voor feit VII moet worden geweigerd.

In de beschrijving van dit feit ligt besloten dat de opgeëiste persoon [persoon 2] opzettelijk heeft bedreigd met zware mishandeling. Door het opzettelijk dreigen met slaag en met het gebruik van een mes heeft immers bij de bedreigde de redelijke vrees kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De strafbaarstelling van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, die evenals de strafbaarstelling van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen in de titel “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”, beoogt in de kern hetzelfde rechtsgoed als de Poolse strafbaarstelling te beschermen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Nu feit VII voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW neergelegde eis dat op het feit in Nederland een vrijheidsstraf van een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld, hoeft de rechtbank zich niet te buigen over het standpunt van de raadsman dat deze eis niet kaderbesluitconform is.

De rechtbank stelt vast dat de feiten I, II, III en VII waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

I. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

II. zware mishandeling

III. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

VII. bedreiging met zware mishandeling

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Kalisz (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. B. Poelert en M.J.J.P. Luchtman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2014.

De jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C