Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4726

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AMS 14-1954
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bij het beoordelen van de rechtmatigheid van een opgelegde boete de volgende elementen van belang. Allereerst dient bij het opleggen van een boete te worden beoordeeld of de betrokkene van het niet voldoen aan de informatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt (objectieve verwijtbaarheid). Het gaat hier om een bestraffende sanctie en een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Tevens is daarbij van betekenis dat het hier gaat om een voorschrift waarbij aan een betrokkene een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie wordt opgelegd. In dat verband is van essentieel belang of betrokkene ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van die verplichting. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging. Daarvan is sprake wanneer de gevolgen van de op te leggen maatregel tot voor betrokkene onaanvaardbare consequenties leiden. Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden van financiële of medische aard. Ten slotte dient te worden getoetst of de opgelegde boete evenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval. Deze evenredigheidstoets volgt uit het feit dat het gaat om een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, volgt dit mede uit artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In de overige gevallen volgt deze evenredigheidstoets mede uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid toetst of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/1954

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.350,-.

Bij besluit van 28 februari 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 juni 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het boetebedrag vastgesteld op € 590,-.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 4 oktober 2013 heeft verweerder de bijstand van eiser met ingang van 11 juni 2013 ingetrokken. Bij besluit van 13 november 2013 heeft verweerder een bedrag van € 2.346,38 aan ten onrechte betaalde bijstand van eiser teruggevorderd. Bij besluiten van 27 november 2013 en 18 februari 2013 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

1.2.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 27 november 2013 gegrond verklaard en de periode waarover de uitkering is ingetrokken beperkt tot de periode van 11 juni 2013 tot en met 30 juni 2013. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft verweerder het boetebedrag nader vastgesteld op € 590,-, zijnde 100% van het benadelingsbedrag over de maand juni 2013.

2.

Verweerder heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat er auto’s op zijn naam stonden geregistreerd. Door de schending van de inlichtingenplicht kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de boete te verlagen wegens bijzondere omstandigheden.

3.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgelegde boete disproportioneel is. Eiser heeft kort drie auto's op zijn naam gehad en heeft daar geen noemenswaardige inkomsten mee verdiend. Ten onrechte is niet getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De ernst van de gedraging en mate van verwijtbaarheid van de overtreding zijn ten onrechte niet als wegingsfactoren opgenomen in artikel 18a van de Wet werk en bijstand (WWB). De wettelijke regeling is in dat opzicht dan ook in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus eiser.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit I van 28 februari 2014 heeft herzien en vervangen door het bestreden besluit II van 3 juni 2014. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit van 3 juni 2014. De rechtbank zal het besluit van 3 juni 2014 dan ook in haar beoordeling betrekken. Nu niet is gebleken dat eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling door de rechtbank van het besluit van 28 februari 2014 zal het beroep van eiser in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Met ingang van 1 januari 2013 is met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Sanctiewet) artikel 18a in de WWB opgenomen. Op grond van dit artikel is verweerder gehouden om bij schending van de inlichtingenverplichting een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag. Het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaalt in artikel 2, eerste lid, dat de boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een bij wettelijk voorschrift vastgestelde hoogte van de boete in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3.

De rechtbank acht bij het beoordelen van de rechtmatigheid van een opgelegde boete de volgende elementen van belang. Allereerst dient bij het opleggen van een boete te worden beoordeeld of de betrokkene van het niet voldoen aan de informatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt (objectieve verwijtbaarheid). Het gaat hier om een bestraffende sanctie en een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Tevens is daarbij van betekenis dat het hier gaat om een voorschrift waarbij aan een betrokkene een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie wordt opgelegd. In dat verband is van essentieel belang of betrokkene ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van die verplichting. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging. Daarvan is sprake wanneer de gevolgen van de op te leggen maatregel tot voor betrokkene onaanvaardbare consequenties leiden. Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden van financiële of medische aard. Ten slotte dient te worden getoetst of de opgelegde boete evenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval. Deze evenredigheidstoets volgt uit het feit dat het gaat om een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, volgt dit mede uit artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In de overige gevallen volgt deze evenredigheidstoets mede uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid toetst of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraken van 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780, 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914, 13 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1698 en 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362.

4.4.

Toegepast op het nu voorliggende geval constateert de rechtbank dat tussen partijen vaststaat dat eiser niet aan verweerder heeft gemeld dat hij van 11 juni 2013 tot 13 juni 2013 een auto op zijn naam heeft geregistreerd. Van een objectieve schending van de inlichtingenverplichting zoals die is neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake. Gelet op de waarde van de betreffende auto in het economisch verkeer, te weten € 7.225,-, had het eiser duidelijk moeten zijn dat de registratie van deze auto een relevantie wijziging in zijn financiële positie teweeg zou brengen die hij aan verweerder had moeten melden. Het standpunt van eiser ter zitting dat verweerder de registratie zelf had kunnen zien in het register van de RDW zodat de inlichtingenplicht in dit geval niet geldt, volgt de rechtbank niet. De omstandigheid dat de tenaamstelling van de auto in een voor verweerder toegankelijk register is vermeld, ontslaat eiser niet van de verplichting om van alle wijzigingen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, melding te maken bij verweerder. De rechtbank komt tegen deze achtergrond tot het oordeel dat eiser ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het schenden van zijn inlichtingenplicht. Van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging is de rechtbank niet gebleken.

4.5.

Met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet (kenbaar) heeft getoetst of het opleggen van een boete van € 590,- in dit geval evenredig is. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat deze toets heeft plaatsgevonden naar aanleiding van eisers reactie op het voornemen van 21 november 2013 om een boete op te leggen. Gesteld nog gebleken is echter dat verweerder voor het bestreden besluit II van 3 juni 2014 (opnieuw) onderzoek heeft gedaan naar de evenredigheid van de op te leggen boete. Het bestreden besluit II is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

4.5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval het opleggen van een boete ten bedrage van € 590,- onevenredig gelet op de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser ten gevolge van de – naar later bleek grotendeels onterechte – intrekking van zijn bijstandsuitkering vanaf 1 juni 2013 een aantal maanden verstoken is gebleven van inkomsten. Eiser heeft pas per 8 januari 2014 weer bijstand ontvangen. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser onweersproken gesteld dat eiser daardoor (verder) in financiële problemen is geraakt. Eiser heeft meerkosten moeten maken in verband met door schuldeisers ingeschakelde incassobureaus en de bewindvoerder van eiser heeft verzocht om het WSNP-traject, dat eiser al volgde voordat zijn bijstand werd ingetrokken, te beëindigen. Tot op heden is nog onduidelijk of eiser het WSNP-traject verder kan vervolgen. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank aanleiding de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is een boete van € 150,- gelet op alle omstandigheden van het geval passend en geboden. De rechtbank heeft in dit verband aangeknoopt bij het minimum boetebedrag dat is vastgesteld in artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit.

4.6.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit II vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4, tweede lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal gelet op artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien door een boete op te leggen zoals die in rechtsoverweging 4.5.2 is vastgesteld.

4.7.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 487,- x wegingsfactor 1). Verweerder zal tevens het door eiser gestorte griffierecht aan hem dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 28 februari 2014 niet- ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 3 juni 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 3 juni 2014;

  • -

    legt eiser een boete op van € 150,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
    3 juni 2014;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 45,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, voorzitter, en

mrs. A.E.J.M. Gielen en M.L. van Emmerik, leden,

in aanwezigheid van mr. S. Leijen-Westra, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.