Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:5014

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
FA RK 13-2855 / FA RK 14-435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verrekening kosten van de huishouding. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man de door hem eventueel te veel betaalde kosten met terugwerkende kracht kan terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/540561 / FA RK 13-2855 (RT SV)

C/13/557971 / FA RK 14-435 (RT SV)

Beschikking van 25 juni 2014

in de zaak van:

[verzoekende tevens verwerende partij],

wonende te [plaats],

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. H. Vosmeijer, kantoorhoudende te Amstelveen,

tegen

[verwerende tevens verzoekende partij],

wonende te[plaats],

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. G.B.J.M. Spoormans, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder:

- het op 23 april 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift;

- het daartegen ingediende verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;

- het formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de vrouw van 20 september 2013;

- het formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de man van 25 september 2013;

- de brief met bijlagen van 27 maart 2014 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen van 28 maart 2014 van de zijde van de vrouw.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2014.

Gehoord zijn: beide partijen en hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 4 september 2002 te Amsterdam met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

In de akte van huwelijkse voorwaarden van 15 april 2002 zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Uitsluiting gemeenschap van goederen

1. Tussen de echtgenoten zal geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

2. Behoudens het bij de wet bepaalde is ieder van de echtgenoten slechts aansprakelijk voor schulden, welke door hem of haar persoonlijk zijn aangegaan.

Artikel 3 Kosten van de huishouding

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van de echtgenoten naar rato van ieders inkomen uit arbeid.

Onder inkomen wordt mede verstaan daarvoor in de plaats getreden uitkering, zoals afvloeiings-, pensioen- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

De kosten en lasten gerelateerd aan de eigendom van het pand[straat] komen geheel voor rekening van de man; de daaraan gerelateerde baten komen geheel ten goede van de man.

2.4.

Bij beschikking van 24 april 2013 in de voorlopige voorzieningenprocedure van deze rechtbank is bepaald dat de man voor de duur van de echtscheidingsprocedure € 950,- per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

3.1.

Het verzoek van de man

3.1.1.

De man verzoekt tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden € 114.538,- aan hem dient te betalen.

3.2.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek van de vrouw

3.2.1.

De vrouw refereert zich aan de verzochte echtscheiding. De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

3.2.2.

Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw eveneens tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Daarnaast verzoekt de vrouw – na wijziging van haar aanvankelijke verzoek – primair te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 3.400,- subsidiair € 2.144,-, meer subsidiair € 2.125,- en nog meer subsidiair € 1.490,- bruto per maand zal betalen.

3.3.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

3.3.1.

De man verweert zich tegen de verzochte partneralimentatie.

3.3.2.

Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Echtscheiding

4.1.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Nu aan de wettelijke vereisten is voldaan, wijst de rechtbank de verzoeken toe.

4.2.

Partneralimentatie

4.2.1.

De man verzoekt bij de beoordeling van het verzoek om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw af te wijken van het rapport van de werkgroep Alimentatienormen. Daartoe stelt de man dat partijen in de akte van huwelijkse voorwaarden een inkomstenbegrip zijn overeengekomen dat inhoudt dat alleen inkomen uit arbeid en pensioen tot het inkomen wordt gerekend. Daarom dienen, aldus de man, bij de vaststelling van een partneralimentatie zijn vermogen en de inkomsten daaruit buiten beschouwing te worden gelaten.

4.2.1.

De vrouw betwist dat alleen met het inkomen uit arbeid en pensioen rekening gehouden moet worden. De vrouw stelt dat bij de beoordeling van haar verzoek de welstand van het huwelijk maatgevend dient te zijn. Voor de bepaling van de welstand is ook het inkomen dat de man uit vermogen heeft maatgevend. De vrouw voert verder aan dat zij niet van de man verwacht dat hij op zijn vermogen inteert.


4.2.2. De rechtbank overweegt als volgt. In de akte van huwelijkse voorwaarden zijn partijen ten aanzien van de kosten van de huishouding een inkomstenbegrip overeengekomen. De mate van welstand waarin partijen hebben geleefd wordt niet alleen bepaald door de kosten van de huishouding. De vrouw stelt onweersproken dat de man van hun leven een feestje wilde maken en dat dit onder meer inhield dat partijen veelvuldig etentjes hadden die door de man werden betaald. Gelet daarop acht de rechtbank het aannemelijk dat partijen niet alleen van hun inkomen uit arbeid en pensioen hebben geleefd maar dat ook het (inkomen uit) vermogen van de man bepalend is geweest voor de mate van welstand. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding, hoewel sprake is van een richtlijn en geen wet, af te wijken van de aanbevelingen van de werkgroep Alimentatienormen. Dat partijen in de akte van huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de kosten van de huishouding een inkomstenbegrip zijn overeengekomen, maakt het vorenstaande niet anders, nu dat begrip ziet op de uitleg van de inkomsten bij het afwikkelen van de huwelijkse voorwaarden en niet op het vaststellen van de behoefte in het kader van alimentatie.

4.2.3.

De rechtbank gaat hierna uit van afgeronde bedragen, tenzij anders vermeld.

Behoefte



4.2.4. Tussen partijen is de behoefte van de vrouw in geschil.

4.2.6.

De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie (onder andere Hoge Raad 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050) volgt dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

4.2.7.

De rechtbank zal de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de zogenoemde Hof-norm, nu de vrouw onvoldoende stelt om aannemelijk te maken dat haar behoefte hoger is dan wat uit toepassing van deze norm volgt. De Hof-norm stelt de behoefte van de gewezen echtgenoten op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning.

Partijen zijn in 2012 uit elkaar gegaan. Om die reden zal de rechtbank voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw de inkomsten van partijen zoals deze blijken uit de overgelegde aangiften inkomstenbelasting 2012 tot uitgangspunt nemen.

4.2.8.

De vrouw had in 2012 een bruto jaarinkomen van € 36.762,- en een bruto WAO uitkering van € 5.674,-. Met dit bruto inkomen had de vrouw een netto maandinkomen van € 2.259,-.

4.2.9.

De man ontving in 2012 een AOW uitkering van € 9.186,- en een bruto pensioen van € 32.516,-. De man had verder huurinkomsten van € 7.338,- en rente-inkomsten van € 824,- op jaarbasis. Dit leidt tot een netto maandinkomen van € 3.481,-.

4.2.10.

Partijen hadden aldus gezamenlijk € 5.740,-netto per maand te besteden. De netto behoefte van de vrouw bedraagt dan € 3.141,-. De vrouw heeft eigen inkomen welke op de behoefte in mindering moet worden gebracht. Rekening houdend met het bruto jaarinkomen van de vrouw zoals dit uit de jaaropgaven 2013 blijkt, te weten een bruto jaarinkomen uit dienstbetrekking van € 34.577,- en een WAO/WIA uitkering van € 5.379,-, stelt de rechtbank de aanvullende bruto behoefte van de vrouw vast op € 2.029,-.

Verdiencapaciteit

4.2.11.

De man stelt dat aan de zijde van de vrouw van een hogere verdiencapaciteit moet worden uitgegaan, omdat de vrouw vrijwillig gebruik maakt van de zogenoemde BAPO-regeling.

4.2.12.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat zij al tien jaar lang van deze regeling gebruik maakt en dat zij de keuze daarvoor in samenspraak met de man heeft gemaakt. Door gebruik te maken van deze regeling is de vrouw een dag minder gaan werken. Deze dag gebruikte zij mede voor het oppassen op de kleinkinderen van de man. Verder voert de vrouw aan dat gelet op haar leeftijd, haar gezondheidssituatie – zij lijdt aan diabetes – en de zwaarte van haar baan in het basisonderwijs niet verwacht kan worden dat zij haar uren uitbreidt.

4.2.13.

De rechtbank overweegt dat de vrouw inmiddels 63 jaar oud en diabetespatiënt is. Onweersproken is dat de vrouw al tien jaar gebruik maakt van de BAPO regeling en dat zij haar vrije dag onder meer besteedde aan het oppassen op de kleinkinderen van partijen. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, kan naar het oordeel van de rechtbank niet van de vrouw worden gevergd dat zij meer uren gaat werken dan zij thans doet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan de zijde van de vrouw van een hoger inkomen uit te gaan dan zij op dit moment genereert.

Draagkracht van de man

Inkomen

4.2.14.

Voor de bepaling van het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de bedragen, zoals deze blijken uit de overgelegde jaaropgaven 2013 en aangifte inkomstenbelasting 2013.

De man ontvangt een AOW-uitkering van € 12.432,- per jaar. Daarnaast ontvangt de man een pensioenuitkering van € 32.836,- per jaar.

4.2.15.

De man heeft vermogen. Dit bestaat uit een spaartegoed van € 33.185, - en een onroerende zaak ter waarde van € 330.190,-.

4.2.16.

De man heeft huurinkomsten uit de onroerende zaak van € 7.588,- per jaar. Hij stelt onweersproken dat de lasten voor deze woning € 230,- per maand bedragen. Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank op de huurinkomsten in mindering te worden gebracht. De rechtbank houdt daarom rekening met huurinkomsten van € 4.828,- per jaar. In de aangifte inkomstenbelasting 2013 staat niet vermeld welk bedrag de man aan rente-inkomsten over zijn spaartegoed heeft genoten. In de aangifte 2012 staat dit wel vermeld. De rechtbank stelt de rente-inkomsten in redelijkheid op het bedrag zoals door de man ontvangen in 2012, aldus op € 824,- per jaar.

Lasten

4.2.17.

Op de woning van de man rust geen hypothecaire geldlening. De rechtbank houdt teneinde de woonlasten van de man vast te stellen daarom rekening met de gemiddelde basishuur van € 227,- per maand.

4.2.18.

De man stelt dat met een bedrag aan eigenaarslasten van € 477,- rekening moet worden gehouden, omdat het forfaitaire bedrag van € 95,- per maand niet volstaat. De vrouw verweert zich hiertegen.

4.2.19.

De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 95,- per maand betrekking heeft op de premie opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de onroerende zaaksbelasting, de polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten. Conform de aanbevelingen van de werkgroep Alimentatienormen wordt alleen met een hoger bedrag rekening gehouden indien wordt aangetoond dat de kosten hoger zijn. Naar het oordeel van de rechtbank toont de man aan dat zijn onderhoudskosten zodanig zijn dat deze niet gedekt worden door het bedrag dat hiervoor in het bedrag van € 95,- verdisconteerd is. Ten aanzien van de overige opgevoerde lasten maakt de man dit naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de betwisting door de vrouw, niet aannemelijk. De rechtbank houdt rekening met eigenaarslasten van € 373,- (€ 95,-- aan forfaitaire bedrag + € 278,-- aan onderhoudskosten).

4.2.20.

De man betaalt een premie ziektekostenverzekering van € 174,- per maand. De rechtbank houdt met dit bedrag rekening, met dien verstande dat hierop in mindering wordt gebracht de nominale premie van € 39,- die in de bijstandsnorm is verdisconteerd. De rechtbank houdt rekening met het wettelijk verplicht eigen risico van € 360,- op jaarbasis.

4.2.21.

De rechtbank houdt rekening met de op de man van toepassing zijnde heffingskortingen en de bijstandsnorm van een alleenstaande AOW’er. De rechtbank stelt de draagkrachtruimte van de man vast op € 2.160,- netto per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie voor de vrouw.

Draagkracht van de vrouw

Inkomen

4.2.22.

De vrouw heeft een bruto jaarsalaris van € 34.577,- en een WAO/WIA uitkering van € 5.379,-.

4.2.23.

De man stelt dat de vrouw ook over vermogen beschikt. Hij maakt dit echter naar het oordeel van de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aannemelijk noch draagt de man een begin van bewijs aan. De enkele stelling dat het niet anders kan dan dat de vrouw over vermogen moet beschikken is in ieder geval onvoldoende. Bovendien blijkt uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2013 van de vrouw ook niet van enig vermogen. De rechtbank houdt daarom aan de zijde van de vrouw geen rekening met inkomsten uit Box III.

Lasten

4.2.24.

De vrouw stelt een huurlast te hebben van € 900,- per maand. De man betwist dit en stelt dat rekening gehouden moet worden met een huurlast € 838,-, omdat in de huurprijs servicekosten zijn begrepen. De rechtbank overweegt dat conform de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen de in de berekening op te nemen huur verhoogd kan worden met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik en het schoonmaken van gemeenschappelijke ruimten. De vrouw stelt onweersproken dat daarvan sprake is. Daarom houdt de rechtbank rekening met een huurlast van € 900,-.

4.2.25.

De vrouw betaalt een premie ziektekostenverzekering van € 193,- per maand. De rechtbank houdt met dit bedrag rekening, met dien verstande dat hierop in mindering wordt gebracht de nominale premie van € 39,- die in de bijstandsnorm is verdisconteerd. De rechtbank houdt rekening met het wettelijk verplicht eigen risico van € 360,- op jaarbasis. Ook wordt rekening gehouden met niet vergoede ziektekosten van € 28,- per maand.

4.2.26.

De vrouw stelt dat rekening gehouden moet worden met advocaatkosten en herinrichtingskosten. De man voert verweer. Volgens de man moet de vrouw vermogen hebben waarvan zij deze kosten kan voldoen. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk dat de vrouw over vermogen beschikt. De vrouw stelt onweersproken dat zij enkel wat oude meubelstukken van haarzelf uit de voormalige echtelijke woning mee heeft meegenomen. De rechtbank houdt conform het Tremarapport rekening met herinrichtingskosten van € 125,- per maand. Eveneens houdt de rechtbank voor de duur van één jaar rekening met advocaatkosten van € 114,- per maand. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de man dat aan zijn zijde eveneens rekening moet worden gehouden met advocaatkosten, nu vast staat dat de man in tegenstelling tot de vrouw wel over vermogen beschikt.

4.2.27.

De rechtbank houdt rekening met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen en met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De rechtbank stelt de draagkrachtruimte van de vrouw vast op € 266,- netto per maand.

4.2.28.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

Jusvergelijking

4.2.29.

Naar het oordeel van de rechtbank behoeft de vrouw bij het ontvangen van partneralimentatie niet een betere financiële positie te verkeren dan de man. Om die reden zal de rechtbank een zogenoemde jusvergelijking maken, waarbij de hiervoor vermelde financiële omstandigheden van partijen tot uitgangspunt worden genomen. De rechtbank stelt de door de man te betalen partneralimentatie vast op € 1.741,- per maand. Bij die partneralimentatie houden partijen nagenoeg eenzelfde vrije ruimte over, zodat dit bedrag in overeenstemming met de wettelijke maatstaven wordt geacht te zijn. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat de partneralimentatie voor de man fiscaal aftrekbaar is, terwijl deze bij de vrouw fiscaal belast zal zijn. Het verzoek van de vrouw wordt met inachtneming van het voorgaande toegewezen.

4.2.30.

De rechtbank heeft eveneens een jusvergelijking gemaakt voor de periode dat aan de zijde van de vrouw geen rekening meer wordt gehouden met advocaatkosten. In die situatie hebben partijen bij een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 1.631,- een vergelijkbare vrije ruimte te besteden.

4.3.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Lening

4.3.1.

De man stelt dat hij op 7 juli 2000 een lening aan de vrouw heeft verstrekt van € 4.538,-. Hij vordert dit van de vrouw terug.


4.3.2. De vrouw betwist niet dat partijen een leenovereenkomst hebben gesloten. Zij stelt echter dat de man haar deze schuld heeft kwijtgescholden. Subsidiair beroept de vrouw zich op verjaring. Meer subsidiair voert de vrouw aan dat partijen zijn overeengekomen dat de lening eerst verschuldigd is na het overlijden van één van hen.

4.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 827 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geeft een opsomming van de mogelijke nevenverzoeken bij echtscheiding. Daaruit volgt dat iedere voorziening kan worden gevraagd mits deze voldoende samenhang vertoont met de echtscheiding en de behandeling daarvan niet tot onnodige vertraging van de echtscheidingsprocedure leidt. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont het verzoek van de man de vereiste samenhang niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

Verrekening kosten huishouding

4.3.4.

De man stelt wegens te veel betaalde kosten huishouding een vordering op de vrouw te hebben van € 110.000,-. Hij stelt daartoe dat partijen nagenoeg een gelijk inkomen hadden maar dat hij het overgrote deel van de kosten op zich heeft genomen. De man verwijst naar rechtsoverweging 4.3. van het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 29 mei 2007 (LJN BA6520).

4.3.5.

De vrouw verweert zich gemotiveerd. De vrouw betwist dat de man nog enig bedrag van haar te vorderen heeft. De vrouw stelt dat de man van een luxe leven hield en dat hij graag van hun leven een feestje maakte. Tijdens het huwelijk is nooit gesproken over enige vergoeding van kosten. Volgens de vrouw zijn partijen stilzwijgend overeengekomen om af te wijken van de verdeling van de kosten van de huishouding. De vrouw legt aan dit verweer het volgende ten grondslag. Partijen hielden geen administratie bij van hun bijdragen, zij hadden geen gemeenschappelijke bankrekening en hebben over en weer tijdens het huwelijk nooit aanspraak gemaakt op afrekening van de kosten van de huishouding. Eerst nadat de man zijn scheidingwens had uitgesproken, confronteerde hij haar, zo stelt de vrouw, met een hoge vordering. De vrouw heeft door de gedragingen van de man tijdens het huwelijk en voorafgaand hun relatie nooit de kans gekregen de man aan te spreken op zijn uitgavenpatroon en aan te sporen tot een sobere levensstijl. De vrouw had ook geen controle op de kosten van de huishouding.

4.3.6.

Subsidiair betoogt de vrouw dat de man zijn recht op afrekening heeft verwerkt, omdat periodieke afrekening nooit heeft plaatsgevonden. Het is niet redelijk haar nu met een hoge vordering te confronteren. Dit terwijl, zo stelt de vrouw, de vrouw jaarlijks bedragen terugbetaalde aan de man die hij voor haar had voorgeschoten. De vrouw stelt ook kosten voor de man te hebben betaald. De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar verweer naar het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 1987 (NJ 1988, 231) en het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1994 (NJ 1995, 561).

4.3.7.

De vrouw betwist verder dat de door de man overgelegde overzichten compleet zijn, omdat de door haar betaalde kosten daar niet op vermeld staan. Tot slot voert de vrouw aan dat de man niet aantoont dat hij een vordering heeft tot het gestelde bedrag.

4.3.8.

De rechtbank overweegt als volgt. De huwelijkse voorwaarden regelen de wijze waarop partijen in de kosten van de huishouding delen. Partijen zijn geen vervalbeding overeengekomen, zodat in beginsel afrekening aan het einde van het huwelijk plaats kan vinden. Het bezwaar tegen een afrekening aan het einde van het huwelijk is dat voor de berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens vaak niet meer aanwezig zullen zijn. Anders dan in het door de man aangehaalde arrest van het Gerechtshof Arnhem is er in de situatie van partijen geen sprake van dat partijen minutieus hebben bijgehouden wat de inkomsten en uitgaven zijn geweest. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat in de door de man verstrekte overzichten – die overigens niet alle huwelijksjaren omvatten – de uitgaven welke door de vrouw zijn betaald, niet zijn meegenomen. Daarnaast is evenmin door de man weersproken dat hij van het goede leven hield en de vrouw in verband daarmee gedurende het huwelijk en ook daarvoor al mee liet delen in zijn vermogen. Voorts is als niet weersproken vast komen te staan dat de man gedurende het huwelijk op geen enkel moment aan de vrouw, expliciet of impliciet, kenbaar heeft gemaakt dat hij aanspraak maakte op een vergoeding van de vrouw van de door hem betaalde kosten. Was dit anders geweest dan had de vrouw de gelegenheid gehad het uitgavenpatroon aan te passen dan wel, door zich te berusten in het ruime uitgavenpatroon, er rekening mee kunnen houden dat de man een vergoeding van haar wenste. Alle omstandigheden in ogenschouw nemend, is het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man de door hem eventueel te veel betaalde kosten met terugwerkende kracht van de vrouw kan terugvorderen. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de man wordt afgewezen.

4.4.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/540561 / FA RK 13-2255:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 4 september 2002;

- bepaalt dat de man gedurende één jaar € 1.741,= (één duizend zevenhonderd eenenveertig euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, waarna de man na één jaar na datum inschrijving echtscheidingsbeschikking € 1.631,- (één duizend zeshonderd eenendertig euro) aan de vrouw zal betalen als uitkering tot haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen;

- verklaart voormelde nevenvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte;

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/557971 FA RK 14-435:

- wijst af het verzoek;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier, op 25 juni 2014.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.