Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4725

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AMS 13-4382
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bij het beoordelen van de rechtmatigheid van een opgelegde boete de volgende elementen van belang. Allereerst dient bij het opleggen van een boete te worden beoordeeld of de betrokkene van het niet voldoen aan de informatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt (objectieve verwijtbaarheid). Het gaat hier om een bestraffende sanctie en een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Tevens is daarbij van betekenis dat het hier gaat om een voorschrift waarbij aan een betrokkene een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie wordt opgelegd. In dat verband is van essentieel belang of betrokkene ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van die verplichting. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging. Daarvan is sprake wanneer de gevolgen van de op te leggen maatregel tot voor betrokkene onaanvaardbare consequenties leiden. Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden van financiële of medische aard. Ten slotte dient te worden getoetst of de opgelegde boete evenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval. Deze evenredigheidstoets volgt uit het feit dat het gaat om een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, volgt dit mede uit artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In de overige gevallen volgt deze evenredigheidstoets mede uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid toetst of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4382

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde mr. J.G. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 730,-.

Bij besluit van 23 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 24 juni 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op het verzoek van eiser om vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft bij brief van 27 juni 2014 gereageerd.

Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 12 april 2012 is eiser in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 2 januari 2013 heeft eiser in een wijzigingsformulier aan verweerder doorgegeven dat hij volledig aan het werk gaat als [functie] bij [bedrijf] Eiser heeft op het formulier aangegeven dat de wijziging ingaat op “01-02-2013”. Bij besluit van 4 februari 2013 heeft verweerder eisers uitkering per 4 februari 2013 beëindigd.

1.3.

Op 17 februari 2013 heeft eiser middels een wijzigingsformulier aangegeven dat hij ten onrechte nog WW-uitkering over de maand januari 2013 heeft ontvangen. Eiser heeft de indruk dat verweerder in de veronderstelling verkeert dat hij per 1 februari 2013 aan het werk is gegaan. Eiser verzoekt verweerder de voorgaande datum te corrigeren in 1 januari 2013.

1.4.

Bij brief van 19 april 2013 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan eiser een boete op te leggen. Eiser heeft hierop zijn zienswijze ingediend.

1.5.

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft verweerder de uitkering van eiser over de periode van 31 december 2012 tot en met 3 februari 2013 herzien en een bedrag van € 2.903,98 van eiser teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend. Bij apart besluit van 22 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete van € 730,- opgelegd.

2.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser te laat heeft doorgegeven dat hij per 2 januari 2013 een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan. Eiser heeft niet aan zijn mededelingsverplichting voldaan, omdat hij verweerder niet onmiddellijk op de hoogte heeft gesteld van zijn werkzaamheden bij zijn nieuwe werkgever vanaf 2 januari 2013. Verweerder is daarom gehouden een boete op te leggen. Verweerder heeft de boete vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag, omdat de gedraging van eiser als beperkt verwijtbaar wordt gekwalificeerd. Voor een evenredigheidstoets is geen plaats nu de boete al is verlaagd, aldus verweerder.

3.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij tijdig heeft gemeld dat hij een baan heeft aanvaard als [functie] bij [bedrijf] De volgende maand kwam hij erachter dat zijn melding niet juist was verwerkt, waarop hij nogmaals een bericht aan verweerder heeft gestuurd. Eiser stelt dat hij op de tweede pagina van het wijzigingsformulier de datumnotatie per abuis heeft omgedraaid en heeft aangegeven dat hij per 01-02-2013 aan het werk is gegaan in plaats van 02-01-2013. Eiser geeft aan dat op het formulier geen verplichte datumnotatie is aangegeven. De boete moet tot € 0,- worden gereduceerd.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2013 is met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Sanctiewet) artikel 27a van de WW gewijzigd in die zin dat de hoogte van de boete ten hoogste het benadelingsbedrag bedraagt (vóór 1 januari 2013 ten hoogste € 2.269,-). Dit artikel schrijft verweerder voor een bestuurlijke boete op te leggen bij schending van de inlichtingenverplichting. Het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaalt in artikel 2, eerste lid, dat de boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de boete verlaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een bij wettelijk voorschrift vastgestelde hoogte van de boete in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

De rechtbank acht bij het beoordelen van de rechtmatigheid van een opgelegde boete de volgende elementen van belang. Allereerst dient bij het opleggen van een boete te worden beoordeeld of de betrokkene van het niet voldoen aan de informatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt (objectieve verwijtbaarheid). Het gaat hier om een bestraffende sanctie en een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens is daarbij van betekenis dat het hier gaat om een voorschrift waarbij aan een betrokkene een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie wordt opgelegd. In dat verband is van essentieel belang of betrokkene ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van die verplichting. Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging. Daarvan is sprake wanneer de gevolgen van de op te leggen maatregel tot voor betrokkene onaanvaardbare consequenties leiden. Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden van financiële of medische aard. Ten slotte dient te worden getoetst of de opgelegde boete evenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de overige omstandigheden van het geval. Deze evenredigheidstoets volgt uit het feit dat het gaat om een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, volgt dit mede uit artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In de overige gevallen volgt deze evenredigheidstoets mede uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarbij geldt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid toetst of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraken van 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780, 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914, 13 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1698 en 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362.

4.3.

De rechtbank constateert dat de door verweerder ter zitting geschetste vaste werkwijze bij boeteoplegging niet in lijn is met hetgeen onder 4.2 is overwogen. Voor het standpunt van verweerder dat voor een evenredigheidstoets slechts plaats is in gevallen waarin sprake is van volledige verwijtbaarheid en dat toetsing aan de evenredigheid maximaal kan leiden tot een matiging van de boete tot 25% van het benadelingsbedrag, vindt de rechtbank geen steun in artikel 6 van het EVRM, de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie.

4.4.

Het in rechtsoverweging 4.2 geschetste toetsingskader toegepast op het nu voorliggende geval, constateert de rechtbank dat tussen partijen vaststaat dat eiser op het formulier van 2 januari 2013 niet de juiste aanvangsdatum van zijn werkzaamheden heeft vermeld. Van een objectieve schending van de inlichtingenverplichting zoals die is neergelegd in artikel 25 van de WW is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het formulier niet voldoende duidelijk is omdat een verplichte datumnotatie ontbreekt. Op de eerste pagina van het formulier is aangegeven in welke volgorde de datum dient te worden vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank had het eiser voldoende duidelijk moeten zijn dat deze notatie voor het gehele formulier geldt. Daarbij had eiser het formulier alvorens hij het verzond nog op juistheid kunnen controleren. Dat eiser dit niet (voldoende) heeft gedaan dient voor zijn rekening en risico te komen. De rechtbank komt tegen deze achtergrond tot het oordeel dat eiser ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het overtreden van zijn inlichtingenplicht. Van dringende redenen om af te zien van boeteoplegging is de rechtbank niet gebleken.

4.5.

Met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval het opleggen van een boete ten bedrage van € 730,- onevenredig in verhouding tot de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser zich uit eigen beweging en nog voordat verweerder op de hoogte was van de onjuistheid op 17 februari 2013 nogmaals bij verweerder heeft gemeld toen hij merkte dat de door hem verondersteld doorgegeven wijziging op 2 januari 2013 niet was verwerkt. Op het door eiser ingevulde wijzigingsformulier schrijft eiser:

“Mijne Dames en Heren, Ik heb aan u aangegeven dat ik per 1 januari 2013 een nieuwe baan heb. Uit de uitkering welke u aan mij heeft verstrekt blijkt dat u blijkbaar heeft begrepen dat ik per 1 februari 2013 een nieuwe baan heb. Zou u dit zo snel mogelijk willen corrigeren? Mvgr. [eiser]”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat sprake is van een kennelijke vergissing die door eiser zelf binnen korte tijd is rechtgezet. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid zo gering dat het opleggen van een boete niet passend is.

4.6.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4, tweede lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal gelet op artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire boetebesluit van 22 mei 2013 te herroepen.

4.7.

Verweerder zal het door eiser gestorte griffierecht aan hem dienen te vergoeden. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 126,56 (€ 7,51 aan reiskosten en € 119,05 aan verletkosten).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 22 mei 2013;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 44,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 126,56.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, voorzitter,

mrs. A.E.J.M. Gielen en M.L. van Emmerik, leden,

in aanwezigheid van mr. S. Leijen-Westra, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep

Afschrift verzonden op:

D: B

SB