Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4200

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
C-13-520904 - HA ZA 12-814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR, bevoegdheidsincident. Verzekeringsrecht. Toepasselijk recht vastgesteld. Geen overgang van vorderingen. Verzekeraar onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/520904 / HA ZA 12-814

Vonnis in incident van 16 juli 2014

in de zaak van

de vennootschap naar Oostenrijksrecht

ZÜRICH VERSICHERUNGS A.G.,

gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.F. Collignon-Smit Sibinga te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht,

LAG TRAILERS N.V.,

gevestigd te Bree (België),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Zürich en Lag genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 april 2012, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheids- en vrijwaringsincident, met een productie,

  • -

    de conclusie van repliek in het bevoegdheids- en vrijwaringsincident, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek in het bevoegdheids- en vrijwaringsincident,

  • -

    het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 28 mei 2014, met de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van mr. W.E. van Spanje, advocaat van Lag, naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

In het kader van dit incident zal de rechtbank van de volgende feiten uitgaan:

2.2.

Lag is een producent van opleggers. Zürich is de verzekeraar van POLL NUSSBAUMER Transportgesellschaft mbH (hierna: Poll) een Oostenrijkse transportonderneming.

2.3.

Bij overeenkomst van 16 maart 2006 heeft Poll van Lag vier opleggers gekocht. Lag heeft bij die overeenkomst haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 10 van die algemene voorwaarden is opgenomen:

10 GESCHILLEN:

Voor alle geschillen tussen partijen zijn alleen de rechtbanken van het arrondissement Tongeren bevoegd.

2.4.

Op 10 oktober 2008 heeft een medewerker van Poll met één van de desbetreffende opleggers een lading talkpoeder willen afleveren bij Cargill B.V. te Amsterdam (hierna: Cargill). Bij het lossen is de oplegger gekanteld, waardoor schade aan de oplegger en aan de opstallen van Cargill is ontstaan.

2.5.

Cargill heeft Zürich, als verzekeraar van Poll, rechtstreeks aangesproken. Zürich heeft Cargill volledig schadeloos gesteld.

3 HET GESCHIL IN HOOFDZAAK EN INCIDENT

3.1.

In de hoofdzaak stelt Zürich dat (naast Poll ook) Lag jegens Cargill aansprakelijk is. Lag heeft, aldus Zürich, jegens Cargill onrechtmatig gehandeld door het op de markt brengen van de ondeugdelijke oplegger. Zürich heeft als verzekeraar van Poll de vordering van Cargill op Poll voldaan en is daarmee gesubrogeerd in de rechten van Cargill. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt uit het feit dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Zürich vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat Lag onrechtmatig heeft gehandeld jegens Cargill, een verklaring voor recht dat Lag aansprakelijk is voor de schade van Cargill en een veroordeling van Lag tot betaling aan Zürich van € 767.600,00, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.

In het incident vordert Lag (primair) dat de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard. Zürich is niet in de rechten van Cargill gesubrogeerd, maar in de rechten van Poll. Lag kan zich jegens Poll, en dus jegens Zürich, beroepen op de forumkeuze in haar overeenkomst met Poll. Subsidiair vordert Lag dat haar zal worden toegestaan om Poll op te roepen in vrijwaring.

3.3.

Zürich refereert zich met betrekking tot de subsidiaire vrijwaringsvordering aan het oordeel van de rechtbank. Tegen de primaire vordert voert zij aan dat zij Kraftfahrzeug Haftplicht Versicherer (de Oostenrijkse WAM-verzekeraar) is van Poll. Op grond van artikel 6:12 van het burgerlijk wetboek (BW) kan Zürich regres nemen op Lag. De algemene voorwaarden van Lag zijn op die regresvorderingen niet van toepassing. Subsidiair voert Zürich aan dat de algemene voorwaarden tussen Lag en Poll niet rechtsgeldig overeen zijn gekomen en meer subsidiair voert Zürich aan dat de forumkeuze te breed is geformuleerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1.

In het kader van dit incident zal de rechtbank eerst de rechtsverhouding tussen partijen te kwalificeren, nu aan de hand daarvan moet worden vastgesteld of het forumkeuzebeding tussen partijen geldt. . Daarvoor is van belang uit hoofde van welke vordering Zurich ageert. Zürich stelt dat zij rechtstreeks in de rechten van Cargill jegens Lag is getreden (“directe subrogatie”) en subsidiair dat zij in de rechten van Poll is getreden, die op haar beurt in de rechten van Cargill jegens Lag is getreden (“indirecte subrogatie”).

Zürich voert als aansprakelijkheidsgronden aan dat er onrechtmatig is gehandeld door Lag jegens Cargill. Of Lag daadwerkelijk aansprakelijk is, zal inhoudelijk worden beoordeeld in de bodemzaak.

4.2.

Eerst dient het op de – gepretendeerde –vorderingen toepasselijke recht te worden vastgesteld om te beoordelen of die vorderingen (kunnen) zijn overgegaan op Zürich. Anders dan Zürich stelt kan de rechtbank immers om haar bevoegdheid vast te stellen niet uitgaan van rechten die Zürich – naar het toepasselijke recht – niet verworven kan hebben.

4.3.

Uit de stellingen van Zürich kan worden opgemaakt dat er sprake is geweest van een verkeersongeval in 2008 in de zin van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118). Nederland, België en Oostenrijk zijn partij bij dit verdrag. Artikel 3 van het verdrag bepaalt dat het toepasselijke recht het recht is van de staat waar het ongeval zich heeft voorgedaan. In dit geval is dat Nederland.

4.4.

Voor zover Zürich zich beroept op productaansprakelijkheid in de zin van 6:185 BW en het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens producten (Trb. 1974, 84), gaat dat beroep niet op, omdat op grond van artikel 6:190 BW en artikel 9 van de Richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (85/374/EEG) de producent slechts aansprakelijk is voor letselschade of schade aan goederen voor gebruik in de privésfeer. Daarvan is hier geen sprake.

4.5.

Voor zover het hier gaat om het toepasselijke recht op een jegens Cargill in (of voor) 2008 gepleegde onrechtmatige daad is de Wet Conflictenrecht onrechtmatige daad (Wcod) van toepassing. Artikel 3 Wcod bepaalt dat verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt. Zürich beroept zich op overgang van vorderingen die hun grondslag vinden in een jegens Cargill gepleegde onrechtmatige daad. Nu niet is gesteld dat buiten Nederland jegens Cargill onrechtmatig is gehandeld, is Nederlands recht van toepassing op deze (gestelde) verbintenis.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het Nederlands recht van toepassing is op de (eventuele) vorderingen van Cargill op Lag en dus ook op de vraag of die vorderingen op Poll of op Zürich zijn overgegaan.

Vordering op grond van “directe subrogatie”

4.7.

Het Nederlandse recht kent voor overgang van vorderingen – voor zover hier relevant – de algemene regels voor subrogatie (artikel 6:150 BW) en verzekeraarssubrogatie (artikel 7:962 BW).

4.8.

Artikel 6:150 BW biedt geen grond voor overgang van de vorderingen, omdat aan de daarin genoemde voorwaarden (een goed waarvan uitwinning dreigt of een overeenkomst tussen Zürich en Lag) niet is voldaan.

4.9.

Artikel 7:962 BW spreekt over subrogatie van de vorderingen van de verzekerde. Cargill – jegens wie de verzekeringnemer, Poll, aansprakelijk is – is geen verzekerde van Zürich. Vorderingen van Cargill op Lag zijn derhalve niet op grond van artikel 7:962 BW overgegaan op Zürich. Dat Cargill jegens Zürich een directe actie had, betekent evenmin dat Zürich in de rechten van Cargill is gesubrogeerd, nu daarvoor geen wettelijk basis bestaat. Vorderingen van Cargill op Lag zijn dus niet rechtstreeks overgegaan op Zürich.

Vordering op grond van regres

4.10.

Zürich stelt dat zij ook regres kan nemen op Lag en beroept zich op artikel 6:12 BW. Veronderstellenderwijs uitgaande van onrechtmatige daden van Lag en Poll jegens Cargill geldt het volgende. Artikel 6:99 BW bepaalt dat in zo’n geval Lag en Poll hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Cargill. De verhouding waarin zij jegens elkaar gehouden zijn bij te dragen dient tussen hen te worden vastgesteld. Een schuldenaar die meer voldoet dan haar aangaat – diens verzekeraar daarin begrepen – heeft een vorderingsrecht op haar medeschuldenaar. Zürich is op grond van 7:962 BW gesubrogeerd in de regresvordering van Poll op Lag, ervan uitgaande dat Lag jegens Poll onrechtmatig heeft gehandeld. Dat zijn echter zelfstandige vorderingsrechten van Poll op Lag: er is ook hier geen sprake subrogatie van Poll in de rechten van Cargill. Voor zover Cargill vorderingen op Lag had, zijn die vorderingen teniet gegaan door de betaling door Zürich.

Vordering op grond van “indirecte subrogatie”

4.11.

Niet in geschil is dat Zürich in de rechten van Poll jegens Lag is getreden, voor zover het gaat om (gestelde) vorderingen van Poll op Lag uit overeenkomst, uit een onrechtmatige daad jegens Poll en/of om regresvorderingen op Lag. Op de gronden zoals overwogen in 4.8 en 4.10 geldt echter dat er geen vorderingen die Cargill jegens Lag had op Poll zijn overgegaan. Zürich kan derhalve evenmin indirect in de rechten van Cargill op Lag zijn getreden.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat Zürich niet in de rechten van Cargill is getreden en slechts op basis van op haar overgegane rechten van Poll een vordering heeft op Lag.

forumkeuze

4.13.

De vervolgvraag is of in de verhoudingen tussen Poll en Lag en tussen Zürich en Lag aan de in de algemene voorwaarden van Lag opgenomen forumkeuze werking toekomt. De eerste vraag is welk recht van toepassing is op de overeenkomst tussen Poll en Lag. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of de forumkeuze rechtsgeldig tussen partijen is overeengekomen en vervolgens moet naar de regels van Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) worden bepaald of het forumkeuzebeding ook tussen Zürich en Lag geldt, gelet op de formulering en de rechtsgronden van de vordering.

4.14.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht geldt het volgende. Het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO) bepaalt het recht dat van toepassing is op de koopovereenkomst tussen de in België gevestigde Lag en de in Oostenrijk gevestigde Poll, aangezien deze overeenkomst is gesloten voor de inwerkingtreding van de Rome I verordening. In dit geval vond de kenmerkende prestatie (aflevering van de gekochte oplegger) plaats in België (partijen zijn immers overeengekomen levering “ab werk”, hetgeen wil zeggen: bij Lag) zodat Belgisch recht van toepassing is. Dat recht verwijst naar het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (hierna: het Weens koopverdrag). Dat verdrag ziet ook op de toepasselijkheid van algemene voorwaarden. Zürich heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat tussen Poll en Lag een bestendige handelsrelatie bestond waarbij al eerder meerdere opleggers van het type als waarvan in het onderhavige geval sprake is, zijn gekocht en waarbij steeds de algemene voorwaarden van Lag van toepassing werden verklaard, die ook bij opdrachtbevestiging(-en) en op de achterzijde van facturen aan Poll werden toegezonden. Gelet daarop is aan de uit het Weens koopverdrag voortvloeiende eisen voor toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Lag voldaan.

4.15.

Gelet op de bestendige handelsrelatie en toezending van de algemene voorwaarden is ook voldaan aan de vormvoorschriften van artikel 23 EEX-Vo. Het forumkeuzebeding is van toepassing nu dit is opgenomen in algemene voorwaarden waarnaar uitdrukkelijk is verwezen bij het aangaan van de overeenkomst, terwijl – gelet op de bestendige handelsrelatie – Poll de inhoud kende of bij betrachting van normale zorgvuldigheid kon kennen.

4.16.

Het forumkeuzebeding bepaalt de internationale rechtsmacht en de relatieve bevoegdheid van de gerechten te Tongeren. De absoluut bevoegde rechtbank wordt aangewezen door het Belgisch procesrecht. Het forumkeuzebeding is niet onduidelijk of ongeldig.

4.17.

Nu het geschil ook rechtstreeks betrekking heeft op (gestelde gebreken aan) de oplegger waarop de koopovereenkomst ziet, voldoet het beding ook aan het vereiste dat het moet gaan om “de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan”. Dat de grondslag van de vorderingen van Zürich een jegens Poll gepleegde onrechtmatige daad is of een Poll toekomende regresvordering uit hoofde van artikel 6:12 BW is, doet daar niet aan af.

4.18.

Aangezien Zürich gesubrogeerd is in de rechten van Poll (zie onder 4.11 en 4.12) heeft het forumkeuze beding – op dezelfde gronden als jegens Poll – ook werking jegens Zürich als rechtsopvolger van Poll.

4.19.

De conclusie is derhalve dat Lag zich jegens Zürich terecht beroept op de in haar algemene voorwaarden opgenomen forumkeuze. De Nederlandse rechter dient zich derhalve onbevoegd te verklaren. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan behandeling van de subsidiaire vordering van Lag.

4.20.

Zürich zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lag in het incident worden begroot op 4 × € 452,00 aan salaris advocaat.

4.21.

Zürich zal eveneens in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Lag in de hoofdzaak worden begroot op € 3.621,00 aan griffierechten.

4.22.

Bij die stand van zaken heeft Lag geen belang bij aanpassing van het proces-verbaal.

5 DE BESLISSING

De rechtbank

in het incident

5.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

5.2.

veroordeelt Lag in de kosten van het incident, aan de zijde van Zürich tot op heden begroot op € 1.808,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

veroordeelt Zürich in de proceskosten, aan de zijde van Lag tot op heden begroot op € 3.621,00,

5.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.1

1 type: EJvV coll: