Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5084

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
13-669093-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden voor het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur met munitie in de periode van 17 februari 2014 tot en met 30 april 2014. Tevens wordt gelast dat verdachte het gedeelte van een eerder opgelegde vrijheidsstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, groot 487 dagen, alsnog ondergaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/669093-14 en 13/676383-10 (VI) (Promis)

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1, te plaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.M. Brok en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 februari 2014 tot en met 30 april 2014 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur (Merk: CZ Model: 61 'Skorpion'), kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten een of meer (tien) patro(o)n(en) (Kaliber: 7.65 mm Browning) voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 30 april 2014 wordt de woning van de moeder van verdachte aan de [adres 2, te plaats] te [plaats] doorzocht. Op aanwijzen van verdachte wordt in de slaapkamer in een kast een pistoolmitrailleur en munitie aangetroffen. Verdachte erkent dat hij het wapen in zijn bezit had, maar heeft verklaard dat hij het pas de dag ervoor heeft gekregen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte dit wapen en deze munitie sinds 27 februari 2014 voorhanden heeft gehad.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde (met uitzondering van het medeplegen) bewezen kan worden verklaard. Uit de tapgesprekken en de foto’s op de telefoon kan worden vastgesteld dat verdachte het wapen en de munitie gedurende de gehele ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat alleen bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 30 april 2014 het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het wapen gedurende de ten laste gelegde periode. Uit het tapgesprek van 29 april 2014 blijkt immers dat hij op dat moment geen wapen in zijn bezit had. Ook betekenen de foto’s op de telefoon van het merk Samsung Galaxy S3 niet dat verdachte al langer over het wapen beschikte. Evenmin kan worden vastgesteld dat de deze telefoon van verdachte was. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat die telefoon van verdachte zou zijn, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan die telefoon nader te onderzoeken.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen zijn als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de pistoolmitrailleur met munitie in een tas zat en dat hij die tas de avond voordat hij werd aangehouden van een vriend had gekregen. Verdachte zou hierover met die vriend via de WhatsApp op zijn iPhone contact hebben gehad. De rechtbank acht echter dit deel van de verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. In de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden zijn immers voldoende aanknopingspunten te vinden dat verdachte zich bezig hield met wapens en dat hij de pistoolmitrailleur langer in zijn bezit had. Daarbij kan concreet worden verwezen naar de tapgesprekken van verdachte op 25 en 29 april 2014. Uit het tapgesprek van 25 april 2014 kan worden afgeleid dat verdachte die dag door [persoon 1] werd benaderd voor de levering van een wapen1. In het tapgesprek van 29 april 2014 met een onbekend gebleven persoon wordt gesproken over het kopen van een ‘ijzer’, waarbij er vanuit kan worden gegaan dat daarmee een wapen wordt bedoeld. Door de NN-man wordt vervolgens gezegd: “maar die ‘dinges’ van jou zijn veels te groot”.2 Nu een pistoolmitrailleur kan worden beschouwd als een “groot” wapen en uit de opmerking van de NN-man kan worden afgeleid dat verdachte bekend is met dit soort grote wapens, kan – mede gelet op het tapgesprek van 25 april 2014 – worden vastgesteld dat het onaannemelijk is dat verdachte de pistoolmitrailleur de avond voor het aantreffen daarvan van een vriend heeft gekregen. Daarbij weegt nog mee dat de rechtbank de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij erg geschrokken was van het wapen in de tas en het daarna zonder er bij na te denken uit de tas had gehaald en in zijn kast had gelegd, zeer onwaarschijnlijk acht. Bovendien zou verdachte op eenvoudige wijze hebben kunnen aantonen dat de gesprekken die hij via de WhatsApp met zijn vriend zou hebben gevoerd, hadden plaatsgevonden. Dit heeft hij echter nagelaten.

Derhalve heeft verdachte geen verklaring voor de aanwezigheid van de pistoolmitrailleur met de munitie in de slaapkamer in het huis van zijn moeder. Deze slaapkamer betrof de slaapkamer waar verdachte sliep als hij bij zijn moeder verbleef. Dat verdachte regelmatig van die kamer gebruik van maakte, blijkt uit de omstandigheid dat onder meer zeer persoonlijke spullen zoals zijn administratie en zijn paspoort in deze kamer zijn aangetroffen.3 Verder is in die kamer een telefoon aangetroffen. Op die telefoon staat een foto van 27 februari 2014 met de vriend van verdachte, [persoon 2], die in de slaapkamer van verdachte staat en dezelfde pistoolmitrailleur om zijn nek heeft hangen. Daarnaast staan op die telefoon foto’s van verdachte zelf en zijn vriendin4. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat deze telefoon aan verdachte toebehoort, kan verdachte, gelet op de foto’s van hemzelf en zijn vriend en vriendin en de omstandigheid dat die telefoon in de kamer is aangetroffen waar verdachte regelmatig gebruik van maakte, daar wel mee in verband worden gebracht. Dit brengt, tezamen met de omstandigheid dat verdachte zich blijkens de hiervoor genoemde tapgesprekken gedurende een langere periode bezig hield met wapens, met zich dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte de pistoolmitrailleur met munitie al sinds 27 februari 2014 in zijn bezit had. Gezien al het eerder overwogene acht de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk dat [persoon 2] de pistoolmitrailleur op 27 februari 2014 naar het huis van de moeder van verdachte heeft gebracht om daarmee op de foto te gaan en vervolgens dat wapen weer heeft meegenomen, waarna dat wapen op 30 april 2014 wederom in dezelfde kamer wordt aangetroffen

Het voorgaande brengt met zich dat het voorhanden hebben van het wapen gedurende de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat sprake is van medeplegen. Verdachte wordt dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. Een beslissing van de rechtbank op het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw behoeft niet te worden gegeven aangezien de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de in beslag genomen telefoon van het merk Samsung Galaxy S3 aan verdachte toebehoort.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 1 vervatte bewijsmiddelen en van wat onder punt 4.4. is overwogen bewezen dat verdachte

in de periode van 27 februari 2014 tot en met 30 april 2014 te [plaats], een wapen van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur (Merk: CZ Model: 61 'Skorpion'), kaliber 7.65 mm en munitie van categorie III, te weten tien patronen (Kaliber: 7.65 mm Browning) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de last zal worden gegeven tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 13/676383-10 voor de duur van 487 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte reeds een aantal maanden gedetineerd heeft gezeten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten met daarnaast een flinke werkstraf is derhalve passend.

Verder heeft de verdediging betoogd dat de officier van justitie ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de herroeping van 247 dagen reeds bij een andere zaak is gevorderd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte gedurende een periode van twee maanden een pistoolmitrailleur met munitie in zijn bezit had. Een pistoolmitrailleur is een zeer zwaar en gevaarlijk wapen. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen brengt dan ook een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen in de omgeving mee en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Bovendien was het wapen geladen en doorgeladen, waardoor het direct voor gebruik gereed was. Dit suggereert bereidheid tot gebruik van het wapen.

Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat verdachte blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2014 op 10 augustus 2011 door het de meervoudige strafkamer in [plaats] is veroordeeld voor een poging tot doodslag. Daarbij is eveneens gebruik gemaakt van een vuurwapen. De rechtbank acht het derhalve extra kwalijk dat bij verdachte wederom in verband wordt gebracht met een gevaarlijk vuurwapen en ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van wat door de officier van justitie is gevorderd.

Vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Verdachte is bij besluit van 21 december 2012 op grond van artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid gesteld van de gevangenisstraf van vier jaren die hem is opgelegd bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer [plaats] van 10 augustus 2011 onder parketnummer 13/676383-10. De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 15 januari 2013 (v.i.-zaaknummer 99/000236-43) met een proeftijd van 487 dagen, waaraan onder andere de algemene voorwaarde is verbonden dat verdachte zich zal houden aan de bij wet gestelde algemene voorwaarde, zijnde het niet plegen van een strafbaar feit.

De last tot herroeping van deze voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 247 dagen is reeds gevorderd bij de zaak met het parketnummer 13/654198-13. Nu in die zaak echter nog geen onherroepelijk vonnis is gewezen, kan de officier van justitie de last tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 487 dagen bij de onderhavige zaak vorderen. Derhalve is zij ontvankelijk in haar vordering.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de hiervoor genoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet op de ernst van dat strafbaar feit en de samenhang met het feit waarvan de herroeping wordt gevorderd, ziet de rechtbank aanleiding de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te gelasten voor de duur van 487 dagen en aldus de vordering van de officier van justitie toe te wijzen.

9 Beslag

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een pistoolmitrailleur, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Een pistoolmitrailleur

Gelast dat [verdachte] voornoemd het gedeelte van de in de zaak met parketnummer 13/676383-10 opgelegde vrijheidsstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, groot 487 (vierhonderd en zevenentachtig) dagen, alsnog ondergaat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter,

mrs. R.A. Dudok van Heel en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2014.

Bijlage 1 bij het vonnis van [verdachte]

Bewijsmiddelen

1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik de pistoolmitrailleur met munitie in mijn bezit had toen de politie op 30 april 2014 in de woning was.

2. Een proces-verbaal doorzoeking met nummer 2014106795-9 van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5], doorgenummerde pagina’s 41-43

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2014 werd door mij samen met collega’s binnengetreden in perceel de [adres 2, te plaats]. Vervolgens deelde ik, [naam 1], de aanwezige personen mede dat wij informatie hadden dat er mogelijk een vuurwapen in de woning aanwezig zou zijn en dat we hiernaar zouden gaan zoeken. Wij, [naam 1], [naam 3], [naam 2] en [naam 4], hoorden [verdachte] vervolgens zeggen: “Ja, er ligt wel een ding in mijn kast”. Op 30 april 2014 om 10.29 uur werd de doorzoeking geopend. Vervolgens trof ik, verbalisant [naam 4], in de linnenkast van slaapkamer 1 een hard en zwaar voorwerp aan. Ik zag dat het voorwerp was verpakt in een blauwe trui of shirt en ongeveer op heuphoogte lag. Ik wikkelde het shirt een klein beetje van het voorwerp af en zag dat het om een vermoedelijk Scorpion vuurwapen ging.

3. Een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer 2014106795 van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 6], doorgenummerde pagina’s 75-79.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de particuliere woning [adres 2, te plaats] te [plaats]. Tijdens deze doorzoeking is in een slaapkamer een pistoolmitrailleur met een kort gebogen patroonmagazijn aangetroffen en in beslag genomen. Deze pistoolmitrailleur was in de aangetroffen toestand geladen én doorgeladen en voor onmiddellijk gebruik gereed.

Op 30 april 2014 heb ik een onderzoek ingesteld naar het in beslag genomen vuurwapen.

Itemnummer [nummer 2] - pistoolmitrailleur

Soort: pistoolmitrailleur

Merk: CZ (Česká Zbrojovka)

Modelnaam: 61 ‘Skorpion’

Kaliber: 7.65 mm Browning

Deze pistoolmitrailleur is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II onder 2e van de Wet wapens en munitie.

4. Een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer 2014106795 van 1 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 6], doorgenummerde pagina’s 118-120.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 30 april 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de particuliere woning [adres 2, te plaats] te [plaats]. Tijdens deze doorzoeking is in een slaapkamer een pistoolmitrailleur met een kort gebogen patroonmagazijn aangetroffen en in beslag genomen.

Op 1 mei 2014 heb ik een aanvullend onderzoek verricht aan de munitie.

Voorwerp: munitie in kamer

Kaliber: 7.65mm Browning (synoniem .32 Auto)

Aantal: 1

Voorwerp: munitie in patroonmagazijn

Kaliber: 7.65mm Browning (synoniem .32 Auto)

Aantal: 1

Merk: CBC

Kaliber: 7.65mm Browning (synoniem .32 Auto)

Aantal: 1

Merk: Giulio Fiocchi Lecco

Kaliber: 7.65mm Browning (synoniem .32 Auto)

Aantal: 7

Merk: Geco

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

5. Een proces-verbaal kennisgeving inbeslagneming met nummer 2014106795-11 van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 7], doorgenummerde pagina’s 95-97.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Inbeslagneming

Plaats: [adres 2, te plaats]

Datum: 30 april 2014

Omstandigheden: In slaapkamer [verdachte]

Volgnummer 2

Goednummer: [nummer 1]

Object: Communicatieap (Telefoon)

Merk/Type: Samsung

6. Een proces-verbaal analyse foto’s vuurwapen met nummer 2014106795 van 6 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 7], doorgenummerde pagina’s 100-104.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Na onderzoek van een Samsung Galaxy S3, geregistreerd onder goednummer [nummer 1], werd een groot aantal foto’s aangetroffen. Op deze foto’s staat een negroïde man die ik ambtshalve herken als: [persoon 2]. [persoon 2] heeft als bijnaam: “[persoon 2]” en/of “[persoon 2]”. [persoon 2] poseert naar alle waarschijnlijkheid met één en dezelfde pistoolmitrailleur dat bij [verdachte] is aangetroffen. Deze foto’s zijn op 27 februari 2014 gemaakt. Daarnaast is te zien dat [persoon 2] poseert voor een poster van rapper Tupac. Ik kan mij deze poster herinneren zijnde de poster welke ik ten tijde van de doorzoeking [adres 2, te plaats] in de slaapkamer van [verdachte] zag hangen.

7. Een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer 2014106795 van 7 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 7], doorgenummerde pagina’s 95-97.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Het vuurwapen op de foto’s (de rechtbank begrijp van de Samsung Galaxy S3, itemnummer [nummer 1]) vertoond een groot aantal overeenkomsten met het aangetroffen en in beslaggenomen pistoolmitrailleur met itemnummer [nummer 2] en [nummer 3] met de gegevens:

Merk: CZ (Česká Zbrojovka)

Modelnaam: 61 ‘Skorpion’

Kaliber: 7.65 mm Browning

De overeenkomsten bestaan uit:

  • -

    Het vuurwapen komt qua kleurstelling overeen, kleurstelling bestaande uit een houten gekleurde handgreep, een grijze gekleurde kast en een zwart gekleurd patroonmagazijn;

  • -

    De lengte van het (gebogen) uitneembaar patroonmagazijn van maximaal 10 patronen met het kaliber 7.65mm Browning komt overeen;

  • -

    Het vuurwapen is (nog) voorzien van de naar boven opklapbare schoudersteun. Deze is bij een groot aantal soortgelijke in beslag genomen vuurwapens verwijderd;

  • -

    Het in beslag genomen vuurwapen maakt een verweerde en “gebruikte” indruk en is op de foto’s getoonde rechterzijde voorzien van tal van slijtageplekken op zowel het houten gekleurde handgreep, de grijze gekleurde kast, de grijze uitstekende loop en de naar boven opklapbare schoudersteun. Deze slijtageplekken komen qua vorm, grootte en locatie sterk overeen met die op de foto’s.

Gelet op bovenstaande vergelijkingen vertoont het vuurwapen op de foto’s grote overeenkomsten met vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen tijdens een doorzoeking in particuliere woning [adres 2, te plaats] op 30 april 2014.

1 Tapgesprek sessienummer 405 van 25 april 2014, pagina 86 van het doorgenummerde proces-verbaal.

2 Tapgesprek sessienummer 527 van 29 april 2014, pagina 117 van het doorgenummerde proces-verbaal

3 Proces-verbaal doorzoeking [adres 2, te plaats], pagina 42 van het doorgenummerde proces-verbaal.

4 Proces-verbaal analyse foto’s vuurwapen, pagina 102 van het doorgenummerde proces-verbaal.