Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
13-067410-98 en 13-067224-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Niet-naleving voorwaarden van een voorwaardelijk beëindigde TBS. Rechtbank wijst vordering hervatting TBS met dwangverpleging toch af. Overwegingen van proportionaliteit. Hernieuwde dwangverpleging dient geen enkel therapeutisch doel. Eerder gelast onderzoek nog niet verricht. Rechtbank gelast wederom onderzoek reclassering naar mogelijkheden voortzetting huidige TBS-regiem met gewijzigde voorwaarden, met name opname in een bijzondere woonvoorziening. Gelet op te verwachten tijdsverloop bij nadere rapportage mag betrokkene ondertussen terug naar eigen woning met gewijzigde voorwaarden waarbij taak reclassering is gereduceerd tot toezicht tot volgende verlengingszitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/067410-98 en 13/067224-98

BESCHIKKING

op de d.d. 23 april 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 18 april 2014 in de zaak tegen:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende [adres, te plaats],

thans gedetineerd in het [detentieadres],

die bij vonnis van deze rechtbank van 20 januari 1999 ter beschikking gesteld werd, teneinde van overheidswege te worden verpleeg. Deze terbeschikkingstelling is bij beslissing van het Hof Arnhem van 12 december 2011 verlengd, waarbij de verpleging van overheidswege onder voorwaarden werd beëindigd. Bij beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2014 is deze (voorwaardelijke) terbeschikkingstelling laatstelijk verlengd met één jaar.

De rechter-commissaris heeft op vordering van de officier van justitie bij beschikking van 18 april 2014 de voorlopige hervatting van de verpleging van overheidswege bevolen.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het hervatten van de verpleging van overheidswege.

De procesgang

De rechtbank heeft op 15 mei 2014 de behandeling van de zaak aangehouden teneinde nader te worden geïnformeerd en - met instemming van partijen in andere samenstelling - deze voortgezet op 26 juni 2014. De rechtbank wenste door middel van een nader rapport te worden geïnformeerd of de reclassering nog mogelijkheden ziet voor voortzetting van de huidige terbeschikkingstelling onder voorwaarden, indien deze voorwaarden gewijzigd zouden worden. Op de zitting van 26 juni 2014 is naar voren gekomen dat reclassering Groningen de opdracht had uitbesteed aan reclassering Amsterdam en het nog zeker drie maanden zou duren eer genoemd nader rapport afgerond zou kunnen zijn.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis van de rechtbank van 20 januari 1999;

  • -

    de beslissing van het Hof Arnhem van 12 december 2011;

  • -

    de beschikking van de rechtbank van 27 februari 2014;

  • -

    het voortgangsverslag TBS/melding bijzonder voorval van de reclassering, Regio Noord Nederland d.d. 19 maart 2013 (de rechtbank leest: 15 april 2014);

  • -

    het ‘advies aan opdrachtgever toezicht’ van de reclassering, Regio Noord Nederland van 5 juni 2014.

De rechtbank heeft op 15 mei en 26 juni 2014 de officier van justitie mr. S. Sondermeijer, de terbeschikkinggestelde en diens raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundigen [persoon 1], reclasseringsmedewerker, [persoon 2], psychiater bij de Van Mesdagkliniek en [persoon 3], verbonden aan Inforsa FAZ, in openbare raadkamer gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

De rechtbank stelt de volgende feiten en/of omstandigheden voorop:

Aan genoemd voortgangsverslag van de reclassering, Regio Noord Nederland van 15 april 2014 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

De reclassering heeft de opdracht gekregen toezicht te houden op onder andere de volgende bijzondere voorwaarden:

-de terbeschikkinggestelde onderhoudt een frequent contact met de verslavingsreclassering, waarbij bij aanvang een wekelijks contact wordt aangehouden en stelt zich hierbij begeleidbaar op;

-de terbeschikkinggestelde onderhoudt frequent contact met de medewerker(s) van de AFPN-FPTZ;

-de terbeschikkinggestelde onthoudt zich van het gebruik van alcohol of (hard)drugs;

[…]

Al enige tijd loopt het toezicht dat op betrokkene wordt uitgevoerd, wat stroef. Eerder was al sprake van een time-out-opname in de van Mesdagkliniek (zie bijzondere melding van 21-10-2013). Deze opname stond vooral in het teken van onderzoeken hoe betrokkene op een verantwoorde wijze terug kan keren in de maatschappij. Tevens werd toen het traject ingezet waarin betrokkene meer begeleiding zou moeten krijgen. De reclassering stond al langer op het standpunt dat betrokkene beschermd dan wel begeleid zou moeten wonen en dit voor langere duur. Pogingen om dit voor elkaar te krijgen mislukten. Nadat

betrokkene in december 2013 beschermd wonen ‘t Achterhuus niet zag zitten, wees hij recent

Limor ook van de hand.

In het contact dat de reclassering op 15 april 2014 met [persoon 1] had, een hulpverlener van

Djoeke Nazorg, bleek dat de laatste twee afspraken tussen betrokkene en hem niet tot stand

kwamen.

Naast bovenstaande onderwerpen werd in het contact met de reclassering geregeld gesproken

over middelengebruik. Hierin gaf de reclassering aan dat betrokkene omzetting van de

verpleging riskeert wanneer hij eventueel alcohol en/of harddrugs zou gebruiken. Het was

opvallend dat betrokkene vooral omgang had met mensen die alcohol en drugs gebruiken.

Betrokkene zelf zag niet de noodzaak van een clean bestaan. Door cocaïne te gebruiken zou hij

juist rustig in zijn hoofd worden.

Bij een urinecontrole op 9 april 2014 constateerde de reclassering dat betrokkene alcohol en

cocaïne heeft gebruikt. Dit betekent een overtreding van de bijzondere voorwaarde dat

betrokkene zich moet onthouden van het gebruik van alcohol en/of (hard)drugs.

Conclusie

De situatie zoals deze nu is ontstaan, lijkt op de situatie die in 2009 ook leidde tot een omzetting

van de tbs met dwangverpleging, die destijds in 2006 voorwaardelijk was beëindigd. Ook nu

speelt middelengebruik een rol. Bovendien staat betrokkene nu ook niet open voor verdere hulp

en begeleiding. Betrokkene heeft een bijzondere voorwaarde overtreden.

Op dit moment ziet de reclassering geen gronden meer om de begeleiding in het kader van de

voorwaardelijke beëindiging voort te zetten. Ook zijn er onvoldoende redenen om weer een time

out plaatsing in de van Mesdagkliniek te regelen. Dit leverde tot nog toe niets op.

Op 15 mei 2014 heeft de deskundige [persoon 1], reclasseringsmedewerker, verbonden aan GGZ-verslavingszorg Noord Nederland te Groningen, het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Wij hebben het advies tot hervatting gedaan, omdat wij het ook niet meer weten. Op 9 april 2014 heeft er een urinecontrole bij betrokkene plaatsgevonden. Er werd geconstateerd dat betrokkene een grote hoeveelheid alcohol en drugs gebruikt had. Ook komen er verslaafde personen in zijn woning. Wij vinden dit een zorgelijke situatie. Wij zien voor betrokkene echter ook geen heil in een terugplaatsing in de kliniek onder hervatting van de dwangverpleging. Dwangverpleging lost zijn verslavingsgevoeligheid niet op. Wij hebben binnen onze instelling meermalen overleg gevoerd over welk resocialisatietraject het beste bij

betrokkene zou passen. Wij zien het liefst dat hij geplaatst wordt in een beschermde woonvorm waarbij het voorwaardelijk kader gehandhaafd blijft. Limor, een woonvoorziening in Groningen, heeft onze voorkeur. Dit traject hebben wij in het verleden al met betrokkene besproken. Hij gaf destijds aan dat hij daar over na moest denken. Kort daarna is betrokkene positief bevonden op het gebruik van drugs. Deze terugval is een contra-indicatie voor een plaatsing bij Limor. Hij komt daar gewoonweg niet meer voor in aanmerking. Wij moeten nu uitkijken naar een alternatieve begeleid wonen voorziening. Er zijn echter aanzienlijke wachtlijsten. Dit zou ook als een aanvullende voorwaarde toegevoegd moeten worden aan de bestaande voorwaarden. Het klopt dat wij nu niet een concreet traject kunnen noemen. Een aanvullend rapport zou wel binnen 4 weken realiseerbaar moeten zijn.

De deskundige, [persoon 2], psychiater, verbonden aan FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen,

heeft op 15 mei 2014 ter terechtzitting verklaard, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is ADHD geconstateerd. Dit verklaart veel van het chaotische gedrag van betrokkene. De hang naar drugs, cocaïne, dat een dempende werking heeft, is ook hierdoor goed verklaarbaar. Bij ADHD gaat het om hyperactiviteit. Gebrek aan concentratie en onrust overheerst, waardoor het plannen en goed organiseren van het dagelijkse leven een grote opgave is. Ik kan bevestigen dat het medicijn Concerta een goede invloed op betrokkene had. De reclassering heeft dit ook gemerkt. Betrokkene werd rustiger en gebruikte geen drugs meer. Doordat betrokkene deze medicatie niet meer kon krijgen heb ik hem op een gegeven moment Ritalin voorgeschreven. Ritalin verschilt enorm in samenstelling en werking in vergelijking met Concerta. Het is aannemelijk dat bij betrokkene onrust was ontstaan na de abrupte overstap van Concerta naar Ritalin en dat hij naar een alternatief zocht om die onrust weg te nemen. Helaas heeft dit in een toevlucht in drugs- en alcoholgebruik geresulteerd. Ik ben van mening dat betrokkene nog wel zou kunnen functioneren in zijn eigen woning indien sprake zou kunnen zijn van strikte begeleiding vanuit de kliniek. Ik zie op die manier een zelfstandig begeleid wonen dus nog wel tot de mogelijkheden behoren. U zegt dat de reclassering het behoud van de eigen woning niet ziet zitten en eigenlijk alleen nog een beschermd woonproject kansen geeft. Ik zie dus nog wel mogelijkheden, maar ga er inderdaad wel vanuit dat in december, wanneer gewisseld kan worden van verzekeraar, Concerta weer kan worden voorgeschreven.

Aan genoemd advies aan opdrachtgever toezicht van de reclassering, Regio Noord Nederland, van 5 juni 2014 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Voor de Reclassering Nederland en de Reclassering Leger des Heils is het op korte termijn niet mogelijk aan de opdracht vanuit de rechtbank Amsterdam te voldoen. Beide organisaties geven aan dat de adviezen met betrekking tot het traject van [terbeschikkinggestelde] tot nu toe zijn besproken en goedgekeurd, derhalve achten zij het onwaarschijnlijk na onderzoek tot andere conclusies te kunnen komen. Objectiviteit lijkt daarom tijdens het onderzoek niet haalbaar. Daarbij geniet het, met het oog op de verslavingsproblematiek, sterk de voorkeur een verslavingsinstelling het onderzoek te laten verrichten. Daarom is de verslavingsreclassering (VNN) collega-instelling Inforsa verzocht het onderzoek te verrichten. Inforsa heeft echter te kennen gegeven dat het hen aan de mogelijkheden ontbreekt om dit onderzoek te realiseren voor de geplande zittingsdatum van 26 juni 2014. Inforsa verzoekt de reclassering de rechtszitting aan te houden tot medio augustus 2014.

De deskundige [persoon 3] van Inforsa Amsterdam heeft op 26 juni 2014 in openbare raadkamer verklaard, zakelijk weergegeven:

Inforsa Amsterdam is pas kort geleden bij deze casus betrokken en het klopt dat wij nog geen onderzoek hebben gedaan zoals dat op 15 mei jl. is gevraagd door de rechtbank. Ik kan wel mededelen dat er recente ontwikkelingen zijn aangaande betrokkene, die eventuele aanpassing van de bijzondere voorwaarden nog problematischer maakt. Dit heb ik zeer onlangs telefonisch vernomen van [persoon 1] van reclassering Groningen. Zij vertelde mij het volgende. De organisatie in Groningen, Djoeke Nazorg, heeft vorige week besloten definitief te stoppen met de begeleiding van betrokkene. Zij vinden het niet meer verantwoord om betrokkene te begeleiden. Ook vertelde [persoon 1], aangaande de woning van betrokkene, dat de woningbouwvereniging de huur wil gaan opzeggen. Betrokkene heeft een huurachterstand, maar belangrijker is dat vanuit de woning van betrokkene voor veel overlast bij de buurt is gezorgd. Van de wijkagent heeft ze te horen gekregen dat de woningbouw alles op alles zet om de huur op te zeggen. Met betrekking tot het werk van betrokkene bij het buurtrestaurant is aangegeven dat betrokkene regelmatig onder invloed verscheen en hij daar dus niet meer kan werken. Tot zover de recente informatie uit Groningen. Dit betekent dat de nazorg, de begeleiding en de huisvesting zouden wegvallen. Dit zijn cruciale punten ter zake het recidiverisico.

Ik begrijp dat Groningen ons heeft aangezocht, maar ik zie eigenlijk geen mogelijkheid voor Inforsa onderzoek te doen naar nieuwe bijzondere voorwaarden, die voorzetting van de voorwaardelijke beëindiging mogelijk maken. Voor wat betreft het door de rechtbank gevraagde rapport ligt wat mij betreft inderdaad de bal bij Groningen. Gezien de informatie die we nu hebben zie ik geen reden tot een rapportage. Daarbij komt dat Reclassering Groningen de benodigde contacten heeft in die regio. Resocialisatie zou toch in de regio Groningen moeten plaatsvinden. Als u toch vindt dat Inforsa moet rapporteren dan gaat dat zeker nog drie maanden duren. Er is nu nog niets gebeurd en de vakantie komt eraan.

De beschouwingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken en behandeling ter terechtzitting is gebleken dat betrokkene de hem gestelde voorwaarden niet heeft nageleefd. Uit de door de reclassering beschreven incidenten volgt dat veroordeelde alcohol en harddrugs heeft gebruikt en dat hij afspraken met de reclassering niet is nagekomen. De voorwaarden zijn derhalve overtreden, zodat hervatting van de dwangverpleging dient te worden overwogen.

Tegelijkertijd dient de rechtbank de proportionaliteit van de terbeschikkingstelling in haar overwegingen te betrekken, waar het terbeschikkingstellingstraject van betrokkene zeer lang duurt, afgezet tegen de ernst van de misdrijven waarvoor de TBS in 1999 is opgelegd. De door het hof in 2011 gegeven beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging was ook mede ingegeven door de gedachte dat voortzetting van de dwangverpleging in dat stadium en bij de toenmalige stand van de behandeling van de terbeschikkinggestelde disproportioneel zou zijn.

Daar komt bij dat alle deskundigen ten aanzien van de onderhavige vordering hervatting van de dwangverpleging, het standpunt hebben ingenomen dat hernieuwde dwangverpleging van betrokkene met plaatsing in een kliniek op zichzelf geen enkel therapeutisch doel meer kan dienen. Tevens is feitelijk bij hervatting van de dwangverpleging ook sprake van een wachttijd (in het huis van bewaring) eer van selectie en plaatsing in een kliniek sprake kan zijn.

Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank op 15 mei 2014 een onderzoek gelast naar de vraag of de reclassering nog mogelijkheden ziet voor voortzetting van de huidige terbeschikkingstelling onder voorwaarden, indien deze voorwaarden gewijzigd zouden worden. Daarbij werd vooral gedacht aan voortzetting onder een nieuw te stellen voorwaarde van opname van betrokkene in een begeleide of beschermde woonvoorziening. Het door het Hof opgelegde voorwaardenregiem voorziet hier niet in en achteraf moet worden geconcludeerd dat dit een passendere woonvorm lijkt. De reclassering had een bijzondere woonvoorziening eerder aan betrokkene voorgesteld, maar die leek eerst onwillig mee te werken en vervolgens was sprake van een terugval in middelengebruik, waardoor dit nooit van de grond is gekomen. Aangezien wisseling van medicatie een cruciale rol lijkt te hebben gespeeld bij de terugval in middelengebruik en betrokkene inmiddels op overtuigende wijze heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een woonvoorziening, heeft de rechtbank voornoemde nadere rapportage gelast.

Ter zitting van 26 juni 2014 is gebleken dat het gelaste nadere onderzoek nog niet is verricht door de reclassering en een bijzondere woonvorm voor betrokkene nog niet is overwogen/onderzocht, terwijl er lange wachtlijsten zijn.

De rechtbank is van oordeel dat - tegen de achtergrond van het hiervoor vooropgestelde kader dat nog immer van kracht is - een onderzoek naar de vraag of de reclassering nog mogelijkheden ziet voor voortzetting van de huidige terbeschikkingstelling onder voorwaarden, indien deze voorwaarden gewijzigd zouden worden - met name in opname in een bijzondere woonvoorziening - nog immer wenselijk en geboden is.

De rechtbank realiseert zich dat de reclassering inmiddels de nodige inspanningen heeft betracht om betrokkene te begeleiden en eerder had geconcludeerd dat dit niet langer mogelijk was. Desondanks lijkt het de rechtbank juist, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en de grote gevolgen van een hervatting, dat deze optie van een woonvoorziening nog wordt onderzocht.

De reclassering dient derhalve deze mogelijkheden alsnog te onderzoeken en hier nader over te rapporteren aan de rechtbank.

De rechtbank overweegt vervolgens ten aanzien van de onderhavige vordering als volgt. Een huis van bewaring is niet de juiste plaats voor betrokkene, maar ook een TBS-kliniek niet, terwijl het geboden nadere onderzoek door de reclassering nog geruime tijd op zich zal laten wachten en er wachttijden gelden voor bijzondere woonvoorzieningen, indien de reclassering al mogelijkheden ziet. Eerst in februari 2015 zal een verlengingszitting volgen.

De rechtbank is van oordeel dat er duidelijkheid moet komen en zal, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, de volgende beslissingen nemen: de vordering hervatting dient te worden afgewezen; een nieuwe aanhouding van een beslissing op de vordering hervatting voor een aantal maanden wijst zij van de hand. De rechtbank zal gelasten dat de reclassering genoemde nadere rapport ruim vóór de verlengingszitting in februari 2015 gereed heeft, zodat dit meegenomen kan worden bij de volgende raadkamer omtrent de verlenging van de terbeschikkingstelling.

Ondertussen kan de betrokkene laten zien dat hij bereid en in staat is toe te werken aan een TBS-vrije toekomst. De rechtbank benadrukt dat het volledig op de weg van betrokkene ligt de komende maanden een coöperatieve houding te laten zien. Hij zal volledig moeten meewerken aan eventuele door de reclassering (binnen het hieronder voorgestelde nieuwe kader) wenselijk geachte nieuwe voorwaarden, ook als dat inhoudt begeleid dan wel beschermd wonen. Daar hoort ook bij medewerking aan de totstandkoming van het aanvullend reclasseringsrapport hieromtrent.

De taak van de reclassering zal, aangezien geen mogelijkheden meer worden gezien voor begeleiding van betrokkene binnen het huidige voorwaardenregiem, worden beperkt tot die van controle. Daartoe zal de rechtbank de bij de beslissing van het Hof Arnhem van 12 december 2011 gestelde voorwaarden wijzigen op de wijze zoals hierna wordt genoemd.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot hervatting van de dwangverpleging af en heft op de voorlopige hervatting van de dwangverpleging.

De rechtbank wijzigt de aan de terbeschikkinggestelde bij beslissing van het Hof Arnhem van

12 december 2011 opgelegde voorwaarden betreffende zijn gedrag in dier voege dat met ingang van heden de volgende nieuwe voorwaarden worden gesteld:

 de terbeschikkinggestelde zal zich niet schuldig maken aan enig strafbaar feit;

 de terbeschikkinggestelde stelt zich onder toezicht van de Reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, unit Groningen, en dient zich te houden aan de navolgende bijzondere voorwaarden waarbij telkens geldt dat het toezicht (wat frequentie en inhoud van de verschillende contacten betreft) nader door de reclassering kan worden bepaald/ingevuld:

1.

de terbeschikkinggestelde werkt mee aan de totstandkoming van het thans door de rechtbank bevolen

nadere reclasseringsrapport inzake begeleid dan wel beschermd wonen, alsmede elk ander

reclasseringsrapport;

2.

de terbeschikkinggestelde meldt zich en onderhoudt een (frequent) contact bij/met de

Verslavingsreclassering;

3.

de terbeschikkinggestelde onderhoudt (frequent) contact met de medewerker(s) van de AFPN;

4.

de terbeschikkinggestelde zal zijn medewerking verlenen aan controle op mogelijk gebruik van alcohol

en/of drugs middels urinecontrole en ademanalyse, indien en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk

acht;

5.

de terbeschikkinggestelde verleent zijn medewerking aan en toestemming tot informatieoverdracht

tussen de trajectrelevante instanties en personen;

6.

de terbeschikkinggestelde zal zonder voorafgaand overleg met en toestemming

van de verslavingsreclassering niet van verblijfplaats veranderen;

7.

de terbeschikkinggestelde draagt zorg voor het hebben en behouden van een structurele en zinvolle

dagbesteding;

8.

de terbeschikkinggestelde geeft inzicht in zijn vrienden, kennissen en (mogelijke) partnerrelatie en geeft

de verslavingsreclassering toestemming om met hen te spreken.

De rechtbank draagt aan voornoemde reclasseringsinstelling op toe te zien op naleving van de voorwaarden door de terbeschikkinggestelde.

De rechtbank draagt de officier van justitie op ervoor zorg te dragen dat de reclassering vóór februari 2015 een rapport opmaakt, dat tijdig bij de stukken wordt gevoegd, en ziet op beantwoording van de vraag of en zo ja, welke mogelijkheden beschikbaar zijn voor voortzetting van de huidige terbeschikkingstelling onder voorwaarden, indien deze voorwaarden gewijzigd zouden worden. Daarbij dient in ieder geval de introductie van de nieuwe voorwaarde(n) tot opname van betrokkene in een begeleide of beschermde woonvoorziening te worden onderzocht.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,

mrs. J. Knol en M.J.F. van der Wolf, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2014.