Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4775

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
Parketnummer 13-654243-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS. In een paranoïde waan, veroorzaakt door schizofrenie en versterkt door gebruik van verdovende middelen, heeft verdachte een politieagent in burger meermalen met een stanleymes in de halsstreek gestoken. Hij dacht dat de politieagent hem observeerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654243-13 (Promis)

Datum uitspraak: 23 juli 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op[datum]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [verblijfplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon (te weten [naam 1]) van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die persoon (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of hals en/of het gezicht, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam aan een persoon (te weten [naam 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een ontsierend litteken in het gezicht en/of de hals en/of geen gevoel ik het (linker)oor), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of de hals en/of het gezicht, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) een persoon (te weten [naam 1]) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die persoon (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de nek en/of hals en/of het gezicht, althans het lichaam heeft gestoken en/of gesneden;

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2013 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten[naam 1]), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het/de be(n)e(n), althans het lichaam, heeft geslagen en/opf gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Ten aanzien van feit 1 primair

4.1.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Het meermalen steken met een stanleymes in de richting van de nek en de hals van het slachtoffer levert opzet op de dood op, aldus de officier van justitie die de voorbedachte raad niet bewezen acht.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte acht eveneens de voorbedachte raad niet bewezen. De raadsman acht ook de poging tot doodslag niet bewezen nu het opzet op de dood in zijn ogen niet aanwezig was, ook niet in voorwaardelijke vorm. Niet is gebleken dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, aldus de raadsman, die daaraan nog heeft toegevoegd dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard niet de intentie te hebben gehad om het slachtoffer te verwonden.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de verdediging, de voorbedachten rade niet bewezen. Verdachte heeft met een mes meermalen op het slachtoffer in de halsstreek ingestoken. Door aldus te handelen heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van ‘vol’ opzet op de dood van het slachtoffer, waardoor zij niet toekomt aan bespreking van het verweer ten aanzien van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft zelf te kennen gegeven niet de intentie te hebben gehad om het slachtoffer iets aan te doen. Hij heeft echter zelf verklaard dat hij al een tijd en zeker deze ochtend angstig was, dat hij zich toen hij op straat liep geobserveerd voelde, dat hij schrok van de auto die plotseling voor hem tot stilstand kwam, dat hij zich daardoor bedreigd voelde en dat hij de bestuurder wilde benaderen, hetgeen hij vervolgens heeft gedaan. Uit de aangifte volgt dat verdachte op het raam heeft geklopt, waarna het slachtoffer het raam een klein stukje naar beneden heeft gedaan. Volgens het slachtoffer heeft hij vervolgens op verzoek van verdachte het raam verder geopend, waarna verdachte hem gelijk en met kracht meerdere keren heeft gestoken met het mes dat hij bij zich had. Gelet op de zeer korte tijd tussen het benaderen van het slachtoffer en het steken, en met inachtneming van de waanbeelden/-ideeën die bij verdachte leefden, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte in zijn waantoestand wel degelijk het opzet had het slachtoffer te doden. Dat verdachte in zijn waantoestand ook daadwerkelijk dit opzet had wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen, nummer 2013262447-22, opgemaakt door verbalisanten [naam 1] en [naam 2], bladzijde 8 en verder. Hierin relateert verbalisant [naam 1] dat verdachte kort na het feit zei: “Hij had erom gevraagd, het was zijn eigen schuld. Hij vroeg erom!”.

4.2

Ten aanzien van feit 2

4.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht ook dit feit bewezen. Zij refereert daarbij aan de aangifte, de verschillende verklaringen van collegae van het slachtoffer en de letselverklaring.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ook voor dit feit vrijspraak bepleit. Hij heeft in dat kader gewezen op de verklaringen van de begeleidster [naam 3] en getuige [naam 4]. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verbalisant [naam 1] niet langer in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was omdat het door hem toegepaste geweld disproportioneel was en derhalve onrechtmatig. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat verbalisant [naam 1] zelf slachtoffer is en dat daarom zorgvuldig omgegaan dient te worden met zijn verklaring, ook al is die opgenomen in een door hem op ambtseed opgemaakt proces-verbaal.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de mishandeling van verbalisant [naam 1] bewezen. De verbalisant wilde verdachte aanhouden voor een ernstig feit, zijn collega was immers net daarvoor uit het niets meermalen in zijn hals gestoken met een mes. Met die wetenschap en onder de omstandigheid dat de verbalisant alleen was en niet wist of verdachte nog gewapend was, was het geweld, toegepast nadat verdachte weigerde te voldoen aan de aanwijzingen die hem werden gegeven, naar het oordeel van de rechtbank proportioneel. De rechtbank deelt de opvatting van de raadsman dat behoedzaam dient te worden omgegaan met het door [naam 1] op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, doch dit proces-verbaal vindt naar haar oordeel voldoende steun in het dossier (proces-verbaal van bevindingen [naam 5], blz 11 ev).

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

op 24 oktober 2013 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [naam 1], van het leven te beroven, met dat opzet die persoon meermalen met een mes in de hals en het gezicht heeft gestoken;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 24 oktober 2013 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [naam 1], [naam 1], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen met kracht tegen het hoofd en de benen, althans het lichaam, heeft geslagen en geschopt en getrapt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en TBS met dwangverpleging. Zij onderschrijft het advies van de deskundigen dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht, doch kan zich niet vinden in de geadviseerde TBS met voorwaarden, nu dit in haar ogen te weinig waarborgen biedt om de maatschappij tegen verdachte te beschermen. In geval de rechtbank TBS met voorwaarden oplegt, dan heeft de officier van justitie directe uitvoerbaarheid van de voorwaarden gevorderd. Zij heeft tevens toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam 1] gevorderd tot een bedrag van € 13.404,30, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vaststelling van de posten overwerk en RPU-verlof acht zij een onevenredige belasting van het strafproces,

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft eveneens onderschreven dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De raadsman ziet geen aanleiding om het advies van TBS met voorwaarden te negeren. In zijn visie zijn de voorgestelde voorwaarden afdoende. Het houdt zowel intensieve begeleiding als regelmatige controles in en de raadsman vermag niet in te zien wat de toegevoegde waarde van dwangverpleging is. Verdachte heeft nooit eerder voorwaarden opgelegd gekregen en hij is gemotiveerd en in staat om zich eraan te houden, aldus de raadsman. De raadsman heeft voorts bepleit om aan de TBS met voorwaarden een niet al te langdurige detentie te laten voorafgaan, zodat de behandeling zo spoedig mogelijk kan aanvangen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij kan de verdediging zich vinden in het standpunt van de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door een nietsvermoedend slachtoffer met een stanleymes meermalen te steken in de hals en het gezicht, waarbij het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft het mes uit de handen van verdachte kunnen trekken. Dat er geen dodelijk letsel is ontstaan is niet aan verdachte te danken. Door aldus te handelen draagt verdachte bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Slachtoffers van feiten als de onderhavige ondervinden daarvan doorgaans langdurig psychisch ongemak. Dit blijkt in deze zaak temeer uit de door een gemachtigde ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Hierin vertelt het slachtoffer dat hij zijn leven onderscheidt in een leven voor en een leven na de pleegdatum. Hij ervaart nog altijd veel pijn en ongemak van zijn letsel en de ontsiering in zijn gezicht ervaart hij als emotioneel zeer confronterend. Hij kan ’s-nachts niet slapen en heeft veel woede in zich over het feit dat het in Nederland mogelijk is dat mensen als verdachte vrij op straat rondlopen. Zijn gevoel van veiligheid is weg, hij is veel voorzichtiger en alerter geworden. Hij schrikt van onverwachte geluiden en bewegingen. Het slachtoffer besluit zijn verklaring met de conclusie dat zijn leven nooit meer hetzelfde zal worden als voor deze gebeurtenis.

Daarnaast heeft verdachte de politieagent die hem naar aanleiding van voornoemde steekpartij wilde aanhouden mishandeld en daarmee een gebrek aan respect voor openbaar gezag getoond.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2014 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte laatstelijk is veroordeeld in 2002. Daarbij verdient opmerking dat hij zowel in 2002 als in 1998 voor geweldsdelicten de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd heeft gekregen (plaatsing in een psychiatrische inrichting). Dit heeft hem er niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hierna genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Maatregel

Psycholoog [naam 6] en psychiater[naam 7] hebben over verdachte gerapporteerd. In hun rapporten van respectievelijk 16 en 17 april 2014 concluderen beiden dat verdachte leidt aan schizofrenie van het paranoïde type en afhankelijkheid van cocaïne en, in het rapport van de psychiater, cannabis en XTC. Dit beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde, tenminste deels. Beide deskundigen adviseren verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en aan hem de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen.

Ter terechtzitting hebben de deskundigen aangevuld dat het recidivegevaar met de door [naam 8] van GGZ Inforsa Jvz voorgestelde voorwaarden voldoende kan worden ingeperkt. Na een klinische periode kan behandeling ambulant plaatsvinden. Dit traject dient wel deugdelijk te worden opgezet. Een woonvorm zoals die waar verdachte voorafgaand aan de feiten verbleef, met hulp op afstand, is daarbij onvoldoende, er moet 24 uur toezicht op verdachte zijn. Ook dient er zeer frequent, bij voorkeur twee keer per week, gecontroleerd te worden op drugs-/alcoholgebruik.

[naam 8] heeft naar aanleiding van voornoemde rapporten een maatregelenrapport opgesteld, waarin zij voorwaarden heeft geformuleerd. Ter terechtzitting heeft zij de bedoelde invulling van de voorwaarden toegelicht en ze daardoor verder geconcretiseerd. De voorgestelde urinecontrole kan tweemaal per week worden uitgevoerd, zoals de deskundigen adviseren, en na de klinische opname van minimaal 18 maanden kan er een woonvorm met 24 uur toezicht worden gerealiseerd. Zij acht het toezicht door de reclassering het belangrijkste verschil met de hulpverlening eerder. Verdachte heeft immers nooit onder toezicht van de reclassering gestaan en dit toezicht zal zeer intensief worden ingezet, met frequente contacten tussen verdachte en toezichthouder. Bij een eventuele terugval kan verdachte weer terecht bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA). Er zal streng worden gecontroleerd en de reclassering heeft een korte lijn met de TBS-officier, zodat bij mislukken onmiddellijk wordt ingegrepen en de tenuitvoerlegging gevorderd kan worden

Ten aanzien van de noodzaak tot ter beschikking stelling van verdachte neemt de rechtbank het advies van de deskundigen over. Het bewezen geachte feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van deze maatregel. Verdachte dient dan ook ter beschikking gesteld te worden.

Ten aanzien van de vraag of de ter beschikking stelling gepaard dient te gaan met een bevel tot dwangverpleging als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, zoals gevorderd door de officier van justitie, overweegt de rechtbank als volgt.

De deskundigen hebben geadviseerd tot ter beschikking stelling onder voorwaarden. Naar hun oordeel is verdachte voldoende gemotiveerd voor een lang en intensief behandel- en begeleidingstraject. Het recidiverisico kan bij die stand van zaken voldoende ingeperkt worden door intensieve begeleiding en behandeling onder strikte voorwaarden.

De rechtbank neemt ook deze conclusie van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Deze beslissing berust in hoge mate op de behandeling ter terechtzitting, waarbij de beide deskundigen en [naam 8] van de reclassering desgevraagd de noodzakelijk te stellen voorwaarden en de invulling ervan zowel hebben aangescherpt als geconcretiseerd. Daarnaast is ter terechtzitting uitgebreid aan de orde geweest het belang van een actieve rol van de reclassering bij het strikt controleren van de naleving van de voorwaarden. De combinatie van het gebruiken van verdovende middelen en het niet gebruiken van medicatie vergroot, gegeven de psychische stoornis van verdachte, de kans op een verergering van zijn psychotische toestand. De combinatie van behandeling en toezicht gericht op het niet gebruiken van verdovende middelen en een regime voor het waarborgen van het gebruik van medicatie brengt, gelet op de gemotiveerdheid van verdachte, het risico op recidive terug tot een aanvaardbaar niveau. Daarbij speelt een rol dat 24-uurs toezicht er voor dient te zorgen dat een mogelijke ontsporing van verdachte tijdig kan worden gesignaleerd. Ook is van belang dat verdachte zich ter terechtzitting bereid heeft verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Met oplegging van TBS met de hierna te formuleren voorwaarden acht de rechtbank de bescherming van de samenleving voldoende gewaarborgd.

De rechtbank stelt de voorwaarden zoals geformuleerd in voornoemd maatregelenrapport met dien verstande dat de urinecontroles tenminste tweemaal per week dienen plaats te vinden, de plaatsing in FPA Roosenburg zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren of zoveel korter als de behandelaars en de reclassering nodig achten en de medicatie eventueel per depot kan worden toegediend als daar aanleiding voor is.

Bij de strafoplegging dient recht te worden gedaan aan de vergelding van het leed van het slachtoffer. Tegelijkertijd is de rechtbank met de raadsman van verdachte van oordeel dat van belang is dat het traject zo spoedig mogelijk wordt ingezet. De rechtbank heeft verder meegewogen hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd en de door de rechtbank overgenomen conclusie van de deskundigen dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Dit alles in overweging nemend zal zij de gevorderde gevangenisstraf matigen.

Er bestaat geen volledige zekerheid of dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan op het moment dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf gelijk wordt aan de duur van de voorlopige hechtenis. Daarom zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden gelasten.

Beslag

Onder verdachte zijn onder andere meerdere afbreekmesjes in verpakking in beslag genomen.

Verbeurdverklaring

Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 1 primair bewezen geachte is voorbereid, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [naam 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op

€ 14.210,89 (veertienduizend tweehonderd en tien euro en negenentachtig eurocent), zijnde

€ 12.500,-- immateriële en € 1.710,89 materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering, te weten de kosten met betrekking tot RPU-verlof, zijnde

€ 357,11, levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de post overwerk niet een onevenredige belasting van het strafproces.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal in het belang van [naam 1], als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens [naam 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het onder 1 primair bewezen geachte feit heeft toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 14.210,89 (veertienduizend tweehonderd en tien euro en negenentachtig eurocent).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

poging tot doodslag;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

  • -

    Verdachte maakt zich niet schuldig aan strafbare feiten;

  • -

    Verdachte begeeft zich tijdens de TBS maatregel niet buiten de landsgrenzen van Nederland;

  • -

    Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    Verdachte stelt zich begeleidbaar en controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering om met alle personen en instellingen die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden contact te kunnen opnemen en informatie te mogen uitwisselen;

  • -

    Verdachte stelt zich behandelbaar op en werkt mee aan de klinische behandeling te FPA Roosenburg of een vergelijkbare instelling voor de duur van 2 jaren of zoveel korter als zijn behandelaars en de reclassering dit nodig achten;

  • -

    Verdachte werkt mee aan een nazorgtraject, ook als dit inhoudt ambulante behandeling door een FACT (forensisch ACT) team of vergelijkbare instantie;

  • -

    Verdachte neemt de voorgeschreven medicatie in, zo nodig door middel van depot, zolang als zijn behandelaars nodig achten;

  • -

    Verdachte werkt mee aan het vinden van geschikte huisvesting, ook als dit inhoudt een begeleide woonvorm met, zolang als zijn behandelaars dat nodig achten, 24-uur toezicht;

  • -

    Verdachte werkt mee aan het vinden en behouden van geschikte, gestructureerde dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk;

  • -

    Verdachte blijft abstinent van drugs en alcohol en werkt tweemaal per week mee aan urinecontroles, die tenminste twee maal per week plaatsvinden;

  • -

    Verdachte geeft inzage in zijn financiële situatie indien de reclassering hem hierom verzoekt;

  • -

    Verdachte verleent medewerking ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

  • -

    Verdachte verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan GGZ Inforsa JVz Amsterdam om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd: meerdere afbreekmesjes in verpakking.

Gelast de teruggave aan verdachte van: 2 zaktelefoons, merk Nokia, 2 Simkaarten van T-Mobile, 1 Simkaart van Tele2 en een geel vest, Nike Brasil.

Wijst de vordering van [naam 1], domicilie kiezende op het adres [adres], toe tot € 14.210,89 (veertienduizend tweehonderd en tien euro en negenentachtig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1], € 14.210,89 (veertienduizend tweehonderd en tien euro en negenentachtig eurocent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 106 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.B. Nyman en M. Woerdman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2014.