Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4580

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_4783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-zaak. Eiser heeft een Wob-verzoek gedaan bij de CVOM, gelijktijdig met het administratief beroep tegen een boetebeschikking. Nu de CVOM op dat moment hooguit in het bezit was van het zaakoverzicht en hij dit heeft verstrekt, heeft de CVOM voldaan aan zijn Wob-verplichting. Stukken die nadien – in het kader van het administratief beroep – onder de officier van justitie of de CVOM behoren te berusten, vanwege de door eiser gestelde vergaarplicht, doen dus niet ter zake. De CVOM heeft het bezwaarschrift terecht kennelijk ongegrond geacht, zodat geen dwangsommen verschuldigd zijn.

De eerst in beroep aangevoerde gronden slagen evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amstelveen, eiser

(gemachtigde mr. H.P. Olthof),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. P.A. Luscher).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om documenten te overleggen deels toegewezen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Eiser heeft op 14 juni 2013 bezwaar ingediend tegen dit besluit. Eiser heeft verweerder bij brief van 30 juli 2013 in gebreke gesteld van het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

Eiser heeft op 25 augustus 2013 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 24 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit en dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens nadere gronden ingediend tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014.

Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande afmelding van de gemachtigde – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Aan eiser is een boetebeschikking opgelegd ten aanzien van een door eiser gepleegde verkeersovertreding, geconstateerd door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van de gemeente Amstelveen. Eiser heeft bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), onderdeel van verweerder, middels zijn brief van 4 april 2013 zowel administratief beroep ingesteld tegen de boetebeschikking, als een verzoek gedaan bepaalde documenten te verstrekken die daarop betrekking hebben (het Wob-verzoek). In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek toegewezen voor wat betreft de stukken die in het bezit zijn van verweerder (door verweerder omschreven als het zaakoverzicht) en heeft verweerder die stukken toegezonden. In het primaire besluit heeft verweerder daarnaast medegedeeld dat ten aanzien van de stukken die niet in het bezit zijn van verweerder, het verzoek conform artikel 4 van de Wob wordt doorgestuurd naar de opsporingsinstantie, zijnde de gemeente Amstelveen.

2.

Eiser heeft op 14 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft verweerder op 30 juli 2013 in gebreke gesteld van het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Nadat eiser op 25 augustus 2013 beroep had ingesteld tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar, heeft verweerder op 24 oktober 2013 alsnog het bestreden besluit genomen. Daarin wordt het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat wordt verzocht om documenten die niet onder verweerder berusten terwijl op verweerder geen vergaringsplicht rust en dit besluit geen verdere onderbouwing behoeft.

3.

De rechtbank oordeelt allereerst dat op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar, omdat verweerder dit besluit alsnog heeft genomen. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.

Wel bestaat aanleiding de proceskosten van eiser te vergoeden voor het instellen van beroep tegen het niet-tijdig nemen van de beslissing op bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 121,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 487,- per punt en een wegingsfactor 0,25, nu het hier een eenvoudige vraag betreft).

5.

Eiser stelt zich in beroep - kort weergegeven - op het standpunt dat verweerder zijn Wob-verzoek ten onrechte deels heeft afgewezen en doorgezonden naar de gemeente Amstelveen. Eiser stelt dat de stukken die onder die opsporingsdienst berusten, worden geacht te berusten bij verweerder, althans daar behoren te berusten gezien de zogenaamde vergaarplicht (of vergaringsplicht). Eiser voert aan dat zijn bezwaar daarom ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard, zodat hij in bezwaar had moeten worden gehoord en verweerder dwangsommen verschuldigd is voor het te laat nemen van het bestreden besluit.

6.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestreden besluit niet tijdig is genomen in de zin van artikel 7:10 van de Awb. Partijen zijn verdeeld over de vraag welke documenten verweerder had moeten verstrekken en of het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is.

Kennelijk ongegrond

7.

Voor eisers stelling dat zijn bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard, voert hij aan dat verweerder in het bestreden besluit acht pagina’s motivering nodig heeft. Reeds uit dat feit blijkt dat geen sprake is van een bezwaar waarvan aanstonds duidelijk kan zijn dat het ongegrond is.

8.

Verweerder voert aan dat de kennelijkheid van de ongegrondheid erin is gelegen dat verweerder geen documenten kan openbaren die niet onder hem berusten en dat op hem geen vergaarplicht rust. Het enkele feit dat het bestreden besluit acht pagina’s telt en verweerder er geruime tijd over heeft gedaan om op het bezwaar te beslissen, maakt niet dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is.

9.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:17, zesde lid onder c, van de Awb is het bestuursorgaan bij niet-tijdig beslissen geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag (of, zo de rechtbank begrijpt, het bezwaar) kennelijk ongegrond is. Daarnaast geldt dat bij kennelijke ongegrondheid op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende.

10.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), met betrekking tot artikel 7:3 van de Awb, is sprake van kennelijke ongegrondheid indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (zie bijvoorbeeld ABRvS 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5910). Dit criterium is eveneens aangenomen bij de toepassing van artikel 4:17 van de Awb (zie de uitspraak van de ABRvS van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9182). De ratio van uitsluiting van de dwangsomregeling bij een kennelijk ongegrond bezwaar tegen niet tijdig beslissen, is vooral het voorkomen van misbruik.

11.

De rechtbank zal dus dienen te toetsen of er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren in het bezwaarschrift niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Daarbij dient uitsluitend te worden uitgegaan van hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd; hetgeen eerst in beroep is aangevoerd dient daarbij buiten beschouwing te blijven. In dit geval had eiser in bezwaar – kort gezegd – aangevoerd dat de stukken die bij de opsporingsdienst berusten, ook onder verweerder hadden behoren te berusten. Immers, de officier van justitie dient de boetebeschikking in het kader van administratief beroep volledig te heroverwegen en bij die heroverweging dient de officier van justitie te beschikken over de documenten die de grondslag vormen van de boetebeschikking. Indien toch van dit uitgangspunt wordt afgeweken, dient de weigering per document te worden gemotiveerd, zo heeft eiser nog in bezwaar aangevoerd.

12.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

13.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder ‘document’: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

14.

Op grond van artikel 4 van de Wob wordt de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen.

15.

De rechtbank overweegt dat bij beantwoording van de vraag welke documenten bij een bestuursorgaan berusten in de zin van de Wob, dient te worden uitgegaan van het moment van het Wob-verzoek. In dit geval is het Wob-verzoek gedaan in dezelfde brief als waarin eiser administratief beroep heeft ingesteld tegen de boetebeschikking, te weten de brief van 4 april 2013. Zoals de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting heeft toegelicht, hetgeen door eiser onweersproken is gelaten, is verweerder op het moment dat administratief beroep wordt ingesteld hooguit in het bezit van het zaakoverzicht. Nu verweerder eiser het zaakoverzicht heeft toegezonden, heeft verweerder dus voldaan aan zijn plicht om naar aanleiding van het Wob-verzoek die documenten te verstrekken die bij hem berusten op 4 april 2013, het moment van het Wob-verzoek. Welke stukken nadien – in het kader van de heroverweging in administratief beroep – onder de officier van justitie of verweerder behoren te berusten, doet in dit geval dus niet ter zake, omdat het Wob-verzoek gelijktijdig is gedaan met het instellen van het administratief beroep en het moment van heroverweging dus per definitie na het Wob-verzoek lag. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de vergaarplicht – wat daar verder ook van zij – is in dezen dus niet relevant.

16.

Dat brengt ook mee dat het bezwaar van eiser, inhoudende dat bij verweerder op grond van de vergaarplicht meer documenten dienen te berusten, in deze zaak op geen manier kon slagen. Gelet daarop was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat dat bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit.

17.

Ditzelfde geldt voor het bezwaar van eiser dat de afwijzing per document diende te worden gemotiveerd. Verweerder heeft het Wob-verzoek voor zover dat zag op andere documenten dan het zaakoverzicht in het primaire besluit afgewezen, motiverende dat overige documenten zich niet onder hem bevinden. Nu niet in geschil is dat het zaakoverzicht op het moment van het Wob-verzoek, tevens instelling van het administratief beroep, het enige was dat onder verweerder berustte of diende te berusten, is deze motivering zonder meer voldoende te noemen. Nu de motiveringsklacht in bezwaar verder in het geheel niet nader is geconcretiseerd, was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat ook dit bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit.

18.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser dus terecht kennelijk ongegrond geacht. Op grond van de artikelen 4:17, zesde lid onder c, en 7:3, onder b, van de Awb heeft verweerder dus geen dwangsom verbeurd en mocht hij afzien van het horen van eiser. De gronden die eiser daartegen in beroep heeft gericht, slagen dus niet.

Overige beroepsgronden

19.

De rechtbank zal hierna de gronden bespreken die eiser eerst in beroep heeft aangevoerd.

20.

Eerst in beroep voert eiser aan dat bepaalde documenten om uiteenlopende reden moeten worden geacht bij verweerder te berusten. In de eerste plaats stelt eiser dat in artikel 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) de taak bij verweerder is neergelegd tot het beheren van documentatie over opsporingsambtenaren, zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen dat verweerder een adequate administratie voert omtrent deze ambtenaren.

21.

De rechtbank overweegt dat eiser kennelijk doelt op het derde lid van artikel 3 van de Wahv, waarin is bepaald dat de officier van justitie toezicht houdt op het optreden van opsporingsambtenaren. Dit derde lid luidt als volgt:

“De officier van justitie in het arrondissement waar de in het eerste lid bedoelde ambtenaren optreden, houdt toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken. Hij kan daaromtrent beleidsregels vaststellen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het toezicht op de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde ambtenaren van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken en de intrekking van die bevoegdheid”.

22.

Uit dit artikel noch anderszins blijkt van enige administratieve verplichting van verweerder ten aanzien van (bij de boetebeschikking betrokken) opsporingsambtenaren. Er is dan ook geen enkele steun voor de stelling van eiser dat verweerder zou moeten beschikken over documentatie of administratie over opsporingsambtenaren.

23.

Daarnaast stelt eiser dat documenten die bij de opsporingsdiensten berusten, tevens moeten worden geacht te berusten bij verweerder, aangezien de officier van justitie, gelet op zijn gezagspositie, afgifte van deze documenten kan afdwingen. De hiërarchische verhouding en de verantwoordelijkheidsrelatie brengen met zich dat verweerder bevoegd en gehouden was de documenten op te vragen bij de opsporingsinstanties die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

24.

Voor beantwoording van de vraag of de documenten die berusten bij de opsporingsdiensten ook moeten worden geacht bij verweerder te berusten, is van belang of de opsporingsdiensten moeten worden aangemerkt als “een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf” in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob. De rechtbank is van oordeel dat opsporingsdiensten, zoals in dit geval (een boa van) de gemeente Amstelveen, niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De gemeente Amstelveen is een zelfstandig bestuursorgaan met geheel eigen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Er bestaat geen hiërarchische verhouding in de zin van de Wob tussen verweerder en de gemeente Amstelveen of de boa’s die daar in dienst zijn. Dat de officier van justitie een bepaalde aanwijzingsbevoegdheid heeft in het kader van de opsporing van strafbare feiten, maakt niet dat een gemeentelijke boa werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder in de zin van de Wob. De door eiser genoemde jurisprudentie van de ABRvS is hier dus niet relevant.

25.

De documenten die onder de (opsporingsdienst van de) gemeente Amstelveen berusten, moeten dus niet op grond van een gezagsverhouding worden geacht te berusten bij verweerder.

26.

Tot slot voert eiser aan dat verweerder toegang heeft tot het computersysteem Kenlez van de politie, zodat verweerder rechtstreeks een foto van een verkeersovertreding kan raadplegen. Gelet hierop is het aannemelijk dat ook een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal rechtstreeks via dit systeem geraadpleegd kan worden, aldus eiser.

27.

De rechtbank overweegt dat de verkeersovertreding waarvoor de boetebeschikking is opgelegd, is geconstateerd door een gemeentelijke boa, terwijl Kenlez een computersysteem is van de politie. De stelling van eiser dat verweerder het Kenlez-systeem kan raadplegen is dus niet relevant in deze zaak, aangezien niet valt in te zien hoe de informatie van (een boa van) de gemeente Amstelveen daarin te raadplegen zou zijn. De rechtbank komt dan ook niet toe aan beantwoording van de vraag of informatie die is te raadplegen door een bestuursorgaan, ook moet worden geacht bij dat bestuursorgaan te berusten.

28.

Ook deze beroepsgronden slagen niet.

29.

Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van proceskosten of griffierecht ten aanzien van het bestreden besluit of in bezwaar bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ten aanzien van het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 121,75, te betalen aan eiser;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter,

in aanwezigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2014.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB