Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4800

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_3707
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het stadsdeel Amsterdam Zuid (verweerder) heeft aan de Tobiasschool een omgevingsvergunning verleend om het schoolgebouw in de binnenruimte van het bouwblok waarvan de school deel uitmaakt uit te breiden. Bewoners van het bouwblok (verzoekers) verzetten zich daartegen. Volgens de bewoners staat het beleid van het stadsdeel uitbreiding in de binnenruimte niet toe. De bezwaarschriftencommissie achtte het bezwaar gegrond. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar het besluit toch gehandhaafd. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Zij vragen de voorzieningenrechter om de omgevingsvergunning te schorsen tot de bodemrechter op het beroep heeft beslist.

De voorzieningenrechter beoordeelt zelf het beroep (kortsluiting). De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft afgeweken van het eigen beleid. Het beleid stelt als hoofdregel dat in binnenterreinen/-tuinen van bouwblokken niet wordt gebouwd. Als sprake is van een zeer uitzonderlijk geval, wordt volgens het beleid wel meegewerkt aan bebouwing in een binnenterrein/-tuin als die afwijkt van het bestemmingsplan. Verweerder heeft in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval omdat gebouwd wordt op een schoolplein en het binnenterrein niet als tuin in gebruik was en omdat de Tobiasschool groot belang heeft bij de uitbreiding om onderwijs te kunnen blijven bieden aan leerlingen met een bijzondere problematiek. Ten slotte heeft verweerder in redelijkheid het belang bij het verlenen van de vergunning zwaarder laten wegen dan de belangen van de omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/3707 (voorlopige voorziening)

AMS 14/3708 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2014 in de zaak tussen

[naam 4],

[naam 1],

[naam 3],

[naam 2],

[naam 5],

[naam 6],

[naam 7],

[naam 8],

[naam 9],

[naam 10],

[naam 11],

[naam 12]

allen te Amsterdam, verzoekers,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Amsterdam Zuid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. G. van der Kuil).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de stichting “Stichting Voortgezet Onderwijs van Amsterdam” (VoVa),

vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. A van Balen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen, veranderen en vergroten van het schoolgebouw “Tobias” op het adres Rietwijkerstraat 55 en 77 te Amsterdam (het perceel).

Bij besluit van 28 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit met aanvullende motivering gehandhaafd en de bezwaren ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juli 2014.

Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 4], [naam 1] en [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn bestuurder, de stichting “Stichting Regionaal Opleidingencentrum van Amsterdam” (ROCvA) in de persoon van[vertegenwoordiger 1] en door[vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3], werkzaam bij RoyalHaskoning DHV en adviseur van vergunninghoudster.

Overwegingen

1.1. Het door verzoekers ingediende verzoek om een voorlopige voorziening strekt tot opschorting van het bestreden besluit tot op het beroep is beslist.

1.2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.3. Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2.

De voorzieningenrechter merkt de volgende feiten, die door partijen niet zijn betwist. als vaststaand aan.

2.1.

De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten het bouwen van een bouwwerk en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling. Vergunningshoudster beoogt uitbreiding en vernieuwing van de Tobiasschool omdat het pand is verouderd. Het verkeert in slechte staat, biedt te weinig ruimte aan de leerlingenpopulatie en beschikt niet over de voor het onderwijs noodzakelijk voorzieningen. De Tobiasschool maakt deel uit van een bouwblok, dat voor het overige uit woningen bestaat. Dit woonblok is omgeven door [adres 3], de [adres 2] en de[adres 4].

2.2.

Verzoekers [naam 4],[naam 5] en [naam 6] wonen in het pand aan de[adres 5], respectievelijk op de begane grond, 1‑hoog en 2-hoog. Deze woningen grenzen, bezien vanuit de binnenruimte van het bouwblok, aan de [kant] van de Tobiasschool. Verzoekers[naam 1] en[naam 2] wonen op het adres[adres 1], respectievelijk op de begane grond en 1 hoog. Deze woningen grenzen, bezien vanuit de binnenruimte, aan de[kant 1] van de Tobiasschool. De woningen van de overige verzoekers bevinden zich elders in het woonblok.

2.3.

De binnenruimte van het bouwblok bestaat uit een schoolplein dat grenst aan het hoofdgebouw van de Tobiasschool, waarop tot voor kort een aanbouw van de Tobiasschool, bestaande uit onder meer een gymzaal, was gesitueerd. Deze aanbouw is onlangs gesloopt. Het schoolplein is omzoomd door tuinen die behoren bij de woningen van het bouwblok.

2.4.

Vergunninghoudster beoogt het hoofdgebouw te vergroten. De achtergevel verschuift daarmee circa 5 meter in de richting van de binnenruimte. De achtergevel, die aanvankelijk terugweek ten opzichte van de woningen op nummers[huisnummers], zal na realisering van het bouwplan circa 2 meter ten opzichte van die woningen uitsteken en circa 11 meter hoog zijn. De beoogde aanbouw zal bestaan uit onder meer een ontmoetingsruimte en een gymzaal. De contouren van de intussen gesloopte voormalige aanbouw zullen worden overschreden. De te bouwen gymzaal ter plaatse van de voormalige gymzaal zal met ongeveer 17 meter worden verbreed van 28 meter naar 45 meter. Het grondoppervlak van de Tobiasschool wordt vergroot van 807 m² naar 1.253 m². De nokhoogte van de voormalige gymzaal was 7,7 meter. De nokhoogte van de beoogde gymzaal zal 10.35 meter bedragen. De twee aan weerszijden van de voormalige aanbouw gelegen schoolpleinen blijven behouden, zij het met een verminderd oppervlak.

2.5.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Hoofddorpplein en Schinkelbuurt” (het bestemmingsplan). Het beoogde project bevindt zich op gronden met deels de bestemming “Maatschappelijk” (M) en deels de bestemming “Verkeer”(V)”.

3.1.

De Adviescommissie Bezwaarschriften (commissie) heeft op 16 april 2014 verweerder geadviseerd het primaire besluit te heroverwegen ten aanzien van het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling met inachtneming van het advies. Dit advies houdt, zakelijk weergegeven, in dat het toestaan van de door vergunningshoudster beoogde uitbreiding van de Tobiasschool in de binnenruimte strijdig is met het door verweerder gevoerde beleid zoals neergelegd in de Beleidsnota ‘Omgevingsvergunning A2’ van 28 juni 2011 (beleidsnota). Volgens de commissie zijn onvoldoende bijzondere omstandigheden aanwezig die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen. De commissie verwijst in dat verband naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot artikel 4:84 van de Awb.

3.2.

Verweerder heeft in afwijking van dat advies het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard. Volgens verweerder voorziet het door hem gevoerde beleid in een mogelijkheid tot uitzondering op de in dat beleid geformuleerde hoofdregel dat in het hele stadsdeel voor het bouwen en gebruiken van op de grond staande aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), geen ‘omgevingsvergunning A2’ wordt verleend wanneer deze in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Op grond van dit beleid wordt in zeer uitzonderlijke gevallen meegewerkt aan afwijkingen van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van bebouwing in de binnentuinen van (geheel of gedeeltelijk) gesloten bouwblokken en overige gebieden. In dit geval doet zich een zeer uitzonderlijk geval voor. Verzoekers worden door het verlenen van de omgevingsvergunning niet onevenredig in hun belangen geschaad, aldus verweerder.

3.3.

De gronden van verzoekers richten zich uitsluitend tegen het verlenen van de omgevingsvergunning voor de:

- overschrijding van het in op de plankaart aangegeven bouwvlak;

- overschrijding van de ter plaatse maximaal toegestane bouwhoogte.

3.4.

Verzoekers stellen zich, in navolging van de commissie, op het standpunt dat verweerder geen omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor de uitbreiding van de Tobiasschool in de binnenruimte van het bouwblok omdat dit in strijd is met het door verweerder gevoerde beleid dat is neergelegd in de beleidsnota. Zij betogen dat zij door het toestaan van de uitbreiding onevenredig in hun belangen worden getroffen. Verweerder heeft daarom ten onrechte met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

4.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

4.2.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, voor zover van belang, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

4.3.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, sub 1, van bijlage II bij het Bor, voor zover van belang, komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk.

4.4.

Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor “Maatschappelijk” (M) aangewezen voor:

a. maatschappelijke voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening:

b. (….);

c. bijbehorende pleinen, openbare ruimte, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen;

(…).

4.5.

Ingevolge artikel 6.2.1 van de planvoorschriften mag op en onder de in 6.1 genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de daar genoemde bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken.

Ingevolge artikel 6.2.2 van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen:

a. (…)

b. gebouwen:

maximale bouwhoogte: zoals op de plankaart staat aangegeven;

maximale goothoogte: zoals op de plankaart staat aangegeven.

4.6.

De Beleidsnota ‘Omgevingsvergunning A2’ van 28 juni 2011, waarin verweerder beleidsregels heeft geformuleerd voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a van Wabo, houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Hoofdstuk 4 Beleidsregels

en gordel 20- 40 en waar het woonklimaat onder druk staat.

(…)

4.3 De beleidsregels

(…)

4.

Aan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken)

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van op de grond staande aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), wanneer deze in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan geen omgevingsvergunning a2 verleend.

Motivatie

Het verlenen van een omgevingsvergunning a2 is geen plicht maar een bevoegdheid van het DB. Wel moet altijd worden bekeken of een omgevingsvergunning kan worden afgegeven. Het feit dat de wetgever het mogelijk heeft gemaakt dat bepaalde categorieën bouwwerken zonder omgevingsvergunning kunnen worden gerealiseerd, doet op zichzelf niets af aan deze bevoegdheid en de mogelijkheden van gemeenten en stadsdelen om eigen beleid te voeren dat recht doet aan de plaatselijke situatie. De ruimere bouwmogelijkheden die de wetgever heeft geschapen kunnen plaatselijk grotere of minder grote ruimtelijke gevolgen hebben. In een grootstedelijke omgeving zijn de ruimtelijke implicaties van het nieuwe rijksbeleid aanzienlijk verstrekkender dan in een landelijke omgeving. De binnenterreinen in het stadsdeel zijn in de loop der jaren zo dichtgeslibd met bebouwing dat de woonkwaliteit van de aan de binnentuinen grenzende woningen onder druk staat. Nu met het rijksbeleid van de Wabo deze druk verder is opgevoerd, ziet het stadsdeel het des te meer als haar taak het woongenot van de bewoners rond de binnentuinen daar waar mogelijk te beschermen.

De kwaliteit van de woonfunctie komt tot uitdrukking in het behoud van het groene karakter van de binnenterreinen. De geldende bestemmingsplannen bieden daar dan ook zeer beperkte bebouwingsmogelijkheden. Ook bevatten deze veelal strikte bepalingen met betrekking tot de niet-woonfuncties. Om de permanent onder druk staande kwaliteit van de woonfunctie te bewaken, kiest het stadsdeel er daarom niet voor om het al jaren gevoerde beleid ten aanzien van de binnentuinen te verruimen ten behoeve van een omgevingsvergunning met een strijdige activiteit met het bestemmingsplan. Verruiming van het beleid voor óók deze categorieën ( omgevingsvergunning a2 ) kan onaanvaardbare gevolgen hebben voor vooral de woonkwaliteit. Als een aan- of uitbouw in strijd is met het bestemmingsplan, als bijvoorbeeld het bebouwingspercentage wordt overschreden of het gebruik in strijd is, wordt dus niet afgeweken van het bestemmingsplan.

De verruiming van het omgevingsvergunningvrij bouwen vraagt om een zorgvuldige

beoordeling van de ruimtelijke gevolgen. Met de herziening van grote belangrijke

bestemmingsplannen worden deze gevolgen meegenomen en integraal op hun

consequenties bekeken. Het terughoudende beleid ten aanzien van bouwen in de

binnentuinen wordt, waar mogelijk, onverminderd voortgezet. Hoewel deze beleidsregel het meest expliciet geldt voor de binnentuinen bij gesloten bouwblokken, wil dit niet zeggen dat deze beleidsregel niet van toepassing is op bebouwing die geen onderdeel uitmaakt van gesloten bouwblokken, bijvoorbeeld villabebouwing. Voor de niet gesloten bouwblokken in het stadsdeel geldt namelijk dat in beginsel de geldende bestemmingsplannen gebaseerd op de karakteristiek van het gebied de passende mogelijkheden bieden voor het realiseren van bij behorende bouwwerken. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt meegewerkt aan afwijkingen van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van bebouwing in de

binnentuinen van (geheel of gedeeltelijk) gesloten bouwblokken en overige gebieden. In de niet gesloten bouwblokken staat het woon- en leefklimaat in bepaalde gevallen minder onder druk en is meer ruimte voor een individuele afweging van afwijking van deze beleidsregel.

5.1.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo en het door verweerder gevoerde beleid een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van de boogde uitbreiding van de Tobiasschool op het binnenterrein van het bouwblok.

5.2.

Blijkens het hiervoor weergegeven beleid van verweerder, hanteert verweerder als hoofdregel dat in binnenterreinen/binnentuinen van bouwblokken niet wordt gebouwd teneinde open groene en rustige binnentuinen ten behoeve van de woonfunctie zo veel mogelijk te behouden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze hoofdregel gelezen moet worden in samenhang met hetgeen daarna, onder het kopje ‘motivering’ in de beleidsnota is opgenomen. Daarin is vermeld dat in zeer uitzonderlijke gevallen wordt meegewerkt aan afwijkingen van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van bebouwing in de binnentuinen van (geheel of gedeeltelijk) gesloten bouwblokken en overige gebieden. In het beleid is dit niet nader gespecificeerd. Verweerder betoogt dat sprake is van een zeer uitzonderlijke geval omdat het in dit geval niet gaat om een binnentuin die gebruikt wordt als tuin in de klassieke zin van het woord, zoals in het beleid wordt bedoeld, maar om een schoolplein. De bebouwing van de achtertuin betekent relatief gezien geen grote aanslag op het groene woon- en leefklimaat, aldus verweerder. In de bestaande situatie is geen sprake van een groene achtertuin. In de beleidsregels in opgenomen dat in beginsel niet wordt meegewerkt aan uitbouwen in binnentuinen gelet op het behoud van groene binnentuinen. In deze situatie is daarvan geen sprake volgens verweerder. Verweerder neemt verder in aanmerking dat de Tobiasschool als vrije school, gebaseerd op de onderwijsmethodes van Rudolf Steiner, en omdat zij onderwijs biedt aan leerlingen met een bijzondere problematiek, een regionale, stadsdeel overstijgende, functie heeft. Vanwege de afspraken die gemaakt zijn binnen het Amsterdams Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen wordt verder een beperkte uitbreiding met 40 leerlingen verwacht. De school is technisch en functioneel verouderd en vernieuwbouw is noodzakelijk, gelet op de slechte staat van het gebouw en om de kleine uitbreiding mogelijk te maken.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder niet is afgeweken van zijn beleid met toepassing van artikel 4:84 van de Awb maar gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in het beleid zelf. Artikel 4:84 van de Awb staat er niet aan in de weg om in beleidsregels te voorzien in een zelfstandige mogelijkheid om van die beleidsregels af te wijken. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3249). Uit paragraaf 4.3 van de beleidsnota, onder 1, en uit de hiervoor weergegeven motivatie van de hoofdregel blijkt dat het beleid om geen omgevingsvergunning te verlenen voor bijbehorende bouwwerken die in strijd zijn met het bestemmingsplan is ingegeven door de wens om open, groene en rustige binnentuinen te behouden in gebieden waar sprake is van geheel of gedeeltelijke gesloten bouwblokken en waar het woonklimaat onder druk staat. Gelet op de omstandigheid dat door de overschrijding van het bouwvlak een gedeelte van het schoolplein bebouwd wordt en niet een binnentuin/binnenterrein dat in gebruik was als tuin in de klassieke zin van het woord en gelet op het belang dat bestaat bij uitbreiding van de Tobiasschool, zoals hierboven in overweging 5.2. weergegeven, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake is van een in het beleid bedoeld zeer uitzonderlijk geval.

6.1.

Ten slotte dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verweerder gelet op alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. Verzoekers betogen dat zij onevenredig in hun belangen worden getroffen. Zij voeren daartoe het volgende aan. De beoogde vergroting van het volume van de aanbouw doet afbreuk aan het woongenot van de omwonenden. De aanbouw versterkt de versteende indruk op het binnenterrein. De bewoners aan de [adres 2] zullen uitkijken tegen de vergrote en verhoogde gevel van de gymzaal. De toename van het aantal leerlingen zal geluids- en verkeersoverlast alsmede waardedaling van de woningen veroorzaken. Voor de woningen aan[adres 5] en[huisnummers] geldt dat door de uitspringen van het hoofdgebouw de lichtinval, de bezonning en het uitzicht zal verminderen. Verder voorziet het bouwplan in toegang vanaf[adres 3] naar het schoolplein via de op dit moment nog afgesloten gang die is gelegen tussen de woning van verzoekster [naam 4] aan [adres 5] en het hoofdgebouw. Het grote aantal scholieren dat van die gang gebruik zal maken, zal overlast voor [naam 4] en de gasten in[verblijf] [verblijf] met zich brengen.

6.2.

Naar het oordeel van verweerder wegen de maatschappelijke belangen bij de vernieuwing en uitbreiding van de Tobiasschool zwaarder dan de belangen van verzoekers bij het weigeren van de omgevingsvergunning. Verweerder heeft ten aanzien van de door verzoekers gestelde belangen het volgende overwogen. De toe te voegen bouwmassa heeft effect op het de beleving van het schoolterrein vanuit de omliggende woningen, maar er blijft voldoende ruimte over. Niet meer dan de helft van het binnenterrein wordt bebouwd. Er is voldoende aandacht besteed aan het beperken van verstening van het binnenterrein. De nieuwbouw is omgeven door twee schoolpleinen. Daarnaast is de aanbouw voorzien van houten gevelbekleding en een groen dak. Het dak van de beoogde gymzaal zal hoger zijn dan het dak van de voormalige gymzaal. Dit is, vanwege de vereiste hoogte van de binnenruimte en de noodzakelijk dakconstructie, onvermijdelijk. Deze hoogte is echter niet zodanig dat de bewoners van achtergelegen woningen aan de [adres 2] er in hun uitzicht substantieel op achteruit zullen gaan. De glazen gevel komt weliswaar dichterbij die woningen, maar blijft toch nog op geruime afstand van de achtergevel van de deze woningen. Er is geen schaduwwerking naar die woningen. In de huidige situatie springt de achtergevel van de school terug ten opzicht van de aangrenzende woningen aan [adres 5] en[huisnummers]. In de nieuwe situatie zal de achtergevel (galerij) 2,75 meter uitsteken achter de achtergevel van deze woningen. Dit is noodzakelijk is om ruimte te bieden aan de gangen. De huidige lesruimten zijn te krap, waardoor de gangen niet (deels) in de bestaande ruimte kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast gelden beperkingen vanwege de monumentale waarden van het gebouw. Voor de privacy heeft dat geen gevolgen. De zijkanten van de galerij zijn dicht en de blik vanuit de school zal naar voren gericht zijn. Ook in de huidige situatie is al sprake van inkijk in de woningen vanaf het schoolplein. De lichtinval en de bezonning op de aangrenzende woningen is onderzocht en niet onaanvaardbaar geacht. De daglichttoetreding in de twee kleine ramen in de zijgevel van[adres 5] wordt minder, deze ramen worden door de geplande nieuwbouw voorzien van een overstek. Omdat deze ramen op minder dan 2 meter uit de perceelsgrens liggen is dit niet in strijd met het Bouwbesluit. De vermindering van het aantal bezonningsuren voor [adres 5] bedraagt gemiddeld 9% en voor de[adres 1] gemiddeld 16%. De uitbreiding van de school zal niet leiden tot een forse toename van het aantal leerlingen, waardoor meer verkeers- en geluidsoverlast niet valt te verwachten. De doorgang tussen de woning aan [adres 4] en het schoolgebouw is gelegen op gronden met de bestemming “Maatschappelijk” (M). Het gebruik van de doorgang als fietsroute is daarmee niet in strijd en is ook nu al mogelijk. Er moet wel rekening gehouden worden met een erfdienstbaarheid ten behoeve van de bewoners van [adres 4]. Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij de doorgang zo goed mogelijk zal isoleren en geluidarm hang en sluitwerk zal toepassen bij de toegangsdeuren tot de doorgang om de geluidsoverlast te beperken. Gebruik buiten de schooltijden is mogelijk mits dit gebruik binnen de bestemming “Maatschappelijk” past. Een waardedaling van de woningen is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien kunnen verzoekers op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming voor schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak.

6.3.

De voorzieningenrechter stelt met verzoekers vast dat in het besluitvormingsproces en de daaraan voorafgaande totstandkoming van het bouwplan onwenselijk laat en beperkt overleg is gevoerd met omwonenden over de beoogde uitbreiding van de Tobiasschool. Dit kan op zichzelf echter niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Gelet op de door verweerder aan zijn belangenafweging ten grondslag gelegde overwegingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid het belang bij het verlenen van de omgevingsvergunning zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van verzoekers. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat vergunninghouder in zijn brief van 7 juli 2014 heeft gesteld dat de Tobiasschool niet buiten de schooluren geopend zal zijn, behalve in het geval er school gerelateerde activiteiten zijn, zoals een ouderavond, open dag of schoolvoorstelling. Verder heeft de vergunninghouder ter zitting toegezegd dat hij ook nu nog bereid is om met de omwonenden in overleg te treden en om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan hun bezwaren. Zo is het mogelijk om de zijwanden van de galerij eventueel transparant te maken, indien de omwonenden dat zouden wensen en is het mogelijk om, indien [naam 4] dit zou wensen, bijvoorbeeld een extra wand voor de bestaande wand naast de doorgang te plaatsen en deze te voorzien van suskasten.

7.

Gelet op het voorgaande kunnen de beroepsgronden niet slagen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.

de griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Conc: HB

Coll:

D:C

SB