Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5016

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
FA RK 13-2309 / FA RK 14-199
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden. Vergoedingsrechten. Verdeling overwaarde gemeenschappelijke woning.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/142

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/539106 / FA RK 13-2309 (RT SV)

C/13/ 557431 / FA RK 14-199 (RT SV)

Beschikking van 16 juli 2014

in de zaak van:

[verzoekende tevens verwerende partij][verzoekende tevens verwerende partij],

wonende te [plaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. H. Dreesmann-Bruijntjes, kantoorhoudende te’s-Gravenhage,

tegen

[verwerende tevens verzoekende partij][verwerende tevens verzoekende partij],

wonende te [plaats],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. O.J.V. van Beekhof, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder:

- het op 29 maart 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift;

- het daartegen ingediende verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvulling verzoek;

- het verweer op het aanvullend verzoek;

- de stukken van de zijde van de vrouw van 22 oktober 2013;

- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 28 maart 2014;

- de brief met bijlage van de zijde van de man van 2 april 2014.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2014.

Verschenen en gehoord zijn: beide partijen en hun advocaten. De advocaten hebben het woord onder meer aan de hand van pleitaantekeningen gevoerd, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

1.3.

Na de mondelinge behandeling is op 12 mei 2014 ter griffie een faxbericht van beide advocaten ingekomen waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie.

1.4.

De beschikking is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn, onder het maken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum].

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Partijen hebben samen de volgende minderjarige kinderen:

- [kind 1], geboren te [plaats] op [datum] (hierna: [kind 1]);

- [kind 2], geboren te [plaats] op [datum] (hierna: [kind 2]).

2.4.

In de akte van huwelijkse voorwaarden zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Uitsluiting van gemeenschap van goederen

1. Tussen de echtgenoten zal geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

2. Behoudens het bij de wet bepaalde ten aanzien van de verbintenissen, aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, is ieder van de echtgenoten slechts aansprakelijk voor de schulden, welke door deze echtgenoot persoonlijk zijn aangegaan.

Artikel 3 Kosten van de huishouding

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waaronder begrepen de kosten van opvoeding en onderhoud van eventueel te enigertijd tot het gezin van de echtgenoten behorende kinderen en voorts de renten van schulden aangegaan in verband met de financiering van de echtelijke woning komen ten laste van het in komen uit arbeid van beide echtgenoten.

(…)

Voor zover de kosten van de gemeenschappelijke huishouding meer belopen dan de totale gezamenlijke inkomens van de beide echtgenoten, komt dat meerdere ten laste van de echtgenoten naar rato van ieders vermogen, zoals aanwezig per het einde van het desbetreffende kalenderjaar.

Artikel 8 Woning

1. In geval van echtscheiding zal de man de aan de vrouw toebehorende woning binnen drie maanden metterwoon verlaten.

2. Ingeval het huwelijk eindigt zal de vrouw (of haar erfgenamen) aan de man (of zijn erfgenamen) een bedrag vergoeden gelijk aan de breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het bedrag van de door de man gefinancierde verbouwingskosten en de noemer wordt gevormd door het bedrag ad zeshonderd tienduizend euro (€ 610.000,00) vermenigvuldigd met de waarde van het appartementsrecht [straatnaam 1] te [plaats] in onbewoonde staat.

(…)

2.5.

De vader van de vrouw is op [datum] overleden. De vrouw was samen met haar broer erfgenaam. Uit de erfenis heeft de vrouw onder meer de helft van de onverdeelde eigendom van de woning aan de [straatnaam 1] te [plaats] gekregen.

2.6.

Het testament van de vader van de vrouw bevatte, voor zover hier van belang, de volgende bepaling:

Ten negende:

Ik bepaal dat al hetgeen een erfgenaam/legataris uit mijn nalatenschap verkrijgt en hetgeen daarvoor door nieuwe belegging in de plaats komt, met inbegrip van de vruchten daarvan en hetgeen daarvoor door nieuwe belegging in de plaats komt, niet zal vallen in enige vermogensrechtelijke gemeenschap, waarin deze gerechtigd is of te eniger tijd gerechtigd mocht zijn, noch betrokken zal worden in enige verrekening op grond van door een erfgenaam/legataris gemaakte of te maken huwelijksvoorwaarden, partnerregistratievoorwaarden dan wel op grond van een samenlevingsovereenkomst.

2.6.

Op 10 mei 2004 heeft de vrouw de onverdeelde helft van de eigendom van woning aan de [straatnaam 1] te [plaats] van haar broer geleverd gekregen. De verkrijging – en vervolgens verbouwing – is gefinancierd door middel van een op naam van beide partijen afgesloten aflossingsvrije hypothecaire geldlening en een privé inbreng van de man ter grootte van € 100.000,-.

2.7.

Partijen hebben op 9 juni 2004 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Zij zijn daarin, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 6 Gemeenschappelijk bewoonde woning

Partijen zijn voornemens om na ingrijpende verbouwing te gaan wonen in het appartement Van Eeghenstraat 25 huis te [plaats], hetwelk krachtens erfrecht reeds voor de helft aan de vrouw toebehoort.

De verkrijging van de andere helft zal worden gefinancierd door de vrouw; de verbouwingskosten zullen worden gefinancierd door de man.

De rente van de schulden aangegaan in verband met die financiering wordt gerekend tot de kosten van de huishouding.

2.8.

De woning aan de [straatnaam 1] te [plaats] is in 2010 verkocht voor een bedrag van € 1.165.000,-. De woning had een overwaarde van € 700.000,-.

2.9.

Partijen hebben in 2010 in gezamenlijk eigendom verworven de onroerende zaak aan de [straatnaam 2] te [plaats] (hierna echtelijke woning). De koopprijs bedroeg € 850.000,-. De koopprijs en de verbouwingen hebben partijen gefinancierd met de voornoemde overwaarde. Daarnaast hebben partijen een hypothecaire geldlening ter hoogte van € 755.000,- afgesloten.

2.10.

De echtelijke woning is verkocht voor een verkoopprijs van € 1.040.000,-.

3.1.

Het verzoek van de vrouw

3.1.1.

De vrouw verzoekt:

I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

II. te bepalen dat de [kind 1] en [kind 2] hun gewone verblijfplaats bij haar zullen hebben

III. te bepalen dat de man gerechtigd is met de kinderen contact te hebben, en wel als volgt:

- eenmaal per veertien dagen van donderdag uit BSO (tussen 16.30 uur en 18.30 uur) tot maandagochtend naar school (8.30 uur), waarbij de man de kinderen op donderdag uit de BSO haalt en maandag naar school brengt;

- de helft van de vakanties en feestdagen;

IV. de som welke de man zal dienen te verstrekken aan de vrouw voor de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te bepalen op € 875,- per kind per maand vanaf de datum van de beschikking en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

V. de som, welke de man na de echtscheiding zal dienen te verstrekken aan de vrouw tot haar levensonderhoud, te bepalen op een bedrag van € 4.250,- bruto per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, vanaf de datum van inschrijving echtscheidingsbeschikking;

VI. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 159.016,43 aan haar uit hoofde van de afwikkeling van de verdeling van de echtelijke woning ([straatnaam 2]) en de vorige woning ([straatnaam 1]) van partijen;

VII. de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.000,- aan haar uit hoofde van te veel door de vrouw betaalde maandelijkse hypotheeklasten over de periode oktober 2012 tot en met april 2013 te vermeerderen met eventuele te verstrijken hypotheektermijnen na april 2013;

VIII. de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform hetgeen de vrouw in posita 67 tot en met 69 van haar verzoekschrift heeft uiteengezet en aan de hand van de hiervoor verzochte beschrijving van de vermogens van partijen;

IX. de man te veroordelen binnen veertien dagen na de beschikking zijn medewerking te verlenen aan alle met de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning te ([postcode]) [plaats] aan De [straatnaam 2] samenhangende handelingen, meer in het bijzonder:

- het verstrekken van een akkoord met betrekking tot de verlaging van de verkoopprijs van € 1.350.000,- naar € 1.199.000,- aan de makelaar met schriftelijke bevestiging daarvan aan de vrouw;

- het verlenen van medewerking aan het verkopen van de echtelijke woning tegen een marktconforme laatprijs van € 1.050.000,- aan derden binnen twee weken nadat een dergelijk bod door derden is gedaan;

- het verlenen van medewerking aan het verlijden van de notariële akte van levering van de woning binnen drie maanden nadat de obligatoire koopovereenkomst, in de praktijk genoemd het voorlopig koopcontract, door kopers is getekend;

X. te bepalen dat nadat de hiervoor verstreken termijnen van medewerking zijn verstreken zonder dat bedoelde medewerking behoorlijk is verleend, de vrouw gemachtigd wordt, alle hiervoor onder IX genoemde handelingen te verrichten, althans dat de door de rechtbank te wijzen beschikking in de plaats treedt van de voor die noodzakelijke handelingen vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man;

XI. te bepalen dat nadat de hiervoor verzochte termijnen van medewerking zijn verstreken zonder dat bedoelde medewerking behoorlijk is verleend aan het opmaken van de vereiste notariële akte tot levering, deze beschikking in de plaats treedt van de voor het opmaken van die akte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man;

XII. te bepalen dat de man uiterlijk binnen twee weken nadat de verkoopakte door kopers is getekend, of zoveel later als kopers toestaan, de woning te ([postcode]) [plaats] aan de [straatnaam 2] dient te hebben verlaten en te ontruimen, zoals hiervoor door de vrouw verzocht;

XIII. te bepalen dat de man met ingang van deze beschikking de helft van de met de echtelijke woning verbonden vaste lasten, waaronder begrepen de maandelijkse hypotheekrente evenals de WOZ-aanslagen, premie opstalverzekering en premie levensverzekering dient te voldoen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per maand voor ieder maand dat de man in verzuim blijft aan deze betaling te voldoen;

XIV. te bepalen dat de man in de periode voor deze beschikking de helft van de met de echtelijke woning verbonden vaste lasten, waaronder begrepen de maandelijkse hypotheekrente evenals de WOZ-aanslagen, premie opstalverzekering en premie levensverzekering dient te voldoen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per maand voor ieder maand dat de man in verzuim blijft aan deze betaling te voldoen.

3.2.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek van de man

3.2.1.

De man verweert zich niet tegen de verzochte echtscheiding, de verzochte hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Tegen de overige verzoeken van de vrouw voert de man gemotiveerd verweer.

3.2.2.

Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man:

I. te bepalen dat de vrouw gehouden is aan hem binnen twee weken na deze beschikking, uit hoofde van de kosten van de huishouding over de periode tot juni 2013, een bedrag te voldoen ad € 33.981,-;

II. ten aanzien van de door hem te bepalen bijdrage in de kosten van de kinderen:

a. de behoefte van de kinderen vast te stellen op € 689,50 per kind per maand, uitgaande van een aan de zijde van de vrouw bestaande aanspraak op een kindgebonden budget van € 116,- per maand en inclusief de kosten voor de naschoolse opvang;

b. dat de behoefte van de kinderen bepaald zal worden zonder rekening te houden met de kosten van naschoolse opvang, indien de rechtbank niet van de vrouw vergt dat zij haar volledige verdiencapaciteit ten volle benut, in welk geval de vrouw de kinderen zelf opvangt;

c. de vrouw – al dan niet bij wege van een tussenbeschikking – op te dragen alle stukken over te leggen op basis waarvan haar draagkracht bepaald kan worden;

d. na indiening door de vrouw van bedoelde stukken, op basis van het door de man gepresenteerde feitencomplex in de alinea’s 16 tot en met 25 van zijn verweerschrift over te gaan tot vaststelling van een bijdrage van partijen gehouden in de kosten van de kinderen en daarbij ten aanzien van de draagkracht van de man rekening te houden met een zorgkorting van 25%;

III. ten aanzien van de verdeling van de inboedel van partijen, de man in de gelegenheid te stellen te reageren op het door de vrouw aangekondigde voorstel en tot het moment ten aanzien van de verdeling van de inboedel, de zaak aan te houden;

IV. ten aanzien van het door partijen aangehouden saldo op de en/of rekening tot referte ten aanzien van het standpunt van de vrouw ex alinea 70 van haar verzoekschrift;

V. ten aanzien van de echtelijke woning aan [straatnaam 2] te bepalen:

a. primair: dat partijen elk gerechtigd zijn tot de helft van het bedrag dat resteert van de verkoopsom na aftrek van de op de woning rustende hypotheekschuld ad € 755.000,- en de overige te doen gebruikelijke, aan de verkoop gelieerde kosten;

b. subsidiair: dat partijen gerechtigd zijn tot het bedrag dat resteert van de verkoopsom na aftrek van de op woning rustende hypotheekschuld van € 755.000,- en de overige te doen gebruikelijke, aan de verkoop gelieerde kosten, naar rato van de privé-inbreng die partijen zich getroost hebben; alsmede de hoogte van deze privé-investeringen vast te stellen op € 310.348,- (man) en € 389.652,- (vrouw), dan wel op elk ander bedrag dat de rechtbank geraden acht;

c. dat de vrouw, gedurende de periode totdat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven gehouden is alle op de woning toeziende eigenaars- en gebruikerslasten te voldoen;

d. Dat de vrouw voor de periode na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gehouden is een gebruiksvergoeding ex artikel 1:165 lid 1 BW te voldoen en de hoogte daarvan gelijk te stellen aan de helft van alle op de woning toeziende eigenaarslasten (waaronder medegrepen de hypotheekrente); alsmede te bepalen dat de vrouw tevens gehouden is de andere helft van die eigenaarslasten en alle op de woning toeziende gebruikerslasten als eigen verplichting dient te voldoen;

VI. ten aanzien van het onder IX opgenomen verzoek van de vrouw:

- de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen voor zover het toeziet op de verlaging van de vraagprijs en de verkoop tegen een laatprijs van € 1.050.000,-;

- te bepalen dat zowel de vrouw als de man gehouden zijn bedoelde medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte van levering;

VII. ten aanzien van de onder X, XI en XII opgenomen verzoeken van de vrouw: voorwaardelijk, dat wil zeggen, indien en voor zover de rechtbank deze toewijst, te bepalen dat hetgeen voor de man geldt ook voor de vrouw geldt;

VIII. kosten rechtens.

3.3.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

3.3.1.

De vrouw verweert zich gemotiveerd tegen de verzoeken van de man.

3.3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Echtscheiding

4.1.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Nu aan de wettelijke vereisten wordt voldaan, wijst de rechtbank het verzoek toe.

4.2.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

4.2.1.

De man verweert zich niet tegen het verzoek de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw te bepalen. De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw beslissen. Verder is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet in geschil zodat de rechtbank ten aanzien daarvan eveneens conform het verzoek van de vrouw zal beslissen.

4.2.2.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen verzoeken de gemaakte afspraken deel uit te laten maken van de beschikking en het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten. De rechtbank zal eveneens conform dit verzoek beslissen.

4.3.

Kinder- en partneralimentatie

4.3.1.

Partijen zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 bij vooruitbetaling € 650,- per kind per maand zal betalen, door bijschrijving op het [rekeningnummer]. Per 1 april 2015 zal de man bij vooruitbetaling € 750,- per kind per maand betalen door bijschrijving op voornoemd rekeningnummer.

4.3.2.

Partijen zijn voorts overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 bij vooruitbetaling € 500,- per maand zal betalen door bijschrijving op [rekeningnummer].

4.3.3.

Partijen zijn tot voornoemde afspraken gekomen met inachtneming van de volgende uitgangspunten:

• dat de man naar alle waarschijnlijkheid op/rond 1 mei a.s. zijn ontslag krijgt;

• dat de man in dat kader recht heeft op een ontslagvergoeding c.q. op een

afvloeiingsregeling, waarvan de details nog niet bekend zijn;

• dat de man zich committeert aan de overeengekomen bijdragen tot 1 april 2015,

ook als blijkt dat de ontslagvergoeding c.q. afvloeiingsregeling daarvoor niet

toereikend is. Als uitzondering op dit uitgangspunt geldt de situatie zoals die in de

7de bullet toegelicht wordt;

• dat de vrouw in 2013 nauwelijks/geen inkomen genoten heeft en zulks in de

periode 2014 tot heden niet significant verbeterd is;

• dat aan de arbeidsongeschiktheid van de vrouw sinds kort een eind gekomen is;

althans dat deze sinds kort in die mate afgenomen is dat zij in ieder geval

grotendeels weer in staat is haar werk te hervatten;

• dat het de verantwoordelijkheid is van de man en de vrouw zich vanaf 1 april 2015

een zodanig inkomen te verwerven (als zelfstandige en/of in loondienst) dat zij

daarmee in hun eigen behoefte kunnen voorzien; althans, dat indien de man of de

vrouw daar op dat moment niet in geslaagd is, hij of zij de gevolgen daarvan niet

op de ander kan afwentelen, in die zin dat de man of de vrouw de ander dan alsnog

om een partneralimentatie zou kunnen verzoeken;

• mocht de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, voor

zover dit toeziet op de woningen aan de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2]

(waar de rechter zich op/rond 21 mei a.s. over zal uitlaten) per saldo een vordering

op de man krijgen, komen partijen het volgende overeen:

o In beginsel is er dan ruimte voor een aanpassing van de door de man per heden en na 1 april 2015 te betalen kinder- en partneralimentatie, zij het met inachtneming van het volgende;

o indien de man onderhavige huwelijksvermogensrechtelijke schuld niet uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de [straatnaam 2] kan voldoen, is de man alleen gehouden de overeengekomen KA/PA aan de vrouw te voldoen indien de vrouw de man toestaat deze schuld -in nader overeen te komen termijnen- pas te voldoen vanaf het tijdstip waarop het inkomen van de man toereikend is om daarnaast de overeengekomen KA/PA te voldoen, waarbij ten behoeve van de man als maatstaf geldt dat partijen qua draagkracht een gelijke jus dienen te behouden.

4.3.4.

Partijen verzoeken de gemaakte afspraken op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal beslissen zoals thans wordt verzocht, met dien verstande dat de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie op zal nemen dat de man deze verschuldigd is per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking. Per die datum ontstaat eerst de rechtsgrond hiervoor. Dit laat vanzelfsprekend onverlet de afspraak tussen partijen dat de man de bijdrage per 1 april 2014 aan de vrouw verschuldigd is.

4.4.

Eenvoudige gemeenschap van woning en vergoedingsrechten

Aandeel overwaarde woning [straatnaam 1] te [plaats] en privé-inbreng van partijen in de woning aan [straatnaam 2] te [plaats]

4.4.1.

Tussen partijen is in geschil wat ieders aandeel is geweest in de overwaarde van de woning aan de [straatnaam 1] te [plaats], ter grootte van € 700.000,-. Dit leidt mede tot het geschil tussen partijen over wie wat in de voormalige echtelijke woning te [plaats] heeft geïnvesteerd.

4.4.2.

Alvorens de rechtbank ieders aandeel vast kan stellen dient de rechtbank eerst te beslissen op het standpunt van de vrouw dat gelet op de inhoud van het testament van haar vader artikel 8 tweede lid van de huwelijkse voorwaarden een nietige bepaling is. De man betwist dat er sprake is van een nietige bepaling, omdat de in voornoemd artikel verwoorde afspraak de nalatenschap niet raakt. De achterliggende gedachte bij de opstelling van artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is geweest dat de man recht heeft op een vergoeding van zijn investering, aldus de man.

4.4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. In zijn testament heeft de vader van de vrouw bepaald dat het geërfde niet onder een bestaand of toekomstig verrekenbeding valt. De vraag die de rechtbank dan dient te beantwoorden is of artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding omvat. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank dat partijen in voornoemd artikel een rekenformule zijn overeengekomen aan de hand waarvan de waarde van de door de man gedane investering kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is van een verrekenbeding dan ook geen sprake. Dit leidt ertoe dat het aandeel van de man in de overwaarde van € 700.000,- aan de hand van de rekenformule verwoord in artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden moet worden berekend. Deze formule luidt: “de teller wordt gevormd door het bedrag van de door de man gefinancierde verbouwingskosten en de noemer wordt gevormd door het bedrag ad zeshonderd tienduizend euro (€ 610.000,00) vermenigvuldigd met de waarde van het appartementsrecht Van [straatnaam 1] te [plaats] in onbewoonde staat.”

4.4.4.

Partijen verschillen van mening over de teller in de formule. De vrouw stelt dat de teller in de formule bestaat uit het bedrag van € 100.000,- dat de man in de woning aan de [straatnaam 1] te [plaats] heeft geïnvesteerd. De man betwist dit. De man stelt dat partijen gezamenlijk een hypothecaire geldlening hebben afgesloten waarvan een bedrag van € 135.000,- gebruikt is voor verbouwingskosten. Volgens de man kan de helft van dit bedrag, € 62.500,- (de rechtbank begrijpt € 67.500,-), als zijnde een investering aan hem worden toegerekend. De teller bedraagt volgens de man € 167.500,-. De vrouw erkent dat partijen gezamenlijk een hypothecaire geldlening zijn aangegaan, maar stelt dat een deel van het geleende geld in een bouwdepot is gestort. De vrouw betwist dat dit een bedrag van € 135.000,- is.

4.4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw de helft van de woning onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Dit houdt in dat ook het gedeelte van de hypothecaire geldlening dat was bestemd voor verbouwingskosten als eigen schuld van de vrouw dient te worden beschouwd. De aan de [straatnaam 1] te [plaats] verbonden hypothecaire geldlening is volledig afgelost met de verkoopopbrengst van deze woning. De verkoopopbrengst kwam de vrouw volledig toe. Dit leidt ertoe dat alleen al op grond daarvan geen sprake kan zijn van een grotere investering van de man dan € 100.000,-, aangezien de man niet vanuit privévermogen op de hypothecaire geldlening heeft afgelost. De enkele omstandigheid dat de hypothecaire geldlening mede op naam van de man is aangegaan, leidt er niet toe dat van een investering door de man sprake is. Dit klemt temeer nu niet op de hypothecaire geldlening is afgelost en rentebetalingen op een hypothecaire geldlening als kosten van de huishouding kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt gelet op het voorgaande de teller van de rekenformule genoemd in artikel 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden vast op € 100.000,-.

4.4.6.

De rekenformule luidt dan als volgt:

€ 100.000,-

-------------- x € 1.165.000,- = € 190.983,59

€ 610.000,-

4.4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw derhalve € 509.016,41 (€ 700.000,- minus € 190.983,59) in de woning aan [straatnaam 2] geïnvesteerd en heeft de man € 190.983,59 in de woning geïnvesteerd.

Vordering van de vrouw op de man en de verdeling overwaarde woning [straatnaam 2] te [plaats]

4.4.8.

Ten aanzien van de woning aan [straatnaam 2] te [plaats] is sprake van een eenvoudige gemeenschap waarop titel 7 van boek 3 BW van toepassing is.

De woning is verkocht en – zo begrijpt de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting – ten tijde van deze beschikking inmiddels ook geleverd. Op de woning rustte een hypothecaire geldlening van € 755.000,-, terwijl de woning is verkocht voor € 1.040.000,-. De overwaarde bedraagt dan € 285.000,-. Gesteld noch gebleken is de hoogte van de kosten verband houdende met de verkoop van de woning. De rechtbank houdt daarom hier geen rekening mee.

4.4.9.

Tussen partijen is in geschil wie (welk deel van) de overwaarde van de woning toekomt.

4.4.10.

De vrouw stelt dat gelet op de eigendomsverhouding de man met een te laag bedrag heeft bijgedragen aan de aankoop en verbouwing van deze woning. Partijen hadden ieder 50% van de koopprijs moeten betalen. Daarom komt haar, aldus de vrouw, de volledige verkoopopbrengst toe en heeft zij een vordering op de man van € 159.016,-. Dit is het bedrag waarmee de man te weinig heeft bijgedragen aan de aankoop van de gezamenlijke woning.

4.4.11.

De man betwist dat hij te weinig heeft bijgedragen aan de aankoop. Volgens de man hebben partijen nagenoeg met een gelijk bedrag aan de aankoopprijs bijgedragen. De man baseert zijn standpunt op zijn – hiervoor reeds verworpen – stelling dat de teller in de in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden genoemde rekenformule € 167.500,- moet zijn in plaats van € 100.000,-. Volgens de man, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting, moet hij maximaal € 39.652,- aan de vrouw vergoeden. De man stelt verder dat de vrouw er ten onrechte vanuit gaat dat partijen ieder 50% van de aankoopprijs hadden moeten betalen.

4.4.12.

De rechtbank stelt vast dat de totale investering van partijen in de woning, te weten een gemeenschappelijke hypothecaire schuld van € 755.000,- en een totale privéinbreng van partijen van € 700.000,-, de verkoopopbrengst overstijgt. Zoals hiervoor reeds overwogen kan van de privéinbreng een bedrag van € 509.016,41 aan de vrouw worden toegerekend en kan aan de man € 190.983,59 worden toegerekend. Partijen hebben in beginsel recht op een nominaal vergoeding van hun privéinvestering in de eenvoudige gemeenschap. Echter, gelet op de waarde van de woning en het totaalbedrag aan investeringen kan van een nominaal vergoedingsrecht geen sprake zijn. Beide partijen hebben immers, de man door investering van een lening van zijn ouders en de vrouw door investering van de erfenis van haar vader, met de investering in een woning, zeker gelet op de crisis waarin de woningmarkt ten tijde van aankoop verkeerde, welbewust een beleggingsrisico genomen. Daarbij was er de kans dat de woning in waarde zou stijgen waarbij partijen naast vergoeding van hun investering winst zouden maken, maar ook zeker de kans dat de woning in waarde zou dalen waarbij partijen verlies zouden lijden. Naar nu blijkt is dit laatste het geval, althans is de waardevermeerdering van de verbouwing niet zodanig dat de totale investering uit de woning kan worden verkregen. Partijen hebben beide als het ware slecht geïnvesteerd. Naar het oordeel van de rechtbank staan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid er dan aan in de weg dat de vrouw de volledige overwaarde toekomt, waarna nog een vordering op de man zou resteren. Het verlies dat met de woning is geleden zou dan immers volledig op de gemeenschap dan wel op de man worden afgewenteld. Naar het oordeel van de rechtbank komt partijen daarom een aan hun privéinleg evenredig aandeel van de overwaarde van € 285.000,- toe. Dit leidt ertoe dat van de overwaarde de man een bedrag van € 77.757,61 (€ 190.983,59 : € 700.000,- x € 285.000,-) toekomt en de vrouw een bedrag van € 207.242,39 (€ 509.016,41 : € 700.000 x € 285.000,-). Van een vordering van de vrouw op de man is dan geen sprake meer. De rechtbank zal aldus bepalen.

4.5.

Overige eenvoudige gemeenschappen

Inboedel

4.5.1.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen de inboedel in onderling overleg nagenoeg verdeeld hebben. Zij wensen ter zake daarvan geen beslissing van de rechtbank meer.

En/of rekening met [nummer]

4.5.2.

Tussen partijen bestaat overeenstemming over de gezamenlijke bankrekening. Deze zal per 1 juli 2014 worden opgeheven. Het saldo wordt bij helfte verdeeld. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

4.6.

Gemeenschappelijke schuld

4.6.1.

Partijen zijn beide hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening ad € 755.000,-. De rechtbank gaat er vanuit dat de hypothecaire geldlening is ingelost met de verkoopopbrengst van de woning. Ter zake hiervan behoeft daarom geen beslissing door de rechtbank te worden genomen.

4.7.

.7. Verrekening kosten van de huishouding

4.7.1.

De vrouw stelt in verband met achterstallig betalingen op de hypotheek een bedrag te hebben betaald van € 18.000,-. Zij vordert de helft daarvan, zijnde € 9.000,- van de man alsmede het meerdere voor de na indiening van het verzoek door haar betaalde bedragen. Daarnaast verzoekt de vrouw te bepalen dat de man de helft van de vaste lasten van de woning betaalt voor de periode tot de beschikking onder verbeurte van een dwangsom.

4.7.2.

De man betwist dat hij nog enig bedrag in het kader van de kosten van de huishouding aan de vrouw verschuldigd is. Hij stelt dat hij juist degene is die te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan hij had gemoeten. Hij vordert een bedrag van € 33.981,- van de vrouw.

4.7.3.

De rechtbank overweegt als volgt. De huwelijkse voorwaarden regelen de wijze waarop partijen in de kosten van de huishouding delen. Partijen zijn geen vervalbeding overeengekomen, zodat in beginsel afrekening aan het einde van het huwelijk plaats kan vinden. Echter, het bezwaar tegen een afrekening aan het einde van het huwelijk is dat voor de berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens vaak niet meer aanwezig zullen zijn. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in dezen ook het geval. Gesteld noch gebleken is immers dat partijen minutieus hebben bijgehouden wat de inkomsten en uitgaven zijn geweest. Partijen voldoen daarom ook niet aan de op hun rustende stelplicht. Zij moeten concreet stellen wat ieders inkomen is geweest, wat de kosten van de huishouding zijn geweest, dat het inkomen niet toereikend was, wat ieders vermogen was, wat een naar rato van ieders inkomen/vermogen verdeling van de kosten zou zijn geweest en dat hij of zij te veel heeft bijgedragen. De rechtbank wijst de verzoeken gelet op het voorgaande af.

4.8.

Overige verzoeken

4.8.1.

De rechtbank wijst de overige verzoeken wegens gebrek aan belang af. Deze verzoeken hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning voor de periode na deze beschikking. Vast staat dat de woning is verkocht en inmiddels ook is geleverd.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/539106 / FA RK 13-2309:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum];

- stelt de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en [kind 2] vast bij de vrouw;

- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man [kind 1] en [kind 2] eenmaal per veertien dagen van donderdag uit BSO (tussen 16.30 uur en 18.30 uur) tot maandagochtend naar school (8.30 uur), waarbij de man de kinderen haal en maandag naar school brengt, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij zich heeft;

- bepaalt dat de man met ingang van 1 april 2014 tot 31 maart 2015 € 650,- (zeshonderd vijftig euro) en per april 2015 € 750,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2], bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw, dit met inachtneming van de in rechtsoverweging 4.3.3. genoemde uitgangspunten;

- bepaalt dat de man € 500,- (vijfhonderd euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding tot 31 maart 2015 bij vooruitbetaling te voldoen, dit met inachtneming van de in rechtsoverweging 4.3.3. genoemde uitgangspunten;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan, als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van deze beschikking;

- verklaart de inhoud van het ouderschapsplan voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte;

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/557431 / FA RK 14-199:

- bepaalt dat van de overwaarde van de echtelijke woning de man een bedrag toekomt van € 77.757,61 (zegge: zevenenzeventig duizend zevenhonderd zevenenvijftig euro eenenzestig cent) en dat de vrouw een bedrag toekomt van € 207.242,39 (zegge: tweehonderd zeven duizend tweehonderd tweeënveertig euro negenendertig cent);

- bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot het de helft van het banksaldo ten tijde van de opheffing van de en/of rekening met [nummer];

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. R.M. Troost, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier, op 16 juli 2014.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.