Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4886

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
13-654308-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling openlijke geweldpleging. Verdachte heeft de eerste klap uitgedeeld en daarna is nog sprake geweest van duw- en trekwerk. Zijn medeverdachte is zich ermee gaan bemoeien en daarna hebben verdachte en zijn medeverdachte zich verbaal provocerend uitgelaten in de richting van aangever en zijn vrienden. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/654308-12

Datum uitspraak: 2 juli 2014

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[gba-adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2014.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Otten, en van wat verdachtes raadsman, mr. B.A.C. van Tuinen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2011 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Leidseplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] en/of [persoon 2], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen tegen het gezicht van die [persoon 1] en/of uit het slaan en/of stompen tegen het gezicht van die [persoon 2] en/of uit het trappen en/of schoppen tegen en/of in de richting van het lichaam van die [persoon 2], waarbij hij, verdachte, die [persoon 1] in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een bloedneus) voor [persoon 1] voornoemd ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair

hij op of omstreeks 29 oktober 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [persoon 1]), tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2011 te Amsterdam munitie van categorie III, te weten een patroon (van het merk Companhia Brasileira de Cartuchos, kaliber .32 auto), voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van feit 1 primair

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte het geweld in vereniging heeft gepleegd. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het openlijk in vereniging plegen van geweld.

De rechtbank gaat bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van het in vereniging plegen van geweld door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]), uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het geweld heeft een aanvang genomen doordat verdachte in het gezicht van [persoon 1] (verder: [persoon 1]) heeft gestompt. Uit de bevindingen van verbalisant [persoon 3] – die ten tijde van de stomp kennelijk nog niet ter plaatse was – blijkt dat daarna nog sprake was van duw- en trekwerk tussen [persoon 1] en verdachte. Nadat [persoon 2] (verder: [persoon 2]) daartussen is gesprongen heeft, is [medeverdachte] zich met het geweld gaan bemoeien, waarbij [medeverdachte] in het gezicht van [persoon 2] heeft gestompt en twee keer een trappende beweging tegen en in de richting van [persoon 2] heeft gemaakt. Nadat beide groepen uit elkaar waren gehaald, hebben verdachte en [medeverdachte] beiden meermalen naar de aangevers geschreeuwd “Mijn moeder de hut”, blijkens de verklaring van getuige [getuige] (verder: [getuige]).

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat verdachte en [medeverdachte] geweldshandelingen hebben verricht en dat er een causaal verband tussen dit geweld bestaat. [medeverdachte] heeft immers gereageerd op de situatie die is ontstaan door het door verdachte toegepaste geweld. Daarbij volgde het geweld van [medeverdachte] kort op het geweld van verdachte. Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van het optreden van [medeverdachte], maar in plaats daarvan heeft verdachte samen met [medeverdachte] provocerend geroepen in de richting van [persoon 1], [persoon 2] en [getuige]. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte].

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 29 oktober 2011 te Amsterdam met een ander, op de openbare weg, het Leidseplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] en [persoon 2], welk geweld bestond uit het stompen tegen het gezicht van die [persoon 1] en het stompen tegen het gezicht van die [persoon 2] en het trappen tegen en in de richting van het lichaam van die [persoon 2], waarbij hij, verdachte, die [persoon 1] in het gezicht heeft gestompt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een bloedneus) voor [persoon 1] voornoemd ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van feit 2:

op 29 oktober 2011 te Amsterdam munitie van categorie III, te weten een patroon (van het merk Companhia Brasileira de Cartuchos, kaliber .32 auto), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Zij zal in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, de bewijsmiddelen nader uitwerken en in een aanvulling opnemen die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van € 70,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 2 dagen. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat de materiële en immateriële schadeposten in zijn geheel worden toegewezen en dat de vergoeding ten aanzien van de rechtsbijstand zal worden toegewezen op basis van het liquidatietarief in civiele zaken.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 kan worden volstaan met het opleggen van een geldboete. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft de raadsman verzocht die geldboete voorwaardelijk op te leggen. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de raadsman gesteld dat niet is gebleken dat de schade aan de tanden een rechtstreeks gevolg is van het ten laste gelegde, zodat die kostenposten moeten worden afgewezen. Voorts heeft de raadsman verzocht om de kosten voor rechtsbijstand te baseren op het liquidatietarief in civiele zaken.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld op het Leidseplein. Verdachte is het gesprekje met [persoon 1], dat aan het geweld voorafging, zelf begonnen. Nadat [persoon 1] een opmerking maakte die verdachte kennelijk niet beviel gaf hij [persoon 1] een vuistslag waardoor [persoon 1] een bloedneus en schade aan zijn gebit opliep.

De oriëntatiepunten van het LOVS noemen als uitgangspunt voor openlijk geweld tegen personen, met enig letsel als gevolg, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Met de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf, gelet op het tijdsverloop sindsdien, niet meer opportuun is. De rechtbank zal daarom ten aanzien van het openlijk geweld volstaan met het opleggen van een taakstraf.

Uit het uittreksel van justitiële documentatie van verdachte van 19 mei 2014 blijkt dat verdachte eerder voor een mishandeling is veroordeeld. Voorts blijkt hieruit dat verdachte na het onderhavige incident nog is veroordeeld door de politierechter te Amsterdam. Gelet daarop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Gelet op het voorgaande, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop ziet de rechtbank aanleiding om het equivalent van drie maanden gevangenisstraf – een taakstraf van 180 uren – enigszins te matigen. In beginsel acht de rechtbank dan ook een taakstraf van 140 uren passend. De rechtbank zal voorts een gedeelte van de op te leggen taakstraf in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur. Verdachte zal zich dan gedurende de proeftijd extra bewust moeten zijn dat hij zich niet opnieuw aan strafbare feiten moet schuldig maken.

Voornoemde taakstraf dient voorts nog gematigd te worden wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De redelijke termijn van twee jaren heeft een aanvang genomen met de inverzekeringstelling van verdachte op 29 oktober 2011. Na het verstrijken van de redelijke termijn is de zaak op 7 november 2013 voor het eerst op zitting aangebracht. Hoewel op die zitting op verzoek van de verdediging is besloten dat een getuige te doen horen, dient de hiermee gemoeide tijd naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening van verdachte te komen. De zaak was op 7 november 2013 immers op een regiezitting aangebracht en zou om die reden al zijn aangehouden. Nu de rechtbank in 2 juli 2014 uitspraak doet is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zes en minder dan twaalf maanden. Overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) wordt voornoemde taakstraf daarom met tien procent gematigd.

Naast het plegen van openlijk geweld heeft verdachte één scherp patroon voorhanden gehad. De oriëntatiepunten van het LOVS noemen voor het voorhanden hebben van één tot vier scherpe patronen een geldboete van € 110,- als uitgangspunt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om van de door de officier van justitie gevorderde geldboete af te wijken.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank acht de materiële posten 1 tot en met 4 (totaal bedrag € 779,75) voor toewijzing vatbaar. Hetzelfde geldt voor de gevorderde immateriële schade van € 350,- (post 5). Anders dan de raadsman is de rechtbank hierbij van oordeel dat het aannemelijk is dat de schade aan de tand is veroorzaakt door de vuistslag van verdachte. Uit de aangifte en de letselverklaring, beiden opgemaakt in oktober 2011, blijkt al dat sprake is van een afgebroken tand.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor de rechtsbijstand van € 1.463,68 (post 12) zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het geldende liquidatietarief zoals dat in civiele zaken wordt gehanteerd. Gelet op de hoogte van de vordering sluit de rechtbank aan bij liquidatietarief I, waardoor de rechtbank uitkomt op een vergoeding van € 384,- per punt. De rechtbank kent voor het opstellen van de vordering één punt toe en voor het geven van een toelichting op de vordering ter terechtzitting een halve punt. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor rechtsbijstand van € 576,- toekennen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in totaal een bedrag van € 1.705,75 toewijzen.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, met uitzondering van de kosten voor rechtsbijstand.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 36f, 57, 63, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair

- het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegd geweld enig lichamelijk letsel ten gevolg heeft;

Ten aanzien van feit 2

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 126 (honderdzesentwintig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 63 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 40 (veertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete ter hoogte van € 70,- (zeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], wonende op het adres [straat te plaats], toe tot een bedrag van € 1.705,75 (duizend zevenhonderdenvijf euro en vijfenzeventig cent), bestaande uit € 350,- aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1], te betalen de som van € 1.129,75 (duizend honderdnegenentwintig euro en vijfenzeventig cent), bestaande uit € 350,- aan immateriële schade, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en E.J. Verster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2014.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat te tekenen.