Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5020

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
HA ZA 13-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Bevoegdheid dient in deze zaak te worden bepaald aan de hand van artikel 16 jo. 15 lid 1 sub c EEX-Vo. Als uitgangspunt bij de beoordeling van haar bevoegdheid stelt de rechtbank vast dat artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo tot doel heeft de consument, die economisch zwakker en juridisch minder ervaren wordt geacht dan zijn professionele contractspartij, te beschermen. De grens van bescherming van de consument ligt daar waar de professionele contractspartij redelijkerwijs niet hoefde te verwachten dat een buitenlandse rechter bevoegd zou zijn. Van bescherming op grond op grond van artikel 15 lid 1 sub c is sprake als vast komt te staan dat gedaagde commerciële activiteiten ontplooit in Nederland of haar commerciële activiteiten op Nederland richt. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde haar commerciële activiteiten op Nederland richt, zodat de rechtbank bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/542977 / HA ZA 13-607

Vonnis in incident van 25 juni 2014

in de zaak van

[eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] ,

wonende te [plaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LANCELOT VERMOGENSBEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

NORDEA BANK S.A.,

gevestigd te Luxemburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.A. Voerman.

Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident], Lancelot en Nordea genoemd worden. Voor zover gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk bedoeld worden zullen zij Lancelot c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 december 2011,

  • -

    het herstelexploot van 11 februari 2013,

  • -

    het herstelexploot van 27 februari 2013,

  • -

    de akte overlegging producties, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, van Nordea,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident],

  • -

    de conclusie van repliek in het bevoegdheidsincident, met producties, van Nordea,

  • -

    de conclusie van dupliek in het bevoegdheidsincident, van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.

[eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] heeft op 28 augustus 2005 een vermogensbeheersovereenkomst met Lancelot getekend. In 2007 is [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] met Lancelot een adviesovereenkomst aangegaan. De adviesovereenkomst bevat een forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam.

2.2.

In het kader van door Lancelot uitgevoerd vermogensbeheer is in 2005 een effectenrekening op naam van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] geopend bij Nordea. Op deze effectenrekening werd de beleggingsportefeuille van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] geadministreerd. De inrichting en het beheer van de beleggingsportefeuille werd door Lancelot verzorgd.

2.3.

Bij het openen van de effectenrekening heeft [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] Nordea, op advies van Lancelot, tevens verzocht een kredietfaciliteit te verstrekken, met als doel het innemen van (grotere) posities in effecten door [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident]. Dit verzoek is door Nordea gehonoreerd, waarna [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] in 2005 een eerste leningsovereenkomst met Nordea is aangegaan. In artikel 18 van de leningsovereenkomst is een forumkeuze voor het gerecht te Luxemburg opgenomen.

2.4.

Lancelot heeft [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] in 2008 geadviseerd om effecten van de Osterreichischer Volks Bank (OVB) te kopen: Austria FRN-effecten. [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] is ten behoeve daarvan op advies van Lancelot een nieuwe lening bij Nordea aangegaan. In artikel 18 van deze tweede leningsovereenkomst is een forumkeuze voor het gerecht te Luxemburg opgenomen.

2.5.

Het verlies in de beleggingsportefeuille van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] over 2008 en 2009 bedroeg € 716.186,99.

2.6.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2013 is Lancelot in staat van faillissement verklaard.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

[eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Lancelot en Nordea hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] van een bedrag van € 716.186,99 te vermeerderen met wettelijke rente, althans hen hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en hen te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.2.

[eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] heeft aan zijn vordering toerekenbare tekortkoming althans onrechtmatig handelen door Lancelot en Nordea ten grondslag gelegd.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Nordea vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Volgens haar dient ingevolge het tussen partijen overeengekomen forumkeuzebeding op de vorderingen jegens Nordea exclusief te worden beslist door de bevoegde rechtbank te Luxemburg.

4.2.

[eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] voert verweer. Volgens hem is de rechtbank te Amsterdam op grond van artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo jo. artikel 16 lid 1 EEX-Vo bevoegd om van de vordering jegens Nordea kennis te nemen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Nordea is gevestigd te Luxemburg. De vraag of de rechtbank te Amsterdam bevoegd is om van de vordering jegens Nordea kennis te nemen dient daarom te worden beantwoord aan de hand van de in de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 44/201 d.d. 22 december 2000 (hierna: EEX-Vo) neergelegde bevoegdheidsregels.

5.2.

Op grond van artikel 16 lid 1 EEX-Vo kan de rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, worden gebracht hetzij voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. Artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo bepaalt dat een dergelijke keuze openstaat voor de consument indien de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële activiteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke

middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Uit artikel 17 EEX-Vo volgt dat van deze regel niet kan worden afgeweken door middel van een forumkeuze vóór het ontstaan van het

geschil.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] te beschouwen is als consument in de zin van artikel 15 lid 1 EEX-Vo. Partijen twisten echter over de vraag of Nordea commerciële activiteiten ontplooit in Nederland, of commerciële activiteiten richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt. Nordea betwist dat zij activiteiten heeft ontplooid in Nederland (zij ontplooit alleen activiteiten in het buitenland) en zij betwist dat zij commerciële activiteiten op Nederland richt (Nordea richt zich met haar websites nadrukkelijk niet op consumenten in Nederland). [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] voert echter aan dat Nordea wel degelijk commerciële activiteiten in Nederland heeft ontplooid door contacten te onderhouden met Lancelot, een voorstel tot een dienstverleningsovereenkomst en een bevoorschottingsovereenkomst aan [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] te sturen, [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] overzichten te sturen van zijn effectenportefeuille, andere correspondentie aan [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] te sturen en contact met [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] te onderhouden, waaronder telefoongesprekken over de stand van de portefeuille. Ook richt Nordea haar commerciële activiteiten op Nederland. Op de website wordt immers vermeld dat Nordea zich richt op klanten buiten de “Nordic region”. Bovendien heeft de website nordic.com een topleveldomeinnaam, heeft de inhoud van de website een internationaal karakter en wordt onder de noemer “contact” uitgebreide contactinformatie verstrekt over Europa en de rest van de wereld. De website sluit uitsluitend ingezetenen van de Verenigde Staten uit, aldus nog steeds [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident].

5.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt bij de beoordeling van haar bevoegdheid stelt de rechtbank vast dat artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo tot doel heeft de consument, die economisch zwakker en juridisch minder ervaren wordt geacht dan zijn professionele contractspartij, te beschermen. De grens van bescherming van de consument ligt echter op het punt waar (kort gezegd) de professionele contractspartij redelijkerwijs niet hoefde te verwachten dat een buitenlandse rechter bevoegd zou zijn.

5.5.

Van bescherming op grond van artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo is ten eerste sprake als komt vast te staan dat Nordea commerciële activiteiten ontplooit in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Immers, Nordea is gevestigd in Luxemburg, beschikt niet over een (bij)kantoor in Nederland, heeft hier geen reclameactiviteiten verricht en heeft ook anderszins Nederlandse consumenten niet actief bewogen om klant te worden bij haar.

5.6.

Van bescherming op grond van artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo is voorts sprake als komt vast te staan dat Nordea haar commerciële activiteiten op Nederland richt. Voor het antwoord op de vraag of dat het geval is, dient volgens de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Pammer/Alpenhof (HvJ, 7 december 2010, C-585/08, C-144/09) te worden nagegaan of vóór de eventuele sluiting van een overeenkomst met de consument uit de internetsites en de algemene activiteit van de ondernemer blijkt dat deze van plan was om handel te drijven met consumenten die woonplaats hebben in één of meerdere lidstaten, waaronder die waar deze consument woonplaats heeft, in die zin dat hij bereid was om met deze consumenten een overeenkomst te sluiten. De volgende factoren, waarvan de lijst niet uitputtend is, kunnen aanwijzingen vormen dat de activiteit van de ondernemer is gericht op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft: het internationale karakter van de activiteit, routebeschrijvingen vanuit andere lidstaten naar de plaats waar de ondernemer is gevestigd, het gebruik van een andere taal of munteenheid dan die welke gewoonlijk worden gebruikt in de lidstaat waar de ondernemer gevestigd is en de mogelijkheid om in die andere taal de boeking te verrichten en te bevestigen, de vermelding van een telefoonnummer met internationaal kengetal, uitgaven voor een zoekmachineadvertentiedienst die worden gemaakt om consumenten die in andere lidstaten woonplaats hebben gemakkelijker toegang te verlenen tot de site van de ondernemer of diens tussenpersoon, het gebruik van een andere topleveldomeinnaam dan die van de lidstaat waar de ondernemer gevestigd is, en de verwijzing naar een internationaal clientèle dat is samengesteld uit klanten die woonplaats hebben in verschillende lidstaten. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of deze aanwijzingen voorhanden zijn. De loutere toegankelijkheid van de internetsite van de ondernemer of de tussenpersoon in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft is daarentegen onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de vermelding van een e-mailadres en andere contactgegevens of voor het gebruik van een taal of een munteenheid wanneer deze taal en/of een munteenheid gewoonlijk worden gebruikt in de lidstaat waar de ondernemer gevestigd is.

5.7.

De rechtbank is, met inachtneming van de hiervoor genoemde uitspraak, van oordeel dat Nordea haar commerciële activiteiten op Nederland richt, zodat zij bevoegd is van de vordering van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] jegens Nordea kennis te nemen. Op de website nordea.com is vermeld dat Nordea, behalve de “Nordic region” ook een veelvoud van internationale “private banking services” aanbiedt via haar vestiging in Luxemburg. Hoewel op de website www.nordea.privatebanking.com Nederland niet specifiek wordt genoemd als land waar de internationale private banking services worden aangeboden, is de wil van Nordea er kennelijk wel op gericht om handel te drijven met consumenten die in een andere EEX staat dan Luxemburg woonplaats hebben. Een aanwijzing daarvoor is ook dat de website van Nordea is opgesteld in de Engelse taal. Nu Nordea de schriftelijke stukken, ten behoeve van het totstandkomen van zowel de eerste als de tweede leningsovereenkomst, bovendien heeft toegestuurd naar het adres van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] in Nederland (soms rechtstreeks, soms door tussenkomst van Lancelot, zijnde een professionele partij die er al eerder voor had gezorgd dat een aantal Nederlandse consumenten klant werd bij Nordea) – welk adres ook op de overeenkomsten staat vermeld – blijkt ook daaruit dat Nordea de wil had om een overeenkomst te sluiten met een in Nederland woonachtige consument. Nordea had er dan ook redelijkerwijs rekening mee moeten houden, indachtig het doel van artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo, dat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om over geschillen met betrekking tot de overeenkomst te oordelen.

5.8.

Nu de rechtbank op grond van artikel 15 lid 1 sub c EEX-Vo bevoegd is om over het geschil in de hoofdzaak tegen Nordea te oordelen, en van deze regel niet kan worden afgeweken door middel van een forumkeuze vóór het ontstaan van het

geschil, zal het gevorderde in het incident worden afgewezen.

5.9.

Nordea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5.10.

Het verzoek van Nordea tot het tussentijds openstellen van hoger beroep wordt afgewezen. Er doen zich, rekening houdende met de wederzijdse belangen van partijen en het wettelijke uitgangspunt van artikel 337 lid 2 Rv, naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden voor die toewijzing van het verzoek om het verbod van tussentijds hoger beroep alsnog op te heffen rechtvaardigen.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt Nordea in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 augustus 2014 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Nordea,

6.5.

schorst het geding tegen Lancelot in verband met het faillissement van Lancelot.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.