Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4342

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
AWB 12-5545
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft de Ethiopische nationaliteit en haar twee minderjarige kinderen waarvoor zij zorgt, hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader van de kinderen is overleden. De verzoeken van eiseres om een verblijfsvergunning zijn afgewezen, net als haar aanvraag om bijstand.

Gelet op de uitspraak van 9 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:725, van de Afdeling en het arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277, van Hoge Raad, oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een zeer bijzonder geval als bedoeld in de arresten Zambrano en het arrest Dereci e.a. Eiseres heeft immers twee jonge kinderen die beiden staatsburger zijn van Nederland, waarvoor zij alleen zorgt, terwijl vaststaat dat de vader geheel uit beeld is. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom eiseres aan artikel 20 VWEU niet het recht zou ontlenen om op het grondgebied van Nederland te verblijven. Verweerder is, door slechts te verwijzen naar een beslissing van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en door slechts in algemene termen aan te geven haar standpunt te handhaven, hierop onvoldoende ingegaan. Verweerder heeft dan ook niet kunnen volstaan met het ingenomen standpunt dat het weigeren van de bijstand niet zal leiden tot een bijzondere situatie als bedoeld in de arresten Zambrano en Dereci e.a.

Omdat niet op voorhand is uit te sluiten dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht heeft, dient naar het oordeel van de rechtbank haar de gelegenheid te worden geboden hier te lande in het onderhoud van haar kinderen en van haarzelf te voorzien. De rechtbank ziet daarom aanleiding een voorziening te treffen. Verweerder dient aan eiseres en haar kinderen tezamen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bij voorschot vanaf de datum van deze uitspraak een zodanige uitkering te verstrekken dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorzien in hun onderhoud. Het voorschot dient, rekening houdend met de aan de kinderen verstrekte bijstand, te waarborgen dat in totaal een uitkering berekend naar de norm van een alleenstaande ouder wordt verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5545

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2014 in de zaak tussen

[naam],

wonende te[woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een bijstandsuitkering afgewezen, omdat zij niet beschikt over een verblijfstitel.

Bij besluit van 3 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Kruseman, waarnemend voor de gemachtigde. Verweerder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend in afwachting van een uitspraak de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en van een arrest van de Hoge Raad op het ingestelde cassatieberoep tegen de uitspraak in van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2012, (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173).

Bij brief van 5 november 2013 heeft de rechtbank verweerder gevraagd te reageren op de inmiddels ontstane rechtspraak. Verweerder heeft de rechtbank op 19 december 2013 een reactie doen toekomen. De rechtbank heeft de zaak opnieuw op zitting geagendeerd op 10 april 2014. Verweerder heeft vervolgens verzocht om uitstel in verband met nader overleg, welk uitstel is verleend. Op 11 juni 2014 heeft verweerder een nadere reactie aan de rechtbank doen toekomen.

Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder nadere zitting.

Overwegingen

1.1. Eiseres, van Ethiopische nationaliteit, verblijft sinds 2000 zonder verblijfsvergunning hier te lande. De kinderen van eiseres zijn [kind 1], geboren op [geboortedatum] en [kind 2], geboren [geboortedatum]. Zij hebben op grond van de nationaliteit van hun vader de Nederlandse nationaliteit. De vader van de kinderen is op [datum] overleden. Eiseres draagt als enige zorg voor deze kinderen.

1.2. De verzoeken van eiseres om een verblijfsvergunning asiel zijn afgewezen. Op 29 juni 2011 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘gezinsleven conform artikel 8 EVRM’ ingediend, welke aanvraag is afgewezen. Het ingestelde bezwaar en beroep zijn ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 12 juni 2013 opnieuw bij de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij beschikking van 24 juli 2013. Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend, welk bezwaar bij beschikking van 8 november 2013 ongegrond is verklaard.

1.3. De kinderen van eiseres ontvangen van verweerder zogeheten “kinderbijstand” ter hoogte van € 203,-.

1.4. Eiseres heeft op 24 januari 2012 een aanvraag gedaan om bijstand. Bij het primaire besluit is die aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Bij het bestreden besluit is dit standpunt gehandhaafd. Eiseres heeft op grond van artikel 11, eerste lid van de Wet werk en bijstand (WWB) geen recht op bijstand en is evenmin bij of krachtens artikel 11 tweede of derde lid van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld, aldus verweerder. Eiseres heeft vervolgens een beroep gedaan op onder meer de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C-34/09 en van 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11.

2.1. Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB, wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

2.3. Ingevolge artikel 20, eerste lid, VWEU wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 20 van het VWEU genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

3.1. In het kader van het beroep dat eiseres doet op de arresten Ruiz Zambrano en Dereci e.a. van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de volgende jurisprudentie van belang.

3.2. De CRvB heeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 17 december 2012 in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) geoordeeld dat uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat voor de belanghebbende in die zaak uit artikel 20 van het VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van haar kind, indien haar kind zich bevindt in een situatie als bedoeld in de genoemde arresten. Bij de beoordeling of zij aanspraak kan maken op kinderbijslag dient de Sociale verzekeringsbank (Svb) daarom allereerst te onderzoeken of er sprake is van zodanige omstandigheden dat het kind feitelijk moet worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als aan appellante een verblijfsrecht wordt ontzegd. Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven, brengt het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid van het VWEU (voorheen artikel 10 EG-Verdrag), met zich mee dat de autoriteiten van de lidstaten onderling, maar ook binnen de lidstaat met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Het ligt dan ook op de weg van de Svb, belast met de uitvoering van de AKW, om, aan de hand van door appellante verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris genoegzaam te onderzoeken of appellante aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen.

3.3. De Afdeling heeft bij een uitspraak van 9 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:725, overwogen dat, indien een burger van de Unie zodanig afhankelijk is van een burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie feitelijk wordt gedwongen met de burger van het derde land het grondgebied van de Unie te verlaten, aangenomen moet worden dat het recht van burgers van derde landen om onder de in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci bedoelde omstandigheden bij hun kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 van het VWEU. Daarbij heeft de Afdeling uitdrukkelijk verwezen naar de voornoemde uitspraak van de CRvB van 17 december 2012.

3.4. De Hoge Raad heeft in een arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277, naar aanleiding van het tegen de uitspraak van de CRvB ingestelde cassatieberoep geoordeeld dat uit het arrest Zambrano en het arrest Dereci e.a. volgt dat een staatsburger van een derde land in zeer bijzondere gevallen aan artikel 20 VWEU het recht ontleent om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven. Daarvan is sprake indien een ontzegging van dat verblijf – als die zou plaatsvinden – tot gevolg zou hebben dat een kind van de betrokkene dat burger is van de Unie, feitelijk wordt verplicht om – met de ouder – het grondgebied van de lidstaat waarvan het kind staatsburger is en tevens het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten. In deze gevallen vloeit het verblijfsrecht van een staatsburger van een derde land rechtstreeks voort uit het VWEU. Naar de CRvB terecht heeft aangenomen, is voor het bestaan van een dergelijk verblijfsrecht dan ook geen beslissing van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vereist tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en evenmin de afgifte door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van enig document, dat slechts het bestaan van dit recht bevestigt. Het bestaan van een dergelijk afgeleid verblijfsrecht is evenmin afhankelijk van enig handelen of nalaten van een lidstaat dat tot gevolg heeft dat ouder en kind gedwongen zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Ook daarvan is de CRvB terecht uitgegaan, aldus de Hoge Raad. Indien aldus uit artikel 20 VWEU voortvloeit dat een staatsburger van een derde land het recht heeft in Nederland te verblijven, brengt een redelijke uitleg van de Vreemdelingenwet 2000 in het licht van het recht van de EU met zich dat die burger hier te lande rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Volgens de Hoge Raad brengt dit mee dat een dergelijke persoon rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van één van de bepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000 die worden genoemd in artikel 6, lid 2, van de AKW, en dat hij dus niet op grond van dat artikellid van de kring der verzekerden wordt uitgesloten. De CRvB heeft dan ook terecht aangenomen dat artikel 6, lid 2, van de AKW op een dergelijke persoon niet van toepassing is.

4.1. De rechtbank heeft partijen naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2013 alsmede de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6534, in de gelegenheid gesteld te reageren. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan verklaard dat informatie is opgevraagd bij de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, te weten bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Vervolgens is de (hiervoor in 1.2 vermelde) beslissing van 8 november 2013 van de IND is ontvangen, maar daaruit blijkt dat eiseres geen verblijfsvergunning heeft. Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie heeft eiseres niet langer code 31 maar code 98 en is zij geëmigreerd, aldus verweerder.

4.2. Eiseres heeft vervolgens verklaard dat zij in de gemeentelijke opvang verblijft en niet uit Nederland is vertrokken. Ze is in afwachting van een Ethiopisch paspoort. Na ontvangst zal zij bij de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie opnieuw een aanvraag indienen, ter verkrijging van een document waaruit rechtmatig verblijf als familielid van een gemeenschapsonderdaan blijkt.

4.3. Verweerder heeft vervolgens informatie toegezonden over de vraag die de CRvB aan verweerder heeft gesteld naar aanleiding van met name het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014. Uit die informatie leidt de rechtbank af dat verweerder in de onderhavige zaak het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van het verblijfsrecht van eiseres handhaaft, aangezien geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op basis waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de kinderen van eiseres door de besluitvorming feitelijk wordt verplicht om – met de ouder – het grondgebied van Nederland en tevens het grondgebied van de EU als geheel te verlaten.

5.1. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een zeer bijzonder geval als bedoeld in de arresten Zambrano en het arrest Dereci e.a. Eiseres heeft immers twee jonge kinderen die beiden staatsburger zijn van Nederland, waarvoor zij alleen zorgt, terwijl vaststaat dat de vader geheel uit beeld is. Hij is overleden. Deze feiten wijzen er op dat een ontzegging van het verblijf in Nederland van eiseres, als die zou plaatsvinden, tot gevolg zou hebben dat de kinderen van eiseres feitelijk worden verplicht om met eiseres het grondgebied van Nederland en tevens het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom eiseres aan artikel 20 VWEU niet het recht zou ontlenen om op het grondgebied van Nederland te verblijven. Verweerder is, door slechts te verwijzen naar een beslissing van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en door slechts in algemene termen aan te geven haar standpunt te handhaven, hierop onvoldoende ingegaan. De rechtbank merkt op dat de beslissing van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet de mogelijke rechtstreekse toepassing van artikel 20 VWEU betreft. Bovendien heeft verweerder volgens de Hoge Raad in het eerder genoemde arrest een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de vraag, of eiseres aan artikel 20 VWEU een verblijfsrecht kan ontlenen en of zij, als gevolg daarvan, mogelijkerwijs in aanmerking komt voor bijstand. Verweerder heeft dan ook niet kunnen volstaan met het ingenomen standpunt dat het weigeren van de bijstand niet zal leiden tot een bijzondere situatie als bedoeld in de arresten Zambrano en Dereci e.a.

5.2. Mocht de conclusie worden getrokken dat eiseres aan artikel 20 VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht ontleent, dan brengt volgens de Hoge Raad in het eerder aangehaalde arrest een redelijke uitleg van de Vreemdelingenwet 2000 in het licht van het recht van de EU met zich dat zij hier te lande rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Naar het oordeel van de rechtbank zou dat voorts betekenen dat eiseres rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van één van de bepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000 die worden genoemd in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Om die reden kan zij dan dus niet op grond van dat artikellid van de kring van bijstandsgerechtigden worden uitgesloten.

5.3. Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

5.4. Omdat niet op voorhand is uit te sluiten dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht heeft, dient naar het oordeel van de rechtbank haar de gelegenheid te worden geboden hier te lande in het onderhoud van haar kinderen en van haarzelf te voorzien. De rechtbank ziet daarom aanleiding een voorziening te treffen. Verweerder dient aan eiseres en haar kinderen tezamen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bij voorschot vanaf de datum van deze uitspraak een zodanige uitkering te verstrekken dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorzien in hun onderhoud. Het voorschot dient, rekening houdend met de aan de kinderen verstrekte bijstand, te waarborgen dat in totaal een uitkering berekend naar de norm van een alleenstaande ouder wordt verstrekt. De rechtbank merkt op dat verweerder hiertoe, als bestuursorgaan dat de WWB uitvoert, is aangewezen. De voorlopige voorziening vervalt op de dag na zes weken na het nieuw te nemen besluit.

6.

Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten begroot op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt = € 487,-, met een wegingsfactor 1). Tevens zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 42,- aan haar dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- treft een voorlopige voorziening als hiervóór omschreven onder 5.4;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van
    € 974,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

de griffier

de rechter

De griffier is verhinderd om de uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:

SB