Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4206

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
AWB-14_7260 em AWB-14_7261
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 9, vierde lid, van de Dublin II-verordening is van toepassing. Dit betekent dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, indien het visum eiseres daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. Uit het verzoek van verweerder aan de Italiaanse autoriteiten blijkt dat hij daarbij uiteen heeft gezet hoe eiseres volgens haar eigen verklaringen Nederland is ingereisd en kopieën van de door eiseres ter ondersteuning van haar reisverhaal overgelegde stukken heeft meegezonden. De Italiaanse autoriteiten hebben bevestigd dat zij zich op grond van artikel 9, vierde lid, verantwoordelijk achten. Daarmee is Italië verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag en is verweerder niet gehouden zich ervan te vergewissen dat dit land zich terecht verantwoordelijk acht. Dat betekent dat verweerder niet gehouden is te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk op het visum Nederland is ingereisd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/7260 (beroep)

AWB 14/7261 (voorlopige voorziening)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 15 juli 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedag]1986, van Oegandese nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde mr. W. Koetsier-van der Kamp),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. A.M. de Wit).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op 26 maart 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen alsmede een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig C.E. Lingen, als tolk in de Engelse taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1 Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Vo 604/2013) heeft met ingang van 1 januari 2014 Vo 343/2003 vervangen. Op grond van artikel 49 van Vo 604/2013 is de nieuwe verordening van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf 1 januari 2014, ongeacht de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is gedaan. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 1 januari 2014 is ingediend, wordt bepaald volgens de in Vo 343/2003 bepaalde criteria. Eiseres heeft op 19 december 2013 de asielaanvraag ingediend. Dat betekent dat op grond van voormelde bepaling Vo 343/2003 van toepassing is voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres.

1.3 Op grond van artikel 9, tweede lid, van Vo 343/2003 - voor zover hier van belang - is, wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, de lidstaat die dit visum heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

1.4 Op grond van het vierde lid van dit artikel is het tweede lid van toepassing, wanneer de asielzoeker houder is van één of meer visa die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, zolang de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

2.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen omdat is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten een visum hebben verleend aan eiseres, geldig van 5 oktober tot 5 november 2013. Op 20 januari 2014 heeft verweerder de autoriteiten van Italië verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 9, vierde lid, van Vo 343/2003.

3.1

Eiseres stelt dat artikel 9, vierde lid, van Vo 343/2003 niet van toepassing is omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van het visum.

3.2

Op grond van artikel 5, tweede lid, van Vo 343/2003 wordt de verantwoordelijkheid van de lidstaten vastgesteld op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient. Dat betekent dat in dit geval moet worden gekeken naar de situatie op 19 december 2013. De rechtbank stelt vast dat het visum op dat moment minder dan zes maanden was verlopen. Daarom is niet het tweede, maar het vierde lid van artikel 9 van Vo 343/2003 van toepassing. Dit betekent dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, indien het visum eiseres daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat. Uit het verzoek van verweerder aan de Italiaanse autoriteiten blijkt dat hij daarbij uiteen heeft gezet hoe eiseres volgens haar eigen verklaringen Nederland is ingereisd en kopieën van de door eiseres ter ondersteuning van haar reisverhaal overgelegde stukken heeft meegezonden. Bij brief van 11 maart 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten bevestigd dat zij zich op grond van artikel 9, vierde lid, van Vo 343/2003 verantwoordelijk achten voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet hierop en bezien in het licht van onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW5628) en van 17 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1063) is Italië daarmee verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag en is verweerder niet gehouden zich ervan te vergewissen dat dit land zich terecht verantwoordelijk acht. Dat betekent dat verweerder niet gehouden is te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk op het visum Nederland is ingereisd. Voorts is niet gebleken van zeer bijzondere, met de asielaanvraag samenhangende, omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De beroepsgrond faalt.

4.1

Daarnaast stelt eiseres dat verweerder niet heeft kunnen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat haar overdracht aan Italië in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres is lesbisch en in Italië hebben homoseksuelen en lesbiennes te maken met discriminatie. Eiseres verwijst onder meer naar het “Country Report on Human Rights Practices for 2013” inzake Italië van het United States Department of State.


4.2 De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2578) onder meer overwogen dat hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, het door de vreemdeling in die zaak aangevoerde, waaronder ook het rapport waarop eiseres zich in deze zaak heeft beroepen, geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de situatie van asielzoekers ten tijde van belang niet wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die aan de orde was in de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014 in de zaken met nummers 201309818/1/V4, 201310166/1/V4 en 201310669/1/V4 en de daarin meegewogen recente arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en dat zich ook thans geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen. In dezelfde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in het bijzonder de door verweerder tijdens de zitting gegeven informatie geen grond biedt voor het oordeel dat de situatie voor terugkerende Dublinclaimanten sinds voormelde uitspraken zodanig is verslechterd dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

4.3

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2014 overweegt de rechtbank dat de algemene situatie in Italië geen aanleiding vormt voor het oordeel dat de overdracht van eiseres aan Italië strijd zou opleveren met artikel 3 van het EVRM. Daarnaast is niet gebleken dat de levensomstandigheden in Italië voor homoseksuelen en lesbiennes zodanig slecht zijn dat eiseres vanwege haar seksuele geaardheid in Italië een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM te wachten zou staan. Dat Italië niet, zoals Nederland, speciaal beleid heeft ten aanzien van homoseksuelen en lesbiennes afkomstig uit Oeganda, betekent niet dat eiseres gerefouleerd zal worden naar Oeganda. Op grond van het hiervoor genoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel moet er immers vanuit worden gegaan dat ook in Italië de asielaanvraag van eiseres op zijn eigen merites zal worden beoordeeld. De beroepsgrond van eiseres faalt.

5.

De rechtbank verklaart het beroep gezien het vorenstaande ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6.

De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/7260,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/7261,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AG

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.