Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4783

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
13/728066-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel.

Misleiding als enig dwangmiddel

Verdachte heeft het slachtoffer misleid in die zin dat hij haar in een gezamenlijke toekomst heeft laten geloven. Met het oog op die toekomst heeft zij haar verdiensten uit de prostitutie aan verdachte afgestaan. Deze enkele misleiding met het oogmerk van uitbuiting is voldoende om mensenhandel bewezen te achten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Materiële schadevergoeding.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d.

17 april 2014 (parketnummer 23-002264-13). Het hof vond het vaststellen van de hoogte van de materiele schade te belastend voor het strafproces. De rechtbank vindt in deze zaak het vaststellen van de hoogte van de vergoeding niet te belastend. Wel ziet de rechtbank geen ruimte om een eerder ingezette lijn voort te zetten die leidt tot toekennen van een vergoeding voor materiële schade naar een standaardbedrag van € 500,- per dag. De schade wordt gewaardeerd op € 200,- per dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/239

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728066-13 (Promis)

Datum uitspraak: 17 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats], [geboorteland], op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “[lokatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J. Cnossen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland en/of Bulgarije, een ander of anderen te weten [persoon 1] en/of één of meer andere vrouwen, door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 1] en/of één of meer andere vrouwen,

en/of

die [persoon 1] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [persoon 1] en/of een of meer andere vrouwen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden),

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 1] en/of een of meer andere vrouwen

en/of

die [persoon 1] en/of één of meer andere vrouwen met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] en/of één of meer andere vrouwen met of voor een derde bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of die afpersing en/of die misleiding en/of dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte

- met die [persoon 1] een relatie is aangegaan en/of(ten onrechte) de indruk heeft gewekt bij die [persoon 1] dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had (terwijl hij, verdachte, tevens een relatie met een of meer andere vrouwen onderhield en/of met een andere vrouw getrouwd was) en/of

- die [persoon 1] (meermalen) onder druk heeft gezet en/of er (zodoende) toe heeft aangezet en/of heeft gebracht om in de prostitutie te werken en/of te blijven werken, (onder meer) door die [persoon 1] voor te houden dat hij, verdachte, indien er voldoende geld was met haar een toekomst wilde opbouwen (in Bulgarije)

en/of met haar wilde trouwen en/of die [persoon 1] heeft voorgehouden dat zij veel geld zou kunnen verdienen door te werken als prostituee en/of

- een of meermalen die [persoon 1] heeft geholpen bij het regelen van een prostitutiekamer en/of bij het verzorgen van de papieren die die [persoon 1] nodig had om als prostituee te mogen werken en/of

- die [persoon 1] plastische chirurgie (te weten: een borstvergroting) heeft laten ondergaan (zodat zij meer geld kon verdienen) en/of

- ( terwijl die [persoon 1] prostitutiewerkzaamheden verrichten) (telefonisch en/of in persoon) die [persoon 1] (telkens) heeft gecontroleerd en/of laten controlerenen/of haar om het kwartier belde (om te informeren naar haar verdiensten) en/of

- ( telkens) de portemonnee van die [persoon 1] heeft doorzocht en/of laten doorzoeken en/of

- die [persoon 1] (telkens) dubbele diensten ( 15 uren achter elkaar) heeft laten werken en/of

- die [persoon 1] (meermalen) heeft mishandeld door haar (met een riem) tegen haar

rechterscheenbeen) althans haar lichaam te slaan en/of die [persoon 1] (met zijn, verdachtes, beringde hand) in haar gezicht heeft geslagen en/of die [persoon 1] tegen haar lichaam heeft geschopt en/of geslagen indien die [persoon 1] te weinig had verdiend en/of als die [persoon 1] dronken was en/of

- die [persoon 1] heeft bedreigd (door (onder meer) tegen haar te zeggen dat het hem, verdachte, 200 euro zou kosten om iemand iets met haar gezicht te laten doen") en/of

- die [persoon 1] heeft bedreigd door tegen haar te zeggen dat: "als je wilt stoppen dan kill ik je, dan neem ik je twee nichtjes" en/of

- die [persoon 1] heeft opgelegd dat zij een vast bedrag (1000 euro) per dag moest verdienen en/of

- ( dagelijks) alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] heeft afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 1] heeft laten afstaan en/of

- een huis voor hem, verdachte en/of zijn, verdachtes, moeder heeft gefinancierd met de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] en/of

- een of meer auto's heeft gekocht met de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1];

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland en/of te Bulgarije van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedrag(en) te weten:

- ( telkens) een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] of één of meer andere vrouwen verrichte prostitutiewerkzaamheden verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of heeft gebruikt en/of heeft omgezet en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende op de woning met het adres [adres] is (geweest) door deze woning op naam van een ander te zetten terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en heeft, kort samengevat, aangevoerd dat uit het dossier het beeld naar voren komt dat verdachte [persoon 1] aanvankelijk heeft uitgebuit door misleiding met een liefdesrelatie en de belofte van sparen voor een toekomst samen. Na een aantal maanden veranderde het karakter van hun relatie en mishandelde en bedreigde verdachte aangeefster teneinde haar te dwingen in de prostitutie te blijven werken en haar geld aan hem af te staan. Voorts kan worden bewezen dat verdachte de verdiensten van [persoon 1] heeft witgewassen en dat hij daar een gewoonte van heeft gemaakt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de stelling dat sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, of sprake is van dwang, geweld, dreiging met geweld of van een andere feitelijkheid waardoor aangeefster door verdachte met het oogmerk van uitbuiting is ‘gedwongen’ tot het werken in de prostitutie. Daarbij heeft de raadsman een beroep gedaan op artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) en betoogd dat een in dat lid bedoelde omstandigheid zich voordoet.

Verder heeft hij betoogd dat de verklaringen van aangeefster, kort gezegd, inconsistent en tegenstrijdig zijn. Als voorbeeld noemt hij onder meer de verschillende verklaringen die aangeefster heeft afgelegd over de wijze waarop zij geld zou hebben moeten afstaan aan verdachte. Hij noemt de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar en is van mening dat zij moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden om twee redenen.

Ten eerste voor het op laten maken van een betrouwbaarheidsrapportage door een deskundige aan de hand van de verklaringen van aangeefster en de auditief geregistreerde verhoren dan wel aan de hand van ad verbatim uit te werken verhoren van aangeefster.

Ten tweede acht de raadsman het noodzakelijk dat de officier van justitie de historische verkeersgegevens opvraagt van de telefoonnummers van verdachte en van aangeefster (de nummers staan vermeld in de pleitaantekeningen). Uit dit onderzoek kan blijken dat het aangeefster is geweest die verdachte voortdurend telefonisch heeft lastig gevallen, en niet andersom zoals de tenlastelegging stelt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

Met betrekking tot de gestelde onbetrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster overweegt de rechtbank dat de verklaringen een lange periode bestrijken waarin de door aangeefster beschreven en door de officier van justitie ten laste gelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden. Dat er een zekere mate van inconsistentie in de verklaringen is aan te wijzen is inherent aan dit lange tijdsverloop. Ook valt daardoor te verklaren dat aangeefster haar verklaringen hier en daar aanvult met nieuwe gegevens. Indien de verschillende verklaringen in hun onderling verband worden bekeken is geen sprake van zodanige tegenstrijdigheden dat de rechtbank die verklaringen niet betrouwbaar kan achten. Zij kunnen dan ook gebruikt worden als bewijsmiddel voor de aan verdachte tenlastegelegde handelingen.

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in te stellen wordt afgewezen, nu de rechtbank dit onderzoek gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, niet in redelijkheid noodzakelijk acht.

Ook het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om de historische verkeersgegevens op te vragen, welk onderzoek noodzakelijk en van belang zou zijn om de verklaringen van aangeefster op hun betrouwbaarheid te toetsen, wordt afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanleiding biedt om de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar te vinden. Het door de raadsman verzochte onderzoek naar telefonisch verkeer tussen aangeefster en verdachte is niet in redelijkheid noodzakelijk, nog los van de feitelijke onmogelijkheid, die de rechtbank aannemelijk acht, om deze gegevens nu nog te verstrekken.

4.3.2

Gedeeltelijke vrijspraak

4.3.3

Het tenlastegelegde ‘werven’ met het oogmerk van uitbuiting

De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte aangeefster met het oogmerk van uitbuiting heeft geworven om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. De rechtbank baseert zich daarbij op het feit dat aangeefster zich op 7 mei 2009 heeft ingeschreven als zelfstandig prostituee in het handelsregister van de Kamers van Koophandel, als eenmanszaak handelende onder de naam [naam] (pagina B05-022), op haar eigen verklaring (pagina B02-002) en de verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 4 februari 2014, waarin zij verklaart dat aangeefster het initiatief nam en verdachte zelf benaderde. Hiervan zal verdachte worden vrijgesproken.

4.3.4

De tenlastegelegde mishandelingen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde mishandelingen. Verdachte ontkent deze mishandelingen te hebben gepleegd. De rechtbank is het met de raadsman eens dat hiervoor, naast de aangifte, te weinig ondersteunend bewijs in het dossier voorhanden is. De blauwe plekken en het litteken op het scheenbeen van aangeefster, die zijn waargenomen door verbalisant [persoon 2], alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] die beiden spreken over blauwe plekken, zijn daarvoor onvoldoende. De verklaringen van aangeefster omtrent de mishandelingen zijn te weinig specifiek om aan deze waarnemingen te worden gekoppeld. Niet uitgesloten kan worden dat de blauwe plekken een andere oorzaak hebben dan gewelddadig optreden van de zijde van verdachte jegens aangeefster. Bovendien kan, indien wel zou vaststaan dat verdachte aangeefster heeft mishandeld, niet buiten redelijke twijfel worden uitgesloten dat de mishandelingen er niet op gericht waren aangeefster tegen haar wil in de prostitutie te houden. De mishandelingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in verband met relationele problemen.

4.3.5 ‘

Eén of meer andere vrouwen’.

De rechtbank stelt vast dat ten laste gelegd is dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde feiten waarvan hij wordt beschuldigd, gepleegd zou hebben tegen ‘[persoon 1] en/of één of meer andere vrouwen’. Daar waar de tenlastelegging de verdachte gemaakte verwijten verfeitelijkt is nog slechts sprake van ‘[persoon 1]’. De rechtbank heeft overwogen of dit gegeven de geldigheid van de dagvaarding aantast, nu deze wijze van ten laste leggen uitgelegd kan worden als een innerlijke tegenstrijdigheid, dan wel als een onvoldoende verfeitelijking in het kwalitatieve deel van de tenlastelegging, of dat op dit punt een partiële vrijspraak moet volgen. Er is sprake van één verdachte en één aangever en in het algemeen is het dossier overzichtelijk. Het kan verdachte dus duidelijk zijn waartegen hij zich moet verweren. De rechtbank zal dan ook de dagvaarding niet gedeeltelijk nietig verklaren, maar verdachte vrij spreken van handelingen die gericht zouden zijn tegen ‘één of meer andere vrouwen’ nu het dossier voor deze handelingen geen steun biedt.

Ten aanzien van feit 2 zal om dezelfde reden van hetzelfde onderdeel worden vrijgesproken.

4.3.6

Misleiding

Op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft misleid met beloftes over een gezamenlijke toekomst in Bulgarije en haar heeft voorgespiegeld dat sprake was van een wederzijdse affectieve relatie. Dat aangeefster als prostituee werkte staat niet ter discussie, evenmin wordt bestreden dat zij vele uren werkte. Met dit werk heeft zij veel geld verdiend. Hiervan heeft verdachte geprofiteerd. Aangeefster heeft haar inkomsten die zij als prostituee ontving aan verdachte ter beschikking gesteld in het vertrouwen dat deze zouden worden aangewend voor hun gezamenlijk toekomstig leven in Bulgarije en dat er – onder meer – een woning voor hen beiden uit zou worden gefinancierd. Verdachte was echter niet van plan met aangeefster zijn leven te delen en had een relatie met een andere vrouw. Nu verdachte enerzijds het valse vooruitzicht op een gezamenlijke toekomst bij aangeefster heeft gevestigd en in stand heeft gelaten en anderzijds (een groot deel van) het door haar verdiende geld bij hem is terechtgekomen, acht de rechtbank het oogmerk van uitbuiting bewezen. Dat aangeefster zelf met het (voortzetten van het) prostitutiewerk instemde maakt niet dat zij uit vrije wil als prostituee werkzaam was. Immers stemde zij in met het oog op de door verdachte voorgespiegelde gezamenlijke toekomst en is het door haar verdiende geld tegen haar wil voor een ander doel aangewend.

Aangeefster heeft grote bedragen overgemaakt naar verdachte en diens ouders. Dat dit geld, zoals verdachte ter zitting (onder meer) heeft betoogd, van verdachte zelf was en slechts op zijn verzoek door aangeefster werd overgemaakt is niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na 2009 heeft geleefd van spaargeld en een lening. Van spaargeld is de rechtbank echter niet gebleken. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard in 2008 en 2009 te hebben gewerkt in België, maar heeft slechts twee loonstrookjes overgelegd. Uit de gegevens van de Belgische autoriteiten blijkt ook niet van substantiële inkomsten. Wel staat vast dat verdachte in 2008 in België een lening heeft afgesloten van bijna € 40.000. Verdachte verklaart echter wisselend over deze lening. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij de lening had afgesloten nadat hij in 2008 en 2009 had gewerkt. De lening blijkt echter al in 2008 te zijn afgesloten, zoals ook blijkt uit de gegevens van de Belgische autoriteiten. Hij heeft ook ter zitting verklaard dat hij de lening nodig had voor het starten van een onderneming. De onderneming is echter pas in 2010 of 2011 ingeschreven en hij heeft slechts € 5000 daarin geïnvesteerd (verklaring ter zitting). Bij de politie heeft verdachte overigens verklaard dat hij van de lening een BMW had en zijn appartement had afbetaald (P 08 01 015). De rechtbank acht het verder niet aannemelijk dat hij al die jaren van deze lening heeft geleefd, nu hij niet alleen van dat geld in zijn basisbehoeften moest voorzien, maar hij, naar eigen zeggen, ook een auto dan wel meerdere auto’s heeft gekocht en dure cadeaus voor aangeefster heeft gekocht.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank bewezen dat de aan verdachte en diens ouders overgeboekte bedragen afkomstig zijn uit het onder 1 bewezen verklaarde feit en dat de herkomst van het geld door de overboekingen is verhuld. Gelet hierop acht de rechtbank eveneens bewezen dat de in feit 2 genoemde woning die in de tenlastegelegde periode is aangekocht, (deels) met dit geld is gefinancierd. Door deze woning op naam van zijn moeder te zetten heeft verdachte de herkomst van dit geld verhuld. Door het aantal overboekingen alleen al is er sprake van een gewoonte.

De rechtbank komt dan ook tot de volgende bewezenverklaring.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de aan dit vonnis gehechte bijlage vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en Den Haag en in Bulgarije, een ander, te weten [persoon 1], door misleiding met het oogmerk van uitbuiting telkens heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 1] en die [persoon 1] met voornoemd middel heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] met een derde, bestaande die misleiding en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte

- met die [persoon 1] een relatie is aangegaan en ten onrechte de indruk heeft gewekt bij die [persoon 1] dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had, terwijl hij, verdachte, tevens een relatie met een andere vrouw onderhield

en

- die [persoon 1] ertoe heeft gebracht om in de prostitutie te blijven werken, onder meer door die [persoon 1] voor te houden dat hij, verdachte, indien er voldoende geld was, met haar een toekomst wilde opbouwen in Bulgarije en met haar wilde trouwen

en

- dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] door die [persoon 1] heeft laten afstaan

en

- een huis voor hem, verdachte en/of zijn, verdachte’s, moeder heeft gefinancierd met de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1]

2.

hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en Den Haag, en in Bulgarije van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, contante geldbedragen te weten:

telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden verworven en gebruikt en heeft hij verhuld wie de rechthebbende op de woning met het adres [adres] is (geweest) door deze woning op naam van een ander te zetten terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk – uit misdrijf afkomstig waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het slachtoffer dat hij in de prostitutie voor zich liet werken of voor het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen in het algemeen. Zij heeft een vergelijking getrokken met een vorm van moderne slavernij, waarin verdachte het leven van [persoon 1] gedurende langere tijd volledig heeft geregeerd. Hij heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan de uitbuiting van [persoon 1]. De officier van justitie gaat er bij haar eis vanuit dat verdachte niet alleen mooie praatjes bezigde, maar ook geweld heeft gebruikt en dreigende taal heeft geuit.

De officier van justitie heeft benadrukt dat het onvrijwillig in de prostitutie brengen of houden en het financieel uitbuiten van vrouwen een zeer ernstig feit is, waarbij misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke positie van deze vrouwen. Alleen al uit het oogpunt van generale preventie is de officier van justitie van mening dat deze vorm van mensenhandel fors bestraft moet worden. Zij is bij het formuleren van haar strafeis uitgegaan van de richtlijn voor Strafvordering mensenhandel die op 1 september 2010 van kracht is geworden en komt op basis daarvan op een strafeis die ligt tussen de 36 en de 48 maanden.

De hoogte van de straf in deze zaak wordt voor een groot deel bepaald door de lange duur en de wijze waarop verdachte [persoon 1] heeft uitgebuit, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de feiten waar verdachte zich aan schuldig heeft gemaakt ernstige feiten zijn waarbij in beginsel een langdurige gevangenisstraf past. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitbuiting van een vrouw die in de prostitutie werkzaam is en haar financieel aan de grond laten lopen. Aangeefster heeft de periode dat zij in de greep van verdachte was, (naar de rechtbank begrijpt: achteraf bezien) beleefd als een ‘gitzwarte periode’, zo blijkt uit haar ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring.
Uitbuiting is een grove inbreuk op de persoonlijke vrijheid van een individu en in die zin is het een schending van een van de voornaamste mensenrechten. Uitbuiting kan op vele manieren plaatsvinden. In afwijking van het standpunt van de officier van justitie, acht de rechtbank in het onderhavige geval uitbuiting door middel van één dwangmiddel bewezen, namelijk door middel van misleiding. In zoverre wijkt deze zaak af van andere zaken waarin veelal sprake is van een combinatie van meerdere dwangmiddelen. De rechtbank ziet in dit gegeven aanleiding om de geëiste duur van de gevangenisstraf te matigen.

Gelet op de strafoplegging zal het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [persoon 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De benadeelde partij verzoekt vergoeding voor materiële en immateriële schade.

Ter zitting heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering toegelicht en gewezen op een vergissing in de berekening van de gestelde materiële schade. Anders dan de schriftelijke toelichting vermeldt beslaat de periode waarover het inkomen uit prostitutiewerkzaamheden is afgestaan 43 maanden. Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per dag bedraagt de materiële schade volgens deze berekening € 490.000,-, aldus de toelichting van de advocaat.

De officier van justitie acht de verzochte vergoeding van materiële en immateriële schade toewijsbaar.

De raadsman heeft bezwaar gemaakt tegen toewijzing van de verzochte materiële en immateriële schadevergoeding en verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, uitgaande van zijn pleidooi voor een algehele vrijspraak.

Met betrekking tot de materiële schade overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d.
17 april 2014 in de zaak met parketnummer 23-002264-13 en van het daarin gegeven oordeel dat de vordering ter zake van gederfde inkomsten niet op eenvoudige wijze kon worden vastgesteld nu het Hof onvoldoende is gebleken hoeveel dagen of uren de benadeelde gedurende de gehele periode heeft gewerkt, wat de daadwerkelijke opbrengsten waren en welk bedrag de benadeelde partij feitelijk heeft afgestaan aan verdachte en de mededaders. Ook bij benadering kon geen bedrag worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak wel een vergoeding voor materiele schade kan worden vastgesteld, echter met inachtneming van het volgende.

Bewezen is verklaard dat verdachte geprofiteerd heeft van het inkomen uit prostitutiewerkzaamheden over de hele ten laste gelegde periode. De verklaring van de benadeelde partij dat zij gedurende die periode iedere dag heeft gewerkt en dat zij zodra zij kon beschikken over eigen werkruimte dubbele diensten draaide, wordt niet door objectieve gegevens ondersteund. De verklaring van de benadeelde partij kan dan ook niet de basis vormen voor de schatting van de hoogte van de gederfde inkomsten.

Bij het vaststellen van een vergoeding voor materiële schade gaat de rechtbank uit van de resultaten van het onderzoek (pag. B05-009) dat is ingesteld bij kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf] om te achterhalen op welke dagen in de jaren 2009 tot en met 2012 aangeefster bij dit bedrijf een kamer heeft gehuurd. Uit dit overzicht valt af te leiden dat de benadeelde partij de kamer heeft gehuurd in het jaar 2009 voor 90 dagen, in het jaar 2010 voor 110 dagen, in het jaar 2011 voor 112 dagen en in het jaar 2012 voor 99 dagen. Totaal zijn dit 411 dagen. De rechtbank zal bij het bepalen van de toe te kennen materiële schadevergoeding uit gaan van dit aantal dagen.

Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding per dag overweegt de rechtbank als volgt.

De raadsman noemt het in de vordering genoemde bedrag van € 500,- per dag een minimumbedrag en spreekt van een inschatting. Noodzakelijkerwijs is het toe te kennen bedrag een inschatting van de geleden schade. Harde gegevens met betrekking tot het aantal uren dat gewerkt is, het aantal klanten dat per dag werd ontvangen en de inkomsten die daarmee werden verdiend, zijn immers niet voorhanden.

De rechtbank gaat er van uit dat het aantal klanten per dag wisselend is geweest, er zullen ‘goede’ en ‘slechte’ dagen tussen hebben gezeten. Het vaststellen van een forfaitair bedrag kan daarom slechts met een ruime marge en moet met de nodige voorzichtigheid geschieden. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen ruimte om een eerder ingezette lijn die leidt tot toekennen van een vergoeding voor materiële schade naar een standaardbedrag van € 500,- per dag, zoals verzocht, voort te zetten en zal voor een verantwoorde schatting van de materiële schade die bestaat uit het gederfde inkomen uitgaan van een lager standaardbedrag. Zij waardeert deze schade op € 200,- per dag.

De rechtbank waardeert de materiële schade dan ook op 411 x € 200,- , totaal: € 82.200,- (tweeëntachtigduizendtweehonderd euro).

Met betrekking tot de vergoeding van materiële schade kan de vordering dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2014, zijnde het moment van indienen van de schadevordering tot aan de dag van de algehele voldoening.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Verzocht is een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 25.000,-

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de benadeelde partij een vergoeding voor gederfde levensvreugde toekomt. Verdachte heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de benadeelde partij in hem heeft gesteld en haar in de loop der tijd een aanzienlijke hoeveelheid geld afgetroggeld. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook dat aangeefster zich door het handelen van verdachte gedesillusioneerd heeft gevoeld, lichamelijk en geestelijk vernederd en de periode die zij voor hem heeft gewerkt beschrijft als ‘gitzwart’.

De hoogte van de verzochte schadevergoeding hangt echter mede samen, zo blijkt uit de vordering en de slachtofferverklaring, met de mishandelingen die aangeefster zegt te hebben ondergaan van de kant van verdachte. Deze mishandelingen acht de rechtbank niet bewezen en hierin ziet de rechtbank aanleiding de gevraagde vergoeding te matigen tot een bedrag van € 15.000,- voor geleden immateriële schade.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 273f, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. De maatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. mensenhandel 2. van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart de bewezen feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [persoon 1], domicilie kiezende aan het advocatenkantoor ‘[adres advocaat], toe tot € 82.200,- voor materiële schade en tot € 15.000,- voor immateriële schade, totaal: € 97.200,- (zevenennegentigduizend tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] € 97.200,- (zevenennegentigduizend tweehonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van

365 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BEWIJSMIDDELEN, bijlage

bij het vonnis d.d. 17 juli 2014 inzake: [verdachte],

parketnummer 13/728066-13.

De bewijsmiddelen.

1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [persoon 1] in 2009 in Amsterdam leren kennen. Ik had haar al eerder gezien in Den Haag. Zij werkte voor geld.

Ik kreeg een relatie met haar, een avontuur. Ik had op dat moment al een relatie met [persoon 3]. Inmiddels ben ik met [persoon 3] getrouwd. De verhouding met [persoon 1] is gestopt eind september/oktober 2012. Ik wilde er eigenlijk al in mei 2012 mee stoppen.

In Amsterdam logeerde ik wel eens bij [persoon 1]. Zij zocht mij ook wel op toen ik in Bulgarije was. We zijn samen een keer in Brussel geweest.

[persoon 1] wist niets van mijn relatie met [persoon 3]. Ik heb me met [persoon 1] geamuseerd. Ik had een relatie met [persoon 3] en ik had plezier met [persoon 1]. Met [persoon 1] was het een avontuur.

[persoon 1] en ik waren gewoon geliefden. Zij wist niets van het bestaan van die andere relatie van mij met [persoon 3]. [persoon 1] wilde een kind van mij.

2. Een proces-verbaal van verhoor van aangeefster [persoon 1] d.d. 14 april 2014 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangeefster, zakelijk weergegeven:

Ik heb [verdachte] voor het eerst ontmoet in Den Haag. Toen ik in Amsterdam kwam om te werken woonden [verdachte] en ik samen. Ik werkte. Ik werkte ook voor [verdachte] toen hij voornamelijk in Bulgarije verbleef. Natuurlijk hebben wij het over een gezamenlijke toekomst gehad. Waarom moest ik anders een appartement kopen, auto’s en winkels? Het klopt dat ik geld heb overgemaakt naar de rekening van [verdachte]. Het geld dat ik via de bank [Bank 1] heb overgemaakt was mijn geld en bedoeld voor [verdachte]. Het was mijn geld dat ik overmaakte ten behoeve van hem.

In 2009 waren wij inderdaad lovers. Maar toen ik al mijn geld moest afgeven, wilde ik stoppen. Toen begonnen de problemen. Dat was zo’n twee à drie maanden nadat ik met mijn werk als prostituee was begonnen. U vraagt of ik in die periode nog steeds dacht dat het geld dat ik naar Bulgarije stuurde, zou worden besteed voor een gezamenlijke toekomst in Bulgarije. Ja, dat klopt. We hadden een appartement gekocht. [verdachte] zei dat wij dat appartement het beste op naam van zijn moeder konden zetten omdat er dan geen problemen met de belastingdienst zouden komen. Als [verdachte] en ik dan getrouwd zouden zijn, dan zou zijn moeder het appartement aan ons schenken. Dat is wat hij zei. Hij bracht mij de hele tijd in de war en daarna zei hij steeds ‘liefje, ik houd van je’. Op die manier beïnvloedde hij mij om te werken en het geld op te sturen. Dat was iets wat hij gedurende de hele periode dat ik voor hem werkte, deed.

In Amsterdam heb ik voor twee verhuurders gewerkt. De tweede verhuurder heet [kamerverhuurbedrijf].

Er is ook geld van mij via [Bank 1] en andere instellingen via [instelling] naar de familie van [verdachte] gestuurd. Al die transacties betroffen [verdachte]. Daarmee bedoel ik dat het geld uiteindelijk voor hem bestemd was. [verdachte] heeft echt alles van mij afgepakt. Zijn moeder heeft mij zelfs uit mijn appartement in Bulgarije gestuurd. Zij zei: ‘waar staat jouw naam dan?’ Toen ik geen geld meer kon overmaken gaf ik het geld aan [vriend van verdachte], een vriend van [verdachte]. Op hetzelfde moment kon [verdachte] het geld bij de broer van [vriend van verdachte] in Bulgarije ophalen.

3. Een geschrift, zijnde een ongedateerd proces-verbaal, zonder nummer-aanduiding, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [persoon 4] en [persoon 5] (doorgenummerde pag. B02 001 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 5 april 2013 afgelegde verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Ik ben in 2009 naar Nederland gekomen en in Den Haag uitgestapt. Ik kon in een bar aan het werk. Ik ontmoette daar een man. We kregen een relatie. Die man heet [verdachte], geboren op [geboortedatum].
Ik denk dat ik in april/mei 2009 ongeveer een week in die club in Den Haag heb gewerkt. Vervolgens gingen we naar Amsterdam.
In het begin werkte ik alleen als er een kamer vrij was maar later draaide ik constant. Dat was toen hij boos werd als ik te weinig geld verdiende volgens hem. Hij pakte alles af.
Van mijn geld heeft [verdachte] een huis in Bulgarije gekocht. Dat staat op naam van zijn moeder.
In november 2012 ben ik helemaal gestopt met [verdachte]. Ik denk dat ik [verdachte] in november 2012 voor het laatst heb gezien.

4. Een proces-verbaal met nummer 2013046035 van 26 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 5] en [persoon 4] (doorgenummerde pag. B02 11 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Soms kwam [verdachte] bij mij, het grootste gedeelte verbleef hij in Bulgarije of bij [persoon 3].
Als hij kwam verbleef hij een maand bij mij en dan ging hij weer weg. De laatste twee jaar kwam hij zelden, het was dan voor 1 of 2 weken.

Hoe vaak was dat in de laatste twee jaar?

Dat weet ik niet precies, ik denk om de twee of drie maanden.

Hadden jullie contact als [verdachte] weg was?

Ja natuurlijk, er moest elke week geld gestuurd worden.

5. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 4 februari 2014 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik ken [verdachte]. Ik ken [persoon 1] vanuit Den Haag. Zij heeft toen [verdachte] leren kennen. Ik zag dat [verdachte] voortdurend naar België ging. Hij had daar een vrouw en twee kinderen.

6. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 4 februari 2014 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 4], zakelijk weergegeven:

[persoon 1] en [verdachte] spraken over serieuze zaken. Ik was erbij toen [verdachte] een keer zei dat zij dat jaar toch eindelijk eens een baby samen moesten hebben. Het was inderdaad [verdachte] die tegen [persoon 1] heeft gezegd dat hij met haar een baby wilde en dat hij met haar wilde trouwen.

7. Een ongenummerd proces-verbaal van 15 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 5] en [persoon 4] (doorgenummerde pag. B03 001 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam als werkster en beheerster bij het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf]. Ik zie de meiden iedere dag. Ik hoor hun problemen.

Ik ben gelijk met [persoon 1] in mei 2009 begonnen met werken bij [kamerverhuurbedrijf]. Ik heb dagelijks contact met [persoon 1]. [persoon 1] werkt 6 dagen per week. Ze werkte al vrij snel van 10.00 uur tot 24.00 uur. Je kon bij haar echt merken dat ze moest werken.

Ze huilde regelmatig door de telefoon. Want al zat meneer in Bulgarije, hij controleerde haar wel.

Verleden jaar is ze naar Bulgarije gegaan en toen is ze door haar schoonmoeder het huis uit gezet. Nota bene haar eigen huis.

8. Een ongenummerd proces-verbaal van 14 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R.H. Eelzak (doorgenummerde pag. B10 001 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek is het volgende gebleken:

[Bank 2]

Verzender: Periode: Aantal Totaal bedrag Ontvanger

Overboekingen in euro

[persoon 1] 14-12-2009 t/m 3 3692 [verdachte]

12-04-2010

02-07-2010 t/m 5 16465 [verdachte]

13-05-2011

[Bank 1]

Verzender Periode Aantal Totaal bedrag Ontvanger

Overboekingen in euro

[persoon 1] 24-06-2009 t/m 8 8950 [moeder van verdachte]

01-02-2010

24-08-2009 t/m 2 1700 [verdachte]

20-02-2010

01-09-2009 t/m 3 2300 [vader van verdachte]

01-02-2010

[Bank 3]

Verzender Periode Aantal Totaal bedrag Ontvanger

Overboekingen in euro

[persoon 1] 23-04-2010 t/m 7 10500 [verdachte]

04-09-2010

[Bank 4]

Verzender Transactiedatum Bedrag in euro Ontvanger

[persoon 1] 01-09-2009 1000 [verdachte]

Totale overboekingen per jaar in euro

[persoon 1] 2009 2010 2011

15642 34500 7465

Aangeefster [persoon 1] heeft in de opgevraagde periode middels de geldinstellingen 28665 euro overgemaakt ten behoeve van [verdachte].

Verder bleek dat [persoon 1] 9950 euro heeft overgemaakt naar [moeder van verdachte] en 2300 euro naar [vader van verdachte].

9. Een proces-verbaal met nummer 2013046035 van 29 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 5] (doorgenummerde pag. B05 0030 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 24 juni 2013 is een rechtshulpverzoek opgemaakt, gericht aan de Bulgaarse autoriteiten betreffende verdachte [verdachte].

Uit het antwoord op dit rechtshulpverzoek is het navolgende gebleken:

Onderzoek bevolkingsregister:

[verdachte], op het moment woonachtig [adres]

Personalia ouders:

De vader van [verdachte] is genaamd: [vader van verdachte]

De moeder van [verdachte] is genaamd: [moeder van verdachte].

Bezitregister en Kadaster:

Uit het Bezitregister en Kadaster is gebleken dat in 2010 de moeder van verdachte [verdachte] zijnde [moeder van verdachte] een onroerend goed heeft aangeschaft, zijnde een perceel op het adres [adres].