Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:436

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
C-13-557324 - KG ZA 14-37
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een executoriaal beslag kan worden gelegd voor een geldvordering waarvoor de beslaglegger nog een schadestaatprocedure aanhangig moet maken. Voldoende is dat de geldvordering bepaalbaar is, de vordering hoeft niet reeds bepaald te zijn. De daadwerkelijke executie kan echter nog niet plaatsvinden zolang de vordering niet is bepaald. Een en ander volgt uit de artikelen 504a en 441 Rv. Het executoriale beslag krijgt op deze wijze het karakter van een conservatoir beslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 504a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2014/44 met annotatie van mr. E. Loesberg
NJF 2014/152
RBP 2014/49

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/557324 / KG ZA 14-37 HJ/MV

Vonnis in kort geding van 5 februari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAM PROPERTIES B.V.,

gevestigd te Almere,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 21 januari 2014,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.C. Koops te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Amstelveen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M. van Schie te Amsterdam.

Partijen zullen hierna RAM Properties en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 30 januari 2014 heeft RAM Properties gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. RAM Properties heeft de vordering in reconventie bestreden.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig [medewerkster RAM Properties] van RAM Properties met mr. Koops en [gedaagde] met mr. Van Schie.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurde van (de rechtsvoorgangster van) RAM Properties de winkelruimte op de begane grond van het pand aan de Eerste van der Helststraat 64 te Amsterdam. Op de achterzijde van het exemplaar van de huurovereenkomst van [gedaagde], die dateert van begin 1990, stond met de hand bijgeschreven: “Indien de verhuurder het pand wil verkopen, zal de eerste partij aan welke hij het pand dient aan te bieden, de huurder zijn. De huurder dient binnen twee weken hierover uitsluitsel te geven.
Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft [gedaagde] aan de toenmalige verhuurder een waarborgsom van NLG 12.500,- voldaan. Als productie 9 heeft [gedaagde] hiervan een kwitantie in het geding gebracht.

2.2.

In januari 2007 heeft RAM Properties het pand verkocht aan Joba Trust B.V. (hierna Joba). Joba heeft het pand doorverkocht aan [huidige eigenaar] (hierna [huidige eigenaar]). Zowel Joba als [huidige eigenaar] heeft een koopsom van € 985.000,- k.k. betaald. Beide leveringen hebben plaatsgevonden op 20 februari 2007. [huidige eigenaar] is thans nog steeds eigenaar van het pand.

2.3.

Na de verkoop aan Joba en [huidige eigenaar] heeft [gedaagde] RAM Properties in rechte betrokken, stellende dat RAM Properties haar aanbiedingsplicht heeft geschonden en dat hij op die grond schade heeft geleden. In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 14 december 2010 arrest gewezen. Hierin is RAM Properties veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Daarnaast is RAM Properties veroordeeld tot betaling van de proceskosten. RAM Properties heeft tegen het arrest van 14 december 2010 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad dit cassatieberoep afgewezen.

2.4.

[gedaagde] heeft ook Joba en [huidige eigenaar] in rechte betrokken, stellende dat zij misbruik hebben gemaakt van de door RAM Properties gepleegde wanprestatie. In deze procedure heeft het gerechtshof Amsterdam op 22 januari 2013 arrest gewezen. Hierin is voor recht verklaard dat Joba en [huidige eigenaar] aansprakelijk zijn voor alle schade die [gedaagde] heeft geleden en zal lijden en zijn Joba en [huidige eigenaar] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ook zijn Joba en [huidige eigenaar] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Joba heeft tegen het arrest van het gerechtshof cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft in deze zaak nog geen arrest gewezen.

2.5.

Bij deurwaardersexploot van 11 december 2013 is het arrest van 14 december 2010 aan RAM Properties betekend en is RAM Properties bevel gedaan “om binnen TWEE DAGEN NA HEDEN aan de inhoud van de ten deze betekende executoriale titel te voldoen, luidende als volgt:
-veroordeelt RAM Properties toe vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

2.6.

Op 16 december 2013 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagde] vier panden die eigendom zijn van RAM Properties in executoriaal beslag genomen. Het betreft de panden Heiligeweg 43/45, Muntplein 5, Leidsestraat 63-H/63-I en Leidsestraat 79/Prinsengracht 707-A alle te Amsterdam. In het beslagexploot van 16 december 2013 is onder meer opgenomen:

Welke titel bij exploot d.d. 11 december 2013, is betekend, met gelijktijdig bevel om binnen de daarbij gestelde termijn aan de inhoud daarvan te voldoen, aan welk bevel niet is voldaan. (…) En zulks teneinde bij verdere weigering van meergenoemde RAM Properties B.V. om aan voornoemd bevel tot betaling te voldoen, te worden verkocht ten overstaan van een nader aan te wijzen notaris (…)

2.7.

Op 17 december 2013 is het beslag betekend aan RAM Properties.

2.8.

Als productie 4 heeft [gedaagde] een e-mailbericht in het geding gebracht van 26 november 2013 van zijn raadsvrouw aan [huidige eigenaar]. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Vandaag heeft u met cliënt, de heer H. [gedaagde], mondeling overeenstemming bereikt over de (ver)koop van het pand aan de Eerste van de Helststraat 64 (…).
Uw vraagprijs bedroeg € 1.300.000,-- k.k. Partijen hebben overeenstemming bereikt over een koopsom van € 1.237.500,-- k.k. Partijen zijn overeengekomen dat het pand uiterlijk 1 februari 2014 in huidige staat zal worden geleverd. (…)
Partijen zien het verschil tussen de vraagprijs en de overeengekomen prijs als vergoeding door u aan cliënt van een deel van de door cliënt geleden schade. De overige schade zal cliënt verhalen op RAM Properties B.V. en mogelijke JoBa Trust B.V. Met de verleende korting op de koopprijs bent u jegens cliënt finaal gekweten.

3 Het geschil in conventie

3.1.

RAM Properties vordert – kort gezegd – het volgende:
I. opheffing van het op 16 december 2013 gelegde executoriale beslag;
II. [gedaagde] te verbieden op grond van het arrest van 14 december 2010 verdere executiemaatregelen te treffen jegens RAM Properties, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,-,
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

RAM Properties stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat de executie van het arrest van 14 december 2010 onrechtmatig is. [gedaagde] heeft nog steeds geen schadestaatprocedure aanhangig gemaakt, zodat RAM Properties al meer dan drie jaar in het duister tast over aard en omvang van de mogelijke schade. RAM Properties heeft de proceskostenveroordeling op grond van het arrest voldaan en zij heeft daarmee aan al haar voor executie vatbare verplichtingen voldaan. Op grond van artikel 504a Rv kan alleen executoriaal beslag op onroerende zaken worden gelegd voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is en dat is hier niet het geval. Met het leggen van beslag maakt [gedaagde] dan ook misbruik van bevoegdheid. Kennelijk tracht hij RAM Properties te bewegen om te komen tot een regeling buiten de schadestaatprocedure om. Niet bekend is wanneer [gedaagde] uiteindelijk de schadestaatprocedure zal aanvangen en het is onterecht dat het beslag al die tijd zal blijven liggen. Bovendien is op veel meer panden beslag gelegd dan wordt gerechtvaardigd door de (mogelijke) hoogte van de schadevergoeding. Ten bewijze hiervan heeft RAM Properties de WOZ-beschikkingen in het geding gebracht waaruit volgt dat de beslagen panden samen een waarde van meer dan € 5.500.000,- vertegenwoordigen. Het beslag hindert RAM Properties in ernstige mate omdat zij voornemens is een aantal van de beslagen panden te verkopen.

3.3.

[gedaagde] heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat hij heeft vernomen dat RAM Properties verschillende panden in Amsterdam wil verkopen en dat zij zich uit Nederland zal terugtrekken. Om te voorkomen dat verhaalsobjecten verloren zouden gaan, heeft hij executoriaal beslag gelegd. Dit kan niet als misbruik van bevoegdheid worden aangemerkt. Dat in het arrest van 14 december 2010 geen bepaald bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend, staat niet aan het leggen van executoriaal beslag in de weg. De vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, is immers bepaalbaar in de zin van artikel 504a Rv. De wet vereist niet dat de vordering reeds is bepaald. Wel is het zo dat [gedaagde] op grond van artikel 504a lid 2 Rv de executie niet kan voortzetten, zolang de vordering niet is bepaald. Wat dit punt betreft zijn de formuleringen in het deurwaardersexploot (zie 2.6 van dit vonnis) onjuist. Het door [gedaagde] gelegde beslag krijgt op deze wijze het karakter van een conservatoir beslag; het heeft een bewarende werking en kan pas verder worden vervolgd indien zich nieuwe rechtsfeiten voordoen. Omdat de wet niet bepaalt binnen welke termijn een schadestaatprocedure moet worden begonnen, is in dit geval geen sprake van onrechtmatige executie. [gedaagde] heeft gewacht met de schadestaatprocedure omdat hij die procedure tegelijkertijd tegen RAM Properties en Joba wil voeren en hij daarvoor eerst de uitkomst van het door Joba ingestelde cassatieberoep wil afwachten. De Hoge Raad zal binnen afzienbare tijd (mogelijk in maart 2014) arrest wijzen. De hoogte van de door [gedaagde] geleden schade kan overigens met een eenvoudige rekensom worden becijferd, te weten de huidige koopsom van het pand minus een reële koopsom van destijds (die volgens [gedaagde] lager lag dan het bedrag van € 985.000,-) plus alle (advocaat)kosten die [gedaagde] heeft moeten maken. De door RAM Properties opgegeven WOZ-waardes zeggen in het huidige economische klimaat niet veel over de werkelijke waarde van de panden, zodat het beslag ook niet gedeeltelijk kan worden opgeheven. Opheffing van het beslag kan naar de mening van [gedaagde] alleen aan de orde zijn indien RAM Properties voor een bedrag van € 950.000,- aan zekerheid stelt. Vordering II (een verbod tot het treffen van verdere executiemaatregelen) is niet toewijsbaar. Zolang er geen uitspraak is in de schadestaatprocedure, kan [gedaagde] op grond van de wet geen verdere executiemaatregelen treffen en hij zal dat dus ook niet doen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert – kort gezegd – het volgende:
1. Primair: betaling door RAM Properties van een voorschot van € 950.000,- op de geleden en nog te lijden schade, subsidiair een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente van de datum van dit vonnis;
2. RAM Properties te veroordelen tot terugbetaling van de waarborgsom van € 5.672,25 (= NLG 12.500,-);
3. met veroordeling van RAM Properties in de kosten van deze procedure.

4.2.

[gedaagde] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij voortuitlopend op de uitkomst van de schadestaatprocedure een voorschot op de schadevergoeding vordert. Hij heeft hierbij een spoedeisend belang; er wordt al bijna zeven jaar geprocedeerd en hij heeft het geld nodig om het pand – dat hij inmiddels van [huidige eigenaar] heeft gekocht – op te knappen en te herontwikkelen. Zoals in conventie reeds aangevoerd is de hoogte van de schade eenvoudig te berekenen. In oktober 2013 deed zich de unieke kans voor het pand alsnog te kopen. [gedaagde] moest deze aangrijpen omdat hij zijn bedrijf ter plaatse voort wil zetten en omdat de huurovereenkomst reeds was opgezegd. Bij het berekenen van de schade moet de situatie van nu worden afgezet tegen die van 2007, toen hij het pand ten onrechte niet heeft kunnen kopen. Hierbij moeten de advocaatkosten worden opgeteld. [gedaagde] heeft alle declaraties (opgeteld circa € 100.000,-) in het geding gebracht. Ook hij heeft hij als productie 8 een door een registeraccountant opgestelde schadeberekening in het geding gebracht. Hierin is de schade becijferd op € 1.019.739,-. In de eveneens in het geding gebrachte berekening van een andere accountant is de schade becijferd op (afgerond) € 1.000.000,-.
Voorts vordert [gedaagde] in reconventie terugbetaling van de waarborgsom. [gedaagde] heeft niet alleen de waarborgsom betaald, maar heeft in 1990 een bankgarantie gesteld voor bepaalde tijd en op 9 december 1996 een bankgarantie voor onbepaalde tijd. Terugbetaling van de waarborgsom is nadien in de vergetelheid geraakt. Uit een verklaring van de accountant van [gedaagde] (productie 10) blijkt dat de waarborgsom nog steeds in de balans is opgenomen. Als gevolg van de verkoop van het pand door [huidige eigenaar] aan [gedaagde] is terugbetaling van de waarborgsom actueel geworden. Volgens [huidige eigenaar] heeft hij geen waarborgsom onder zich. Bij de verkoop van het pand in 2007 is alleen de bankgarantie – niet de waarborgsom – overgedragen.

4.3.

RAM Properties heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat het instellen van de vorderingen in reconventie is geschied in strijd met de goede procesorde. Voorts heeft zij aangevoerd dat terughoudendheid is geboden bij de toewijzing van geldvorderingen in kort geding en dat [gedaagde] hierbij geen spoedeisend belang heeft. Bovendien volgt uit het feit dat het gerechtshof de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen dat de geldvordering niet eenvoudig is vast te stellen.
Over de waarborgsom voert RAM Properties aan dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:226 BW door [huidige eigenaar] is voortgezet en derhalve ook door [huidige eigenaar] zal moeten worden terugbetaald, nà het einde van de huurovereenkomst èn indien blijkt dat [gedaagde] het gehuurde correct heeft opgeleverd. Aan die laatste twee voorwaarden is (nog) niet voldaan. Als productie 10 heeft RAM Properties een (concept)afrekening van de notaris in het geding gebracht van februari 2007 waaruit volgt dat destijds de waarborgsommen van de huurders zijn verrekend bij de transactie tussen RAM Properties en Joba.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Allereerst dient in dit kort geding de vraag te worden beantwoord of een executoriaal beslag kan worden gelegd voor een vordering waarvoor de beslaglegger nog een schadestaatprocedure aanhangig moet maken. Uit artikel 504a Rv, dat inhoudelijk overeenstemt met artikel 441 Rv, volgt dat dit in beginsel mogelijk is. In dit geval is derhalve voor het leggen van het beslag voldoende dat de vordering van [gedaagde] (te zijner tijd) bepaalbaar is; de vordering hoeft niet reeds bepaald te zijn. Hiervoor wordt met name verwezen naar de toelichting bij artikel 441 Rv in Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, aantekening 1 en 2. Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat in een geval als het onderhavige een executoriaal beslag kan worden gelegd, echter zonder dat reeds daadwerkelijk kan worden geëxecuteerd. Het executoriale beslag krijgt hierdoor het karakter van een conservatoir beslag.

5.2.

De vraag of het leggen van een executoriaal beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

5.3.

In aanvulling op hetgeen onder 5.2 in zijn algemeenheid is overwogen, is in dit geval van belang dat [gedaagde] nog immer geen aanvang heeft gemaakt met de schadestaatprocedure, terwijl sprake is van een groot tijdsverloop sinds het arrest van het gerechtshof van 14 december 2010. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij daartoe een legitieme reden heeft, maar RAM Properties heeft daarentegen terecht aangevoerd dat deze situatie niet oneindig mag voortduren. Verder is in dit geval van belang dat een conservatoir beslag dat is gelegd voor een geldvordering dient te worden opgeheven indien zekerheid wordt gesteld voor de vordering zoals die door de voorzieningenrechter is begroot bij het verlenen van het verlof. In dit geval heeft het executoriale beslag hetzelfde karakter als een conservatoir beslag, met dit verschil dat RAM Properties niet kan bewerkstelligen dat het beslag wordt opgeheven tegen het stellen van zekerheid. In zoverre is RAM Properties slechter af dan bij een conservatoir beslag.

5.4.

Uitgaande van hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen en mede gezien hetgeen ter zitting is besproken geldt het volgende. RAM Properties heeft gesteld dat zij niet voornemens is het pand aan het Muntplein 5 te Amsterdam te verkopen (in tegenstelling tot de andere panden waarop het beslag rust). De WOZ-waarde van het pand aan het Muntplein bedraagt € 1.098.500,-. Gesteld noch gebleken is dat op dit pand hypothecaire lasten rusten of dat reeds door derden beslag is gelegd op dit pand. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat de WOZ-waarde in het huidige economische klimaat niet veel zegt over de daadwerkelijke waarde van een pand, maar de voorzieningenrechter is op dit punt van oordeel dat de WOZ-waarde op zijn minst genomen een belangrijke indicatie vormt voor de daadwerkelijke waarde. Mede gezien hetgeen hierna nog wordt overwogen over de mogelijke hoogte van de vordering van [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag op het pand aan het Muntplein meer dan voldoende zekerheid biedt voor die vordering. Het beslag op de overige drie panden zal dan ook worden opgeheven.

5.5.

Bovendien zal worden bepaald dat het beslag op het pand aan het Muntplein eveneens dient te worden opgeheven indien RAM Properties zekerheid stelt (in de vorm van een bankgarantie of in een vorm die gelijkwaardig is aan een bankgarantie) voor een bedrag van € 425.000,-. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag dat [gedaagde] in eerste aanleg bij de rechtbank van RAM Properties heeft gevorderd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt ook dit bedrag ruim voldoende zekerheid voor de vordering van [gedaagde]. Voorshands wordt [gedaagde] namelijk niet gevolgd in de wijze waarop hij zijn schade heeft begroot. Hij vergelijkt ten onrechte de situatie van 2007 met de huidige situatie en betrekt de (kennelijke) waardestijging van het pand in zijn schade. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de situatie van 2007 waarin RAM Properties de aanbiedingsplicht heeft geschonden te worden vergeleken met de situatie in 2007 waarin RAM Properties de aanbiedingsplicht niet zou hebben geschonden. Het bedrag aan schadevergoeding zal dan naar voorshands wordt aangenomen aanmerkelijk lager uitvallen. De aanbiedingsplicht van RAM Properties dan wel het voorkeursrecht van [gedaagde] zal op een bepaalde geldelijke waarde moeten worden getaxeerd die in hoofdzaak zal bestaan uit het verschil in waarde van het pand in verhuurde en in onverhuurde staat, beide in 2007. Ook valt thans niet in te zien dat alle juridische kosten die [gedaagde] heeft gemaakt, en die een substantieel gedeelte van zijn vordering uitmaken, door RAM Properties als schade vergoed zouden moeten worden. In beginsel geldt hiervoor immers het systeem als neergelegd in de artikelen 237 e.v. Rv en wordt in zaken als de onderhavige een kostenveroordeling volgens het liquidatietarief uitgesproken, die veelal niet de werkelijke kosten dekt.

5.6.

De conclusie tot zover is dat de vordering tot opheffing van het beslag in bovengenoemde zin zal worden toegewezen. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd is niet vereist dat RAM Properties hierbij een spoedeisend belang heeft als bedoeld in artikel 254 Rv. Het betreft hier een executiegeschil; RAM Properties vraagt een oordeel van de voorzieningenrechter op grond van artikel 438 Rv, niet op grond van artikel 254 Rv.

5.7.

De vordering [gedaagde] te verbieden op grond van het arrest van 14 december 2010 verdere executiemaatregelen te treffen jegens RAM Properties, is niet toewijsbaar. Gezien artikel 504a lid 2 Rv kan [gedaagde] op dit moment niet tot verdere executie overgaan, hetgeen hij ook heeft erkend. Pas indien uit de schadestaatprocedure een bepaald schadebedrag voortkomt, is het [gedaagde] toegestaan verdere executiemaatregelen te treffen.

5.8.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

RAM Properties heeft allereerst aangevoerd dat het indienen van de eis in reconventie in strijd is met de goede procesorde omdat [gedaagde] drie jaar de tijd heeft gehad voor het aanhangig maken van de schadestaatprocedure en omdat de vordering tot terugbetaling van de waarborgsom plotseling uit de lucht komt vallen. De voorzieningenrechter zal RAM Properties hierin niet volgen. De eis in reconventie is ongeveer 48 uur vóór aanvang van de terechtzitting ingediend, terwijl het Procesreglement vereist dat dit minimaal 24 uur van tevoren geschiedt. De aard van de vordering is gezien de samenhang met het geschil in conventie niet zodanig dat RAM Properties door een gebrek aan tijd in haar verdediging is geschaad.

6.2.

De gevorderde voorzieningen in reconventie strekken tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

6.3.

Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter partijen met betrekking tot de vordering tot betaling van (het voorschot op) de schadevergoeding medegedeeld dat zij allereerst dienen te bepleiten op welke gronden deze vordering al dan niet in aanmerking zou komen voor toewijzing in kort geding. Gezien het onder 6.2 weergegeven criterium is immers terughoudendheid geboden. Het is partijen in eerste instantie niet toegestaan om de vordering inhoudelijk te bespreken (anders dan in het kader van de in conventie besproken zekerheidsstelling waartegen het beslag zou kunnen worden opgeheven).

6.4.

Naar aanleiding van hetgeen vervolgens door partijen is bepleit is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat de vordering zich niet leent voor behandeling in kort geding. Het gerechtshof is tot verwijzing naar de schadestaatprocedure gekomen. Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de schade berekend zal moeten worden. Onder die omstandigheid is thans volstrekt onvoldoende vast te stellen hoe hoog de vordering mogelijkerwijs kan zijn. Derhalve kan ook geen voorschot worden bepaald. Dit gedeelte van de vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.

6.5.

Over de vordering tot terugbetaling van de waarborgsom is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook die niet voldoet aan het onder 6.2 weergegeven criterium. Deze verplichting is op grond van het bepaalde in artikel 7:226 lid 1 BW van rechtswege overgegaan op de verkrijger. Bovendien geldt dat de huurovereenkomst nog niet is geëindigd en dat nog geen inspectie van het gehuurde heeft plaatsgevonden, zodat deze vordering niet opeisbaar is.

6.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Gezien de samenhang met het geding in conventie zullen deze kosten in redelijkheid worden vastgesteld op € 408,- aan salaris advocaat (de helft van het tarief dat normaliter geldt in een kort geding).

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

7.1.

heft op de op verzoek van [gedaagde] gelegde beslagen op de navolgende onroerende zaken:
(1) Heiligeweg 43 en 45 te (1012 XP) Amsterdam (kadastraal gemeente Amsterdam, sectie F nummer 5638);
(2) Leidsestraat 63-H en 63-I te (1017 NX) Amsterdam (kadastraal gemeente Amsterdam, sectie I nummer 1976);
(3) Leidsestraat 79 te (1017 NX) Amsterdam en Prinsengracht 707-A te (1017 JW) Amsterdam (kadastraal gemeente Amsterdam, sectie I nummer 5143);

7.2.

bepaalt dat het beslag op de onroerende zaak aan het Muntplein 5 te (1017 CK) Amsterdam (kadastraal gemeente Amsterdam, sectie I nummer 177) wordt opgeheven indien en voor zover RAM Properties ten behoeve van [gedaagde] zekerheid stelt in de vorm van een bankgarantie (of in een vorm die gelijkwaardig is aan een bankgarantie) voor een bedrag van € 425.000,-;

7.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van RAM Properties tot op heden begroot op € 77,52 aan dagvaardingskosten, € 608,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat,

7.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie:

7.6.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van RAM Properties tot op heden begroot op € 408,- aan salaris advocaat,

7.8.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.1

1 type: MV coll: