Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5083

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
13-669094-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot afpersing. De verschillen in de verklaringen van de twee aangevers zijn ten aanzien van het wapen zodanig groot en essentieel dat de overtuiging dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen bij de rechtbank ontbreekt. Nu de verklaringen van de twee aangevers op dit wezenlijke onderdeel zodanig van elkaar verschillen, mist de rechtbank tevens de overtuiging dat de ten laste gelegde gedragingen waarover de aangevers evenmin eensluidend hebben verklaard, hebben plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat in de auto, nadat bekend was geworden dat het geld ontbrak, sprake was van een onaangename situatie, leveren de overige ten laste gelegde gedragingen vervolgens op zichzelf staand niet een dusdanige bedreiging op dat kan worden geoordeeld dat sprake was van afpersing.

Verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen tot een geldboete van € 550,- met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669094-14 (Promis)

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats 1] op [geboortedatum]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats 2].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.M. Brok en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. Nieuwburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 3 februari 2014 tot en met 30 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] voor de bedragen van € 20.000,-, € 35.000,- en € 10.000,-. (feit 1). Tevens wordt hij ervan verdacht dat hij in diezelfde periode een alarmpistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feit 3). Verder is er de verdenking dat verdachte op 30 april 2014 samen met een ander of anderen een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad (feit 2).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

4.1.

Inleiding

Verdachte heeft met [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) een afspraak gemaakt voor de levering van ongeveer 10.000 XTC-pillen. Op 3 februari 2014 zijn [persoon 1] en [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) met verdachte en een vierde persoon naar de McDonald’s bij de Munt gereden. In die McDonald’s zat de persoon, genaamd [naam], die de XTC-pillen zou kopen. Verdachte is naar binnen gegaan en heeft [naam] de tas met XTC-pillen gegeven. Vervolgens heeft verdachte de tas waarin het geld zou zitten meegenomen naar de auto. In de auto bleek echter dat in die tas geen geld zat, maar wit A4-papier.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte vervolgens in de auto en in de periode daarna [persoon 1] en [persoon 3] met onder andere een vuurwapen heeft bedreigd om ervoor te zorgen dat zij het geld dat [naam] niet had betaald, uit eigen zak zouden betalen.

Op 30 april 2014 is verdachte hiervoor aangehouden en tijdens de doorzoeking van zijn kamer in de woning van zijn ouders is een alarmpistool aangetroffen.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3], bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Die verklaringen komen immers op detailniveau overeen en worden ondersteund door de verklaringen van de ouders en grootouders van [persoon 1]. Daar komt bij dat [persoon 2], de oom van [persoon 1], op straat door verdachte is aangesproken over de mislukte deal, in de telefoon uit de auto van verdachte sms-berichten staan over de lening en het adres van [persoon 1] in de TomTom van verdachte stond geregistreerd. Gelet hierop dient er meer waarde te worden gehecht aan de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3] dan aan de verklaring van verdachte.

Van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. [persoon 1] en [persoon 3] hebben over het incident met het vuurwapen verschillende verklaringen afgelegd. Op dit punt zijn hun verklaringen dan ook onbetrouwbaar en niet overtuigend, waardoor daarvan geen gebruik dient te worden gemaakt. Voorts is een aantal van de andere ten laste gelegde gedragingen enkel gebaseerd op de verklaring van [persoon 3] en die verklaring wordt verder niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De overige ten laste gelegde gedragingen zijn bovendien niet te kwalificeren als afpersingsgedragingen. Gelet hierop kan het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De onder 1 ten laste gelegde afpersing ziet voornamelijk op de bedreiging met het vuurwapen.

[persoon 1] en [persoon 3] hebben beiden over een vuurwapen verklaard, maar hun verklaringen lopen ten aanzien van dat vuurwapen in belangrijke mate uiteen. Zo heeft [persoon 3] niet bevestigd dat wat [persoon 1] heeft verklaard. Laatstgenoemde verklaring houdt in dat het wapen opgehaald zou worden, dat de onbekend gebleven persoon uit de auto was gestapt om het wapen te halen, het bij zich had toen hij weer instapte en het aan verdachte gaf. Volgens [persoon 3] kwam het wapen echter uit het dashboardkastje. Verondersteld mag worden dat een bedreiging met een vuurwapen een omstandigheid is die bijblijft. Hoewel verklaringen op onderdelen kunnen verschillen, zijn de verschillen in de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3] op dit punt zodanig groot en essentieel dat de overtuiging dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen bij de rechtbank ontbreekt. Daarbij weegt mee dat [persoon 1], toen hij de auto was uitgestapt om zijn grootouders om geld te vragen, aan zijn grootouders niets heeft gezegd over een vuurwapen. Bovendien hebben zijn grootouders verder niet verklaard dat [persoon 1] op dat moment een angstige indruk maakte.

Nu de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3] op dit wezenlijke onderdeel zodanig van elkaar verschillen, mist de rechtbank tevens de overtuiging dat de ten laste gelegde gedragingen waarover [persoon 1] en [persoon 3] evenmin eensluidend hebben verklaard, hebben plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat in de auto, nadat bekend was geworden dat het geld ontbrak, sprake was van een onaangename situatie, leveren de overige ten laste gelegde gedragingen vervolgens op zichzelf staand niet een dusdanige bedreiging op dat kan worden geoordeeld dat sprake was van afpersing. Dit brengt met zich dat het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard, waardoor verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het bij hem aangetroffen alarmpistool heeft gebruikt voor bedreiging of afdreiging. Dat brengt met zich dat het geen voorwerp als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I, lid 7 van de Wet wapens en munitie betreft, waardoor het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Verdachte wordt dan ook hiervan vrijgesproken.

5 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

5.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verklaring van verdachte alle onderdelen van de bewezenverklaring betreft.


De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 juli 2014
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2014107481-10 van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 4] en [persoon 5], inhoudende de verklaring van de verbalisanten, pagina’s 51 en 52.

3. Een proces-verbaal onderzoek wapen met nummer 2014107481-7 van 30 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 6], inhoudende de verklaring van de verbalisant, pagina’s 62 en 63.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van in rubriek 5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 30 april 2014 te [plaats 1] een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren).

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde geen strafmaatverweer gevoerd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Het aanwezig hebben van dergelijke wapens kunnen leiden tot gevaarzettende situaties en brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid voor personen met zich. De rechtbank weegt mee dat verdachte blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2014 niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Nu verdachte gedurende een lange periode in voorlopige hechtenis heeft gezeten, zal de rechtbank bepalen dat de hierna te noemen geldboete met die periode wordt verminderd. Verdachte is voor het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken, waardoor wordt afgeweken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 550,- (vijfhonderd en vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 11 (elf) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, op de geldboete in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van € 50,- per dag.

Deze voorlopige hechtenis is reeds per 1 augustus 2014 opgeheven bij afzonderlijke beslissing.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter,

mrs. R.A. Dudok van Heel en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2014.

Bijlage 1 bij het vonnis van [verdachte]

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 03 februari 2014 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] te dwingen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (van (ongeveer) 20.000 euro en/of 35.000 euro en/of 10.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of die [persoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft/hebben en/of is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- dreigend tegen die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gezegd dat zij moesten gaan betalen en dat als zij niet betaalden, hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [persoon 1] en/of die [persoon 3] zou(den) komen halen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend de (magazijn)houder uit een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gehaald en/of erin gedaan en/of (vervolgens) dat pistool, in elk geval dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op en/of

in de richting van die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gericht en/of gericht gehouden en/of

- dreigend tegen die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gezegd: "Als jullie niet betalen, dan gaat er wat gebeuren" en/of "Dit bedoel ik met geen grappen, anders wordt je vissenvoer", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend tegen die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gezegd dat zij allebei 10000 euro aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) moesten betalen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend een of meer ma(a)l(en) tegen die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gezegd dat die [persoon 1] en/of die [persoon 3] binnen zeven dagen moesten betalen omdat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders jongens op die [persoon 1] en/of die [persoon 3] zou(den) afsturen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend tegen die [persoon 1] en/of die [persoon 3] gezegd dat die [persoon 1] en/of die [persoon 3] allebei bij zijn/hun bank(en) (een) lening voor (elk) 10000 euro moesten afsluiten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend tegen die [persoon 3] gezegd dat die [persoon 3] zijn rijbewijs en/of zijn mobiele telefoon moest afgeven, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de contacten uit voornoemde mobiele telefoon heeft/hebben op/overgeschreven en/of

- dreigend tegen die [persoon 3] gezegd dat die [persoon 3] zijn adres moest opgeven en/of dat die [persoon 3] geen contact mocht opnemen met die [persoon 1] omdat die [persoon 3] anders een probleem zou hebben en/of

- ( telefonisch) een bericht gezonden via (berichtenservice) Telegram aan die [persoon 1] dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) waar die [persoon 1] woonde, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- dreigend tegen/aan die [persoon 2] gezegd/gevraagd dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) al een tijd niets meer van die [persoon 1] had(den) gehoord en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) 35000 euro wilde(n) en/of dat die [persoon 2] op de [adres] te [plaats 1] woont en/of dat er geen discussie mogelijk was en/of dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [persoon 2] over een week weer zou(den) spreken en/of of die [persoon 2] een mobiele telefoon had, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een briefje op de trap bij/voor/in de woning aan perceel [adres] te [plaats 1] heeft/hebben neergelegd met een telefoonnummer en/of

- met een auto (met daarin een bivakmuts en/of een mes en/of een stroomstootwapen) naar de woning van die [persoon 1] gereden en/of gegaan en/of (vervolgens) (aldaar) aangebeld;

Feit 2

hij op of omstreeks 30 april 2014 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 03 februari 2014 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1], in elk geval in Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een alarmpistool (merk ROHM RG, type RG 2 S, kaliber 6mm), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.