Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4230

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
C/13/554413 / HA ZA 13-1739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KLM is niet aansprakelijk voor de schade die een passagier op één van haar vluchten heeft geleden als gevolg van een anafylactische shock na het eten van een couscousgerecht aan boord. De passagier had KLM aansprakelijk gesteld voor zijn schade omdat KLM volgens hem niet de nodige maatregelen had genomen om die te voorkomen. Hij had het cabinepersoneel immers voorafgaand aan de vlucht gewaarschuwd dat hij allergisch was voor noten en schaaldieren. De rechtbank is van oordeel dat de gebeurtenis niet kan worden aangemerkt als een ongeval in de zin van de toepasselijke verdragen van Warschau en Montreal. De rechtbank komt tot die conclusie, nadat zij heeft vastgesteld dat het gerecht geen noten of schaaldieren bevatte. Als het gerecht desondanks tot een allergische reactie heeft geleid (hetgeen door KLM is betwist), ligt het voor de hand dat de allergie van de passagier omvangrijker was dan hij zelf wist. Om die reden is de allergische reactie in elk geval niet te kwalificeren als een gebeurtenis die buiten de persoon van de passagier ligt, maar moet deze worden beschouwd als een louter interne reactie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 6 171
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/105
TGMA 2014/15 met annotatie van Mr. drs. T.J.C. van Noord
NTHR 2014, afl. 5, p. 269
S&S 2015/58

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/554413 / HA ZA 13-1739

(voorheen zaaknummer / rolnummer: 488106 / HA ZA 11.1151)

Vonnis van 30 juli 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

eiser,

advocaat mr. L.G.J. Hendrix,

tegen

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge.

Partijen zullen hierna [eiser] en KLM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2011, met producties,

  • -

    de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol van 13 juli 2011,

  • -

    de ambtshalve doorhaling van de zaak op de rol van 3 oktober 2012,

  • -

    de akte opbrenging zaak tevens akte overlegging producties van 27 november 2013,

  • -

    de conclusie van antwoord van 22 januari 2014, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarbij een comparitie is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de op 12 juni 2014 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 31 maart 2009 aan boord van KLM vlucht KL0644 vertrokken vanuit New York (Verenigde Staten van Amerika) met als bestemming Amsterdam. Vervolgens is hij op 1 april 2009 aan boord van KLM vlucht KL589 Business Class vertrokken vanuit Amsterdam met als bestemming Accra (Ghana).

2.3.

Tijdens de vlucht naar Ghana is [eiser] als gevolg van een allergische reactie in een anafylactische shock geraakt. Een aan boord aanwezige arts heeft hulp verleend en heeft de gezagvoerder geadviseerd te landen. Het toestel is vervolgens in Madrid geland, waar [eiser] van boord is gegaan om in het ziekenhuis te worden behandeld. [eiser] is daarna niet alsnog naar Ghana gereisd, maar is naar zijn moederland Noorwegen gegaan en later van daaruit terug naar zijn woonplaats Miami.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover mogelijk, kort weergegeven:

I. een verklaring voor recht dat KLM aansprakelijk is voor de door het ongeval door [eiser] geleden en nog te lijden schade;

II. veroordeling van KLM tot betaling van de voorlopig begrote schade van € 1.116.114,43 en € 4.779,43, te vermeerderen met rente, althans veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat;

III. veroordeling van KLM tot betaling van € 150.000,-- als voorschot op de schadevergoeding, tenminste van € 22.241,60;

IV. veroordeling van KLM tot betaling van € 4.500,-- exclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten;

V. veroordeling van KLM in de kosten van het geding alsmede de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - samengevat - primair ten grondslag dat KLM op grond van de vervoersovereenkomst en artikel 17 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer gesloten te Warschau op 12 oktober 1929, zoals gewijzigd bij Protocol van ’s-Gravenhage van 28 september 1955 (hierna: het Verdrag van Warschau) aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van de anafylactische shock geleden en te lijden schade. De anafylactische shock is veroorzaakt doordat KLM [eiser] aan boord van het vliegtuig voedsel heeft geserveerd waarvoor hij allergisch is, terwijl [eiser] van zijn allergie voor noten en schaaldieren melding had gemaakt. Dit levert een ongeval op in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Warschau, waarvoor KLM als vervoerder aansprakelijk is. Subsidiair en meer subsidiair is voornoemde handelwijze van KLM en haar personeel onrechtmatig in de zin van de artikelen 6:162, 6:170 en 6:171 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.3.

KLM heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of KLM op grond van de vervoersovereenkomst aansprakelijk is jegens [eiser] voor de gevolgen van de anafylactische shock.

4.2.

Tussen partijen is in geschil op grond van welk verdrag die vraag moet worden beantwoord. Volgens [eiser] is het Verdrag van Warschau van toepassing, maar volgens KLM het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer zoals gesloten is te Montreal op 28 mei 1999 (hierna: het Verdrag van Montreal). In beide verdragen is de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder geregeld in artikel 17 en deze artikelen bepalen beide – kort gezegd en voor zover hier van belang – dat de luchtvervoerder aansprakelijk is voor schade ontstaan in geval van lichamelijk letsel van een passagier wanneer het ongeval dat het letsel heeft veroorzaakt, heeft plaats gehad aan boord van het vliegtuig.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie die onder het Verdrag van Warschau is gewezen, is een ‘ongeval’ een ‘unexpected and unusual event or happening that is external to the passenger’. Onder het Verdrag van Montreal dient het begrip ‘ongeval’ op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Voor de vraag of KLM aansprakelijk is voor de anafylactische shock van [eiser] is daarom doorslaggevend of (de oorzaak van) deze shock als een ‘ongeval’ in deze zin is aan te merken, ongeacht of het Verdrag van Warschau of het Verdrag van Montreal van toepassing is. Gelet daarop zal, mede omdat partijen het debat over de vraag welk verdrag van toepassing is niet ten volle hebben gevoerd, de rechtbank in het midden laten welk van de twee verdragen hier dient te worden toegepast.

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of hier sprake is van een ‘ongeval’ stelt de rechtbank voorop dat de anafylactische shock op zichzelf als onverwachte en ongewone gebeurtenis kan worden beschouwd, maar dat de allergie van [eiser] voor noten en schaaldieren die tot de shock heeft geleid in beginsel alleen een interne reactie is die, zonder andere bijkomende omstandigheden, dus juist niet buiten zijn persoon is gelegen en dus niet ‘external to the passenger’ is.

4.5.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat toch sprake is van een gebeurtenis die buiten zijn persoon ligt, omdat KLM hem een maaltijd heeft toegediend die producten bevatte waarvoor hij had aangegeven allergisch te zijn. [eiser] stelt dat hij niet alleen de stewardess die hem in de business class bediende, maar ook andere leden van de cabinebemanning heeft ingelicht over zijn allergie door te zeggen: “I am deadly allergic to nuts and shellfish”. Vervolgens, zo stelt hij, heeft de stewardess met hem de verschillende hoofdgerechten op de menukaart doorgenomen en aangewezen welke daarvan hij mocht hebben en van welke daarvan zij dat niet wist. Er was maar één voorgerecht. Dat was een couscousgerecht, waarvan de stewardess niet heeft gezegd dat hij het niet mocht hebben. Kort na het eten van het voorgerecht en vóór het hoofdgerecht is de allergische reactie opgetreden, zodat geconcludeerd moet worden dat de couscous (sporen van) noten en/of schaaldieren en/of daarvan afgeleide producten moet hebben bevat. Daarmee staat, volgens [eiser], vast dat KLM hem ondanks zijn waarschuwing toch voedsel heeft gegeven waarvoor hij allergisch is en daarmee is in zoverre sprake van een buiten zijn persoon gelegen gebeurtenis.

4.6.

KLM betwist de door [eiser] gegeven lezing van de gang van zaken aan boord. Hoe de feiten precies liggen, kan echter in het midden blijven. Ook als de lezing van [eiser] wordt gevolgd, is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen sprake van een ‘ongeval’ in de zin van de Verdragen van Warschau en Montreal. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.

Als de lezing van [eiser] wordt gevolgd, dan heeft hij gezegd dat hij “dodelijk allergisch” is voor “noten en schaaldieren”. Het was dan vervolgens aan KLM om hem geen voedsel te serveren waarvan duidelijk was dat dit noten en/of schaaldieren bevatte. Vast staat dat [eiser], behalve het couscousgerecht, geen ander door KLM aan boord geserveerd voedsel heeft gegeten. KLM heeft de ingrediëntenlijst van het couscousgerecht overgelegd en hierop staan geen noten en/of schaaldieren vermeld. Dat het gerecht desondanks dergelijke producten bevatte, is gesteld noch gebleken en kan daarom niet worden aangenomen. [eiser] heeft wel de mogelijkheid geopperd dat er een nootje in het gerecht terecht is gekomen, maar bij gebrek aan concrete aanknopingspunten dat dit daadwerkelijk het geval is geweest, moet die suggestie als louter theoretisch en dus te vaag terzijde worden gesteld. Als het gerecht niettemin tot een allergische reactie heeft geleid (KLM betwist ook dat en stelt dat de reactie wellicht is veroorzaakt door zelf meegebracht voedsel), dan ligt het voor de hand dat de allergie van [eiser] omvangrijker was dan hij zelf wist. De, door [eiser] ter comparitie erkende, mogelijkheid blijft dan open dat hij ook allergisch is voor overgebrachte sporen van noten en/of schaaldieren en voor producten die afgeleiden daarvan bevatten. [eiser] heeft niet gesteld dat hij de stewardess heeft verteld dat zijn allergie zo ernstig was; hij stelt alleen te hebben gezegd allergisch te zijn voor noten en schaaldieren. Het was echter aan [eiser] om KLM op de hoogte te stellen van de ernst van zijn allergie en niet aan KLM om er bij hem op door te vragen. Van de stewardess mag immers geen vergaande medische kennis worden verwacht. Onder deze omstandigheden is geen sprake van nalatigheid van KLM in de jegens [eiser] te betrachten zorg, die zou kunnen maken dat de onverwachte en ongewone gebeurtenis van de anafylactische shock ‘external to the passenger’ is. Dat betekent dat de allergische reactie van [eiser] niet is te kwalificeren als een gebeurtenis die buiten zijn persoon ligt, maar moet worden beschouwd als een louter interne reactie. Dit leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een ‘ongeval’ in de zin van de Verdragen van Warschau en Montreal. De primaire grondslag van de vordering kan dus niet leiden tot aansprakelijkheid van KLM voor schade die [eiser] als gevolg van de anafylactische shock heeft geleden.

4.8.

Subsidiair en meer subsidiair beroept [eiser] zich op de artikelen 6:162 BW, 6:170 BW en 6:171 BW. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt echter ook tot de conclusie dat KLM geen jegens [eiser] in acht te nemen (zorgvuldigheids)norm heeft geschonden en dat de stewardess geen fout heeft gemaakt, zodat de vordering op die grondslag evenmin toewijsbaar is, nog daargelaten of het mogelijk is naast de verdragsrechtelijke ook nationaalrechtelijke bepalingen aan de vordering ten grondslag te leggen.

4.9

Al het voorgaande leidt er toe dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld en aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KLM worden begroot op:

- griffierecht € 3.537,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 9.959,00.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KLM tot op heden begroot op € 9.959,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, mr. L. van Berkum en mr. B. van Berge Henegouwen en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.