Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4850

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
AMS 13-7416 en AMS 13-6482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging kinderbijslag op de grond dat eisers niet langer voldoen aan de inkomensnorm van 35% van het minimumloon. Verweerder stelt dat eisers niet langer aan deze norm voldoen sinds aan hun Marokkaanse echtgenotes een zelfstandig AOW-pensioen is toege

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 13/7416 en AMS 13/6482

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1], wonende te [woonplaats 1] in Marokko, eiser 1 (AMS 13/7416)

(gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn),

[naam 2], wonende te [woonplaats 2] in Marokko, eiser 2 (AMS 13/6482)

(gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn),

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde K. van Ingen).

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 14 juni 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht van eisers op kinderbijslag met ingang van 1 januari 2014 beëindigd.

Bij besluit van 12 november 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser 1 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaksnummer AMS 13/7416.

Bij besluit van 26 september 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser 2 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser 2 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaksnummer AMS 13/6482.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het beroep onder zaaksnummer AMS 13/6482 is eerst behandeld door de enkelvoudige kamer op 3 juni 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer ten einde deze samen met het beroep onder zaaksnummer AMS 13/7416 te behandelen.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft voor beide zaken plaatsgevonden op 17 juni 2014. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser 1, gehuwd met [echtgenote 1], en eiser 2, gehuwd met [echtgenote 2], wonen beiden in Marokko en ontvangen daar een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) uit Nederland.

1.2.

Eisers hadden reeds voor hun remigratie naar Marokko recht op kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW). Eisers zijn beiden vóór 1 januari 2000 naar Marokko geremigreerd en behielden op grond van het overgangsrecht in de artikelen 26 en 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen (KB 1998, 746, hierna: het Besluit) en artikel 7c van de AKW recht op kinderbijslag in Marokko, zolang zij aan de voorwaarden van dit overgangsrecht voldeden. Een van de voorwaarden van dit overgangsrecht hield in dat de betrokkene minimaal 35% van het minimumloon aan inkomen dient te behouden (hierna: de inkomenseis).

1.3.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder, kort samengevat, het recht van eisers op kinderbijslag per 1 januari 2014 ingetrokken, omdat zij niet meer aan de inkomenseis voldoen. Aan eisers is daarbij een afbouwtermijn van zes maanden gegeven.

2.

Standpunten van partijen

2.1.

Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de intrekking van de kinderbijslag van eisers per 1 januari 2014 gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat

eisers al niet meer aan de inkomenseis voldeden toen hun echtgenotes de leeftijd van 65 jaar bereikten. Voor eiser 1 was dat in juli 2012 en voor eiser 2 in juli 2005. Vanaf dat moment ontvingen eisers geen AOW-pensioen met toeslag meer, maar hadden zowel eisers als hun echtgenotes een zelfstandig recht op AOW.

Volgens verweerder brengt de wijziging van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: NMV) in 2004 met zich dat het AOW-pensioen van de echtgenotes van eisers niet langer bij hun AOW-pensioen dient te worden opgeteld. De wijziging van artikel 21, eerste lid, van het NMV in 2004 heeft tot gevolg dat de echtgenote van een verzekerde vanaf dat moment een geïndividualiseerd recht op AOW-pensioen heeft. Een belangrijk en beoogd gevolg daarvan is dat wanneer de verzekerde komt te overlijden, de in Marokko achterblijvende echtgenote haar eigen recht op AOW-pensioen behoudt, terwijl dit voorheen niet het geval was.

Verweerder trekt het recht op kinderbijslag echter niet met terugwerkende kracht in, omdat het aan verweerder te wijten is dat aan eisers al die tijd ten onrechte kinderbijslag is uitbetaald. Er wordt dan ook geen kinderbijslag van eisers teruggevorderd.

2.2.

Eisers hebben in beroep, kort weergegeven, aangevoerd dat zij (nog) wel aan de inkomenseis voldoen, omdat het AOW-pensioen van hun echtgenotes wel bij hun eigen AOW-pensioen dient te worden opgeteld. Eisers verwijzen daartoe naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Centrale Raad) van 27 mei 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7681, en van de Hoge Raad van 28 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6315. In deze uitspraken oordeelden de Centrale Raad en de Hoge Raad dat (onder het oude verdrag) het kennelijk de bedoeling van de verdragsluitende partijen is geweest om aan een gehuwde man een recht te verschaffen op een ouderdomspensioen dat is bestemd voor hem en zijn echtgenote (gehuwdenpensioen). Ook al werd in de praktijk door verweerder aan de echtgenote bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een eigen AOW-pensioen toegekend, dit pensioen bleef geheel afhankelijk van het bestaan van een pensioenaanspraak van de echtgenoot. Dit kwam volgens de Centrale Raad en de Hoge Raad in het bijzonder tot uitdrukking in het gegeven dat het pensioenrecht van de vrouw eindigde als de man kwam te overlijden en zij ook anderszins nimmer recht kon doen gelden op een op eigen recht gebaseerd pensioen in de zin van de AOW. Gelet daarop diende het aan de echtgenote van belanghebbende toegekende AOW-pensioen als een aan de belanghebbende toekomende uitkering ingevolge de AOW worden aangemerkt. Daardoor voldeed belanghebbende wel aan de inkomenseis.

De uitleg die verweerder aan de wijziging van het NMV geeft is volgens eisers onredelijk, omdat het voor de groep gepensioneerden daardoor vrijwel onmogelijk wordt om nog aan de inkomenseis te voldoen. Subsidiair stellen eisers zich op het standpunt dat een afbouwtermijn van zes maanden te kort is.

3.

Het juridisch kader

3.1.

In artikel 26, eerste lid, van het Besluit is -voor zover hier van belang- geregeld dat verzekerd is op grond van de volksverzekeringen de persoon, die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek recht had op:

a. een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

d. een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet,

mits die uitkering, dat pensioen of die toelage ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.

3.2.

Eisers vielen ten tijde van hun vertrek uit Nederland onder deze bepaling. Zij bleven dus, op dat moment en zolang aan de voorwaarden werd voldaan, verzekerd op grond van de volksverzekeringen.

3.3.

Artikel 26 van het Besluit is vervallen met ingang van 1 januari 2000. In artikel 27, eerste lid, van het Besluit is een overgangsregeling opgenomen. Op grond hiervan blijft op de persoon die tot aan 1 januari 2000 verzekerd was op grond van de volksverzekeringen op grond van artikel 26 en die, uitsluitend door het vervallen van dit artikel, vanaf die dag geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de AKW, eerder bedoeld artikel 26, voor het bepalen van de verzekeringspositie op grond van uitsluitend de AKW, ook vanaf die dag van toepassing zolang het jongste kind voor wie de verzekerde voor die dag recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

3.4.

Artikel 27 van het Besluit is vervallen met ingang van 1 januari 2006. In de plaats daarvan is artikel 7c, eerste lid, opgenomen in de AKW. Vanaf 2008 is daarin (samengevat) bepaald dat de persoon die op 31 december 2005 voortgezet verzekerd was op grond van artikel 27, eerste lid, van het Besluit, zoals dat artikellid op die dag luidde, en op die dag nog recht op kinderbijslag had, recht op kinderbijslag behoudt, zolang het jongste kind voor wie de betrokkene voor die dag recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

In het tweede lid is -voorzover hier van belang- bepaald dat het recht op kinderbijslag, bedoeld in het eerste lid, eindigt, indien hij:

a. niet langer een uitkering, pensioen of toelage ontvangt als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Besluit, zoals dat artikellid op 31 december 1999 luidde.

Niet is in geschil dat daarmee de eis is blijven gelden dat de uitkering of het pensioen ten minste gelijk is aan 35% van -kort gezegd- het minimumloon.

3.5.

In artikel 21, eerste lid, van het NMV is na wijziging van dit Verdrag in 2004 bepaald dat de in artikel 13, eerste lid, van de AOW bedoelde korting niet van toepassing is op de voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote of weduwe na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd was krachtens voornoemde wettelijke regeling terwijl zij, gedurende haar huwelijk, op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko woonde, voor zover deze tijdvakken overeenkomen met de door haar echtgenoot krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.

4.

Beoordeling van de beroepen

4.1.

Niet in geschil is dat eisers tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van hun echtgenotes aan de inkomenseis hebben voldaan, omdat zij een AOW-pensioen met toeslag voor hun jongere partner ontvingen. Evenmin is in geschil dat eisers niet aan de inkomenseis voldoen wanneer het AOW-pensioen van hun echtgenotes niet bij dat van hun wordt opgeteld, maar dat zij wel aan de inkomenseis voldoen wanneer dat er wel bij wordt opgeteld.

4.2.

Partijen strijden in wezen over de uitleg en toepassing van overgangsrecht.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van het overgangsrecht zoals dit vastlag in eerst de artikel 26 en 27 van het Besluit en later in artikel 7c van de AKW -voorzover hier aan de orde- inhoudelijk geen wijziging heeft ondergaan in verband met of na de wijziging van artikel 21, eerste lid, van het NMV. Van een op enigerlei wijze (willen) verdisconteren van die wijziging in het overgangsrecht door de wetgever blijkt evenmin op andere wijze.

4.4.

Verder was de wijziging van het NMV in 2004 niet gericht op deze kleine en specifieke groep, maar was erop gericht om de echtgenotes van pensioengerechtigden in Marokko een eigen en gelijke rechtspositie te geven voor wat betreft het recht op AOW. De rechtbank overweegt verder dat met de wijziging van artikel 21, eerste lid, van het NMV ook niet is afgeweken van het al bestaande uitgangspunt dat het recht op de “geïndividualiseerde” AOW van de echtgenote van een verzekerde nog steeds volledig afhankelijk is van het bestaan van een Nederlandse pensioenloopbaan van de echtgenoot (verzekerde). Anders gezegd: het gaat nog steeds om afgeleide rechten.

4.5.

Noch aan het nationale overgangsrecht, noch aan de wijziging van het NMV in 2004 kunnen daarom argumenten worden ontleend voor het door verweerder gehuldigde standpunt.

4.6.

Ook de uitspraken van de Centrale Raad en de Hoge Raad bieden die argumenten niet.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de door verweerder ingenomen stellingname in wezen niet méér is dan een redenering a contrario. Verweerder meent immers dat de in die uitspraken neergelegde interpretatie thans, na de wijziging van het NMV, in de voorliggende gevallen niet meer gevolgd zou dienen te worden. Voor die stellingname bieden die uitspraken zelf echter geen aanknopingspunten.

Die uitspraken dateren niet alleen van vóór de wijziging van het NMV, zij zien evenmin op een situatie waarbij het thans in geding zijnde overgangsrecht van toepassing was. Zij bieden in zoverre evenmin directe steun voor het standpunt van eisers.

4.7.

Naar blijkt uit de toelichting op artikel 27 van het Besluit, wordt met dat overgangsrecht beoogd bestaande aanspraken op kinderbijslag van postactieven met een Nederlandse uitkering in het buitenland te eerbiedigen voor een in de tijd afgebakende periode, zodanig dat dit recht blijft voortbestaan onder voorwaarden, maar na een beëindiging niet meer kan herleven indien na de beëindiging wederom aan de voorwaarden wordt voldaan.

Het betreft dus overgangsrecht voor een in omvang en in de tijd begrensde groep die (als postactieve) niet meer geacht kan worden zelf op andere wijze te voorzien in een inkomensvermindering als gevolg van de beëindiging van kinderbijslag.

Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat het hier gaat om een zeer kleine groep verzekerden die tot uiterlijk in 2017 recht zou kunnen hebben op kinderbijslag.

4.8.

Het volgen van de stellingname van verweerder zou een inbreuk betekenen op dit door de wetgever uitdrukkelijk beoogde eerbiedigende karakter van het overgangsrecht, terwijl daarvoor geen uitdrukkelijke toepasselijke wets- of verdragsbepaling is aan te wijzen, en evenmin direct toepasselijke rechtspraak. Voor een dergelijke inbreuk op het overgangsrecht ten nadele van betrokkenen zouden zeer zwaarwegende argumenten moeten gelden en daaraan zou ten minste een uitdrukkelijke afweging van de wetgever ten grondslag moeten liggen. Hiervan is niet gebleken.

4.9.

Onder die omstandigheden moet een wijze van berekening van het AOW-pensioen die het AOW-pensioen van de echtgenote buiten beschouwing laat, terwijl dat deel daarvóór wel werd meegeteld als onderdeel van de uitkering van eisers zelf, in strijd worden geacht met het overgangsrecht, zoals laatstelijk neergelegd in artikel 7c van de AKW.

4.10.

De bestreden besluiten kunnen om die reden niet in stand blijven. De beroepen zullen gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd.

4.11.

In het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank de gemachtigde van verweerder op beide zittingen gevraagd of er geen andere weigerings- c.q. intrekkingsgronden zijn. Verweerder heeft daar medegedeeld dat die er niet zijn. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de primaire besluiten zullen worden herroepen. Dit betekent dat het recht op kinderbijslag van eisers dient te worden voortgezet als waren de primaire besluiten nooit genomen.

4.12.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen ieder afzonderlijk betaalde griffierecht vergoedt.

4.13.

Op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden met elkaar samenhangende zaken beschouwd als één zaak, indien in die zaken door dezelfde persoon of instantie rechtsbijstand is verleend. Het moet gaan om (nagenoeg) gelijktijdig ingestelde beroepen tegen nagenoeg identieke besluiten met dezelfde rechtsgevolgen. De beroepen moeten verder op vergelijkbare gronden berusten. Het gaat hier weliswaar niet om gelijktijdig ingestelde beroepen, maar de beroepen zijn wel door dezelfde gemachtigde ingediend en gericht tegen nagenoeg identieke besluiten die op vergelijkbare gronden berusten. Om die reden zijn de zaken van eisers naar het oordeel van de rechtbank met elkaar samenhangend.

4.14.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen bij beide zittingen, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

4.15.

Nu de rechtbank de primaire besluiten herroept vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, ziet de rechtbank aanleiding om ook de vergoeding van proceskosten waar eisers in bezwaar om hebben verzocht op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe te kennen. De rechtbank bepaalt deze kosten op grond van het Bpb op € 974,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar (in zaak AMS 13/7416), met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept de primaire besluiten van 14 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 (zegge: vierenveertig euro) aan elk van eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van in totaal € 2.435 (zegge: tweeduizend vierhonderd en vijfendertig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter,

mrs. H.J. Tijselink en M.L. van Emmerik, leden,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB