Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4506

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
HA ZA 13-1725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft met eiser een koopovereenkomst gesloten voor de aankoop van een door eiser vervaardigd beeld. Uitleg koopovereenkomst. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat door de plaatsing van het beeld op het beursplein te Amsterdam de voorwaarde van artikel 4.2 van de koopovereenkomst voor de betaling van het restant van de koopsom is vervuld. Het beroep van gedaagde op dwaling, opschorting, ontbinding en artikel 6:248 BW faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/553882 / HA ZA 13-1725

Vonnis van 16 juli 2014

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [plaatsnaam] ([land]),

eiser,

advocaat mr. M. Meijjer te Amsterdam,

tegen

[naam gedaagde],

wonende te [plaatsnaam] ([land]),

gedaagde,

advocaat mr. B.L. Yuen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 augustus 2013, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van 15 januari 2014, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2014 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 mei 2014 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam eiser] heeft het beeld “Charging Bull” gemaakt (hierna ook: het beeld).

2.2.

Partijen zijn in november en december 2011 in onderhandeling getreden over het sluiten van een exploitatie- en licentieovereenkomst ten aanzien van het beeld. De exploitatie zou bestaan uit het vervaardigen van merchandise, zoals miniaturen en dergelijke, en het verkopen van deze merchandise in winkels om en nabij de plaats waar het beeld zou worden geplaatst.

2.3.

[naam gedaagde] heeft in januari 2012 met [naam eiser] een koopovereenkomst gesloten voor de aankoop van het beeld door hem tegen betaling van $ 400.000,00. [naam gedaagde] heeft daarna een aanbetaling van $ 100.000,00 voldaan. In artikel 4.2 van de koopovereenkomst is omtrent het restant van de koopsom van $ 300.000,00 bepaald:

Payment in full of the purchase price is subject to the condition precedent of the Work being placed in a public place in Amsterdam, The Netherlands.

In artikel 4.5 van de koopovereenkomst is voorts bepaald:

If the Work is not placed in a public place in Amsterdam, The Netherlands. Purchaser has the option to:

(i) request a reimbursement for the down-payment and return the Work to Seller, or

(ii) purchase the Work and pay the remainder of the purchase price.

2.4.

In de nacht van 4 op 5 juli 2012 is het beeld geplaatst op het beursplein in Amsterdam.

2.5.

In een e-mail van 9 augustus 2012 van de gemachtigde van [naam gedaagde], genaamd [naam 1], aan de gemachtigde van [naam eiser], een Italiaanse advocaat genaamd [naam 2], staat voor zover van belang:

We have two discussions which are tot be seen separately, but also in connection with each other:

1. the content of the Exploitation & License Agreement; and. 2 the payment of second instalment

2.6.

Partijen hebben getracht in onderling overleg tot een oplossing van hun geschillen te komen in welk kader over een weer voorstellen zijn gedaan.

2.7.

Bij brief van 7 november 2013 heeft [naam gedaagde] de koopovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiser] te betalen het bedrag van $ 326.607,50 te vermeerderen met € 4.000,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente over $ 300.000,00 vanaf 2 augustus 2013 tot aan de dag van algehele betaling, alsmede [naam gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met de bepaling dat [naam gedaagde] over de proceskosten de wettelijke rente verschuldigd is indien deze kosten niet binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis zullen zijn voldaan.

3.2.

[naam eiser] legt daaraan ten grondslag dat [naam gedaagde] zijn betalingsverplichting uit de koopovereenkomst niet nakomt.

3.3.

[naam gedaagde] voert verweer. Zijn conclusie strekt ertoe de vorderingen van [naam eiser] af te wijzen en [naam eiser], uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

In artikel 11.8 van de koopovereenkomst is bepaald dat alle geschillen, voortkomend uit deze overeenkomst, zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam en dat Nederlands recht van toepassing is op de koopovereenkomst. [naam gedaagde] heeft de bevoegdheid van de rechtbank ook overigens niet bestreden, zodat de rechtbank zich bevoegd acht van het integrale geschil tussen partijen kennis te nemen. Het toepasselijke recht op de (onderhandelingen over de) exploitatie- en licentieovereenkomst kan om de hierna in r.o. 4.9 en volgende vermelde reden onbesproken blijven.

Uitleg van de koopovereenkomst

4.2.

Partijen strijden primair over de uitleg van artikel 4.2 van de koopovereenkomst. Volgens [naam eiser] was betaling van het restant van de koopsom van $ 300.000,00 afhankelijk van de opschortende voorwaarde van plaatsing van het beeld op een openbare locatie te Amsterdam en is die voorwaarde vervuld. [naam gedaagde] neemt het standpunt in dat betaling van het resterende deel van de koopsom afhankelijk is van definitieve plaatsing van het beeld, althans van “entail acceptance by the municipality of Amsterdam”. Deze voorwaarde is niet vervuld omdat het beeld in Amsterdam staat op basis van een tijdelijke objectvergunning, die ieder jaar kan worden ingetrokken, zodat nog steeds de kans bestaat dat het beeld moet worden verwijderd, aldus [naam gedaagde]. [naam gedaagde] erkent dat niet met zoveel woorden in de koopovereenkomst is opgenomen dat permanente plaatsing van het beeld onderdeel was van de overeenkomst, maar stelt dat het voor partijen duidelijk was dat permanente plaatsing essentieel was omdat het een absolute voorwaarde was in verband met de (beoogde jarenlange) exploitatie van het beeld.

4.3.

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.4.

In de koopovereenkomst wordt het woord “permanent” niet vermeld en wordt slechts over “being placed in a public place in Amsterdam” gesproken. Bovendien is in de koopovereenkomst voorzien dat het beeld niet voortdurend op het beursplein in Amsterdam zou staan. In artikel 2.2 van de koopovereenkomst is daaromtrent vermeld: “It may be that the Work at a later stage will be placed elsewhere”. Tegen deze achtergrond had [naam gedaagde] zijn stelling dat het voor partijen duidelijk was dat permanente plaatsing essentieel was nader moeten onderbouwen met feiten of omstandigheden die, mits bewezen, zijn uitleg van de overeenkomst ondersteunen. Zijn verwijzing naar de producties 10 en 11 bij de conclusie van antwoord volstaat niet. De wijziging van de (concept) exploitatie- en licentieovereenkomst door de gemachtigde van [naam eiser] van 17 juli 2012, opgenomen in productie 10 (artikel 1.2), sluit enkel aan bij de actuele situatie dat het beeld inmiddels op basis van een tijdelijke objectvergunning van de gemeente Amsterdam op het beursplein was geplaatst waardoor in die overeenkomst de woorden “will be placed at a public square in Amsterdam” achterhaald waren; productie 11 is een e-mail van de gemachtigde van [naam gedaagde] en werpt geen licht op de bedoeling van [naam eiser]. Nu de benodigde nadere toelichting achterwege is gebleven, waardoor de lezing van [naam eiser] onvoldoende is betwist, neemt de rechtbank met [naam eiser] als vaststaand aan dat door de plaatsing van het beeld op het beursplein te Amsterdam de voorwaarde van artikel 4.2 van de koopovereenkomst is vervuld. Dat plaatsing volgens [naam gedaagde] is geschied op basis van een tijdelijke objectvergunning doet daar - gelet op het voorgaande - derhalve niet aan af. In het midden kan dan ook blijven of voor plaatsing van het beeld daadwerkelijk een vergunning was vereist, zoals [naam gedaagde] stelt maar [naam eiser] betwist onder verwijzing naar een gesprek met een betrokkene van de gemeente Amsterdam.

4.5.

Niet is komen vast te staan dat tussen partijen een definitieve vaststellingsovereenkomst is tot stand gekomen in het kader van de afwikkeling van hun geschillen. Reeds daarom is er geen plaats voor een verlaging van de resterende som tot $ 250.000,00 op basis van een vermeende vaststellingsovereenkomst, zoals [naam gedaagde] wenst. Dat betekent dat [naam gedaagde] in principe gehouden is het bedrag van $ 300.000,00 in hoofdsom vermeerderd met rente vanaf (de onbetwist gebleven ingangsdatum van) 5 juli 2012 aan [naam eiser] te voldoen. [naam eiser] vordert “wettelijke rente” hetgeen zowel kan zien op de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW als de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119a BW. [naam gedaagde] heeft de over de periode van 5 juli 2012 tot 2 augustus 2013 gevorderde rente van $ 26.607,50 niet betwist. Deze rente stemt overeen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119a BW. Omdat sprake is van een overeenkomst als in die bepaling bedoeld en [naam eiser] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is de vordering in principe dienovereenkomstig toewijsbaar.

4.6.

[naam gedaagde] beroept zich evenwel primair op vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling en subsidiair op opschorting en ontbinding om een veroordeling af te wenden. Die weren worden thans onderzocht.

Dwaling

4.7.

[naam gedaagde] onderbouwt zijn beroep op dwaling als volgt. Feitelijk was er sprake van een financieringsconstructie. De koopsom van $ 400.000,00 is veel hoger dan de eigenlijke waarde van het beeld, maar door middel van de exploitatie van het beeld zou deze investering worden terugverdiend. Zonder exploitatiemogelijkheden had [naam gedaagde] het beeld nooit gekocht van [naam eiser]. Uit de feiten blijkt dat voor [naam gedaagde] de inhoud en de totstandkoming van de exploitatie- en licentieovereenkomst essentieel waren voor het sluiten van de koopovereenkomst. Nu [naam eiser] stelt dat er geen exploitatie- en licentieovereenkomst is tot stand gekomen, heeft [naam gedaagde] gedwaald ten aanzien van het sluiten van de koopovereenkomst, aldus steeds [naam gedaagde].

4.8.

De rechtbank neemt in aanmerking dat onduidelijk is gebleven of [naam gedaagde] doelt op de dwalingsgrond bedoeld in artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder a, b of c Burgerlijk Wetboek (BW). Als gevolg daarvan is zijn beroep op dwaling onvoldoende onderbouwd en dient het te worden afgewezen. Er wordt ook overigens tevergeefs een beroep gedaan op dit verweermiddel nu de (eventuele) dwaling in de omstandigheden van dit geval voor rekening van [naam gedaagde] behoort te blijven. Het had immers op zijn weg gelegen om te bedingen en contractueel vast te (doen) leggen dat hij van de verplichtingen uit de koopovereenkomst zou worden bevrijd bij niet-totstandkoming (of niet-nakoming) van de exploitatie- en licentieovereenkomst, voor zover die overeenkomst voor hem essentieel was. In plaats daarvan is in artikel 4.5 van de koopovereenkomst enkel opgenomen dat [naam gedaagde] de keuze heeft het beeld terug te geven als het beeld niet “in a public place in Amsterdam, The Netherlands” zou worden geplaatst, respectievelijk het beeld (ook dan) te kopen en de resterende koopsom te betalen (zie r.o. 2.3).

Opschorting en ontbinding

4.9.

Het subsidiaire verweer, dat ervan uitgaat dat de exploitatie- en licentieovereenkomst is tot stand gekomen, staat op gespannen voet met het primaire verweer van [naam gedaagde], dat ervan uitgaat dat deze overeenkomst niet is tot stand gekomen. De rechtbank zal het subsidiaire verweer desondanks behandelen.

4.10.

[naam gedaagde] stelt met een beroep op artikel 6:80 lid 1 aanhef en onder b BW dat nu hij uit een mededeling van [naam eiser] moest afleiden dat deze in de nakoming van de exploitatie- en licentieovereenkomst zou tekortschieten, aan hem in het kader van de koopovereenkomst een beroep op opschorting en ontbinding toekomt. Zijn verweer steunt op de gedachte dat de exploitatie- en licentieovereenkomst en de koopovereenkomst onderdeel uitmaken van een en dezelfde overeenkomst, althans dat tussen deze twee afzonderlijke overeenkomsten zodanige samenhang bestaat, dat de niet-nakoming van de exploitatie- en licentieovereenkomst meebrengt dat [naam eiser] tekortkomt in de nakoming van de koopovereenkomst. Of die verbondenheid in het gegeven geval inderdaad moet worden aanvaard, moet worden vastgesteld aan de hand van uitleg van de desbetreffende rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden.

4.11.

Dat een dergelijke verbondenheid bestaat is echter niet aannemelijk geworden, wat de rechtbank als volgt toelicht. Indien acht wordt geslagen op hetgeen ieder van de partijen van de andere partij in dit kader heeft verwacht en heeft mogen verwachten dan is relevant dat de vermeende exploitatie- en licentieovereenkomst niet tegelijk, maar volgens [naam gedaagde] eerder dan de koopovereenkomst is tot stand gekomen, namelijk op 22 december 2011. De koopovereenkomst verwijst echter niet in enige bepaling naar een exploitatie- en licentieovereenkomst, wat wel voor de hand had gelegen als partijen hadden beoogd tussen deze overeenkomsten zodanige samenhang te laten bestaan als [naam gedaagde] thans stelt. In de koopovereenkomst is onder “WHEREAS” sub (D) in plaats daarvan slechts bepaald dat “the conditions of the sale and purchase of the Work are laid down in this sale and purchase agreement”. Gesteld noch gebleken is dat hierin nadien verandering is gekomen. In de hiervoor vermelde e-mail van 9 augustus 2012 (r.o. 2.5) wordt voorts ook zijdens [naam gedaagde] geschreven over “two discussions which are tot be seen separately”. Op de comparitie heeft de gemachtigde van [naam gedaagde] toegelicht dat zij hiermee wilde aangeven dat er twee verschillende discussiepunten waren maar dat deze verband hadden met elkaar. Dat is echter op grond van het toepasselijke kader onvoldoende om het beroep op opschorting of ontbinding gegrond te achten. Nu verder niet is toegelicht waarom opschorting respectievelijk ontbinding gerechtvaardigd zou zijn, faalt het subsidiaire verweer.

4.12.

Uit het voorgaande blijkt dat in het midden kan blijven of de exploitatie- en licentieovereenkomst tot stand is gekomen en welk recht op deze rechtsvraag van toepassing is.

Artikel 6:248 BW

4.13.

Het laatste verweermiddel van [naam gedaagde] is diens beroep op artikel 6:248 BW. [naam gedaagde] stelt in dat verband dat hij nimmer bereid zou zijn geweest een totale koopsom van $ 400.000,00 te betalen voor het beeld als hij wist dat er geen mogelijkheid tot exploitatie was. [naam gedaagde] verzoekt de rechtbank om in dit kader de reële waarde van het beeld door deskundigen te laten vaststellen en [naam eiser] te veroordelen tot nakoming van de exploitatie- en licentieovereenkomst.

4.14.

De rechtbank neemt in aanmerking dat voor een veroordeling tot nakoming (reeds) geen plaats is omdat [naam gedaagde] heeft nagelaten een daarop gerichte reconventionele vordering in te stellen. Het beroep op artikel 6:248 BW faalt ook voor het overige, hetgeen als volgt wordt toegelicht. Er ontbreekt een (gedocumenteerde) inschatting van de waarde van het beeld. Daardoor kan niet worden beoordeeld of het vasthouden aan de afgesproken koopsom in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bovendien heeft [naam gedaagde] op de comparitie (samengevat) verklaard dat hij tot de gekozen constructie is gekomen om [naam eiser] financieel te helpen, wat gebondenheid aan de afgesproken koopsom in de gegeven omstandigheden juist aanvaardbaar zou kunnen doen zijn. Tot slot voorziet artikel 4.5 van de koopovereenkomst in een optie voor [naam gedaagde] om het beeld in de daar genoemde situatie te kopen, maar in een verlaging van de koopsom is (ook) in die bepaling niet voorzien (r.o. 2.3).

4.15.

Nu de weren van [naam gedaagde] falen, betekent dat gelet op hetgeen in r.o. 4.5 is overwogen, dat de gevorderde hoofdsom met rente zal worden toegewezen.

4.16.

Er is niet gebleken dat er meer of andere kosten zijn gemaakt dan waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt te omvatten. De rechtbank ziet geen aanleiding een uitzondering op deze regel toe te staan voor de kosten van de Italiaanse gemachtigde van [naam eiser] die namens hem ter comparitie is verschenen. Derhalve zijn de door [naam eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 4.000,00 niet toewijsbaar.

4.17.

De beslagkosten zijn toewijsbaar. Deze zijn door [naam eiser] begroot op € 274,00 aan griffierecht, € 838,73 aan deurwaarderskosten en $ 97,00 voor de betekening in [land], derhalve in totaal op € 1.112,73 plus $ 97,00.

4.18.

[naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden tot op heden begroot op:

dagvaarding € 94,74

griffierecht 1.200,00

salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten x tarief VI)

Totaal € 5.294,74

vermeerderd met $ 97,00 aan explootkosten. Nu de kosten van aangetekende verzending niet nader zijn gespecificeerd, zijn deze niet toewijsbaar.

4.19.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiser] te betalen het bedrag van $ 326.607,50, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119a BW over $ 300.000,00 vanaf 2 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, inclusief de beslagkosten, tot op heden aan de zijde van [naam eiser] begroot op € 6.407,47 en $ 194,00, vermeerderd met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW over deze bedragen voor zover deze bedragen niet binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis zullen zijn voldaan,

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de nakosten van het geding, begroot op € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening van onderhavig vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 131,00 vanaf zeven dagen na het wijzen van dit vonnis indien dit bedrag niet binnen die termijn is voldaan en over het bedrag van € 68,00 vanaf zeven dagen na de dag dat dit bedrag opeisbaar is geworden, tot aan de dag van algehele voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.