Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4186

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
KK EXPL 14-851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer heeft verschillende arbeidsovereenkomsten met werkgever A gesloten als beveiliger. Per 1 januari 2014 zijn de beveiligingsdiensten ten behoeve van het object dat werknemer beveiligde in dienst van werkgever A opgedragen aan werkgever B. Werknemer heeft voordien bij werkgever B gesolliciteerd en het dienstverband tussen werknemer en werkgever B is met wederzijds goedvinden beëindigd. Werkgever A heeft daarna in ieder val 1 nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden aan werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat de beveiligingsbranche heeft te gelden als een arbeidsintensieve sector. Derhalve is voor beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van onderneming met name van belang of werkgever B per 1 januari 2014 een wezenlijk deel van het personeel heeft overgenomen. Nu gesteld noch geble¬ken is dat werkgever B activa van Pantar of werkgever A heeft overgeno¬men, komt het bij de (voorlopige) beoordeling van het geschil tussen werknemer en werkgever B aan op beant-woording van die vraag. Tussen partijen is niet in geschil dat er vóór 1 januari 2014 naast werknemer één beveiliger van werkgever A op het object werkzaam was. Die heeft werkgever B niet overgenomen. Daarmee gaat het dus hooguit om werknemer zelf en is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een wezenlijk deel van het personeel en daarmee evenmin van een overgang. Bovendien is voorshands niet komen vast te staan dat sprake is (geweest) van een door werkgever B gedaan en door werknemer geaccepteerd aanbod voor een arbeidsovereenkomst. Werkgever A wordt gehouden aan de arbeidsovereenkomst die na de beëindig met wederzijds goedvinden werd gesloten met werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/515
AR-Updates.nl 2014-0634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3080349 \ KK EXPL 14-851

vonnis van: 26 juni 2014

func.: 904

vonnis in kort geding van de kantonrechter

I n z a k e

[naam 1],

wonende te [plaatsnaam 1],

eiser,

nader te noemen [naam 1],

gemachtigde: mr. D.I.N. Levinson-Arps,

t e g e n

1.

Trigion Beveiliging B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Trigion,

gemachtigde: mr. R.J. Bor,

2.

WHA Dienstverlening B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

gedaagde,

nader te noemen WHA,

gemachtigde: mr. J.A.H. van Marwijk.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 19 mei 2014, met producties, heeft [naam 1] een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 12 juni 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [naam 1] is in persoon verschenen, vergezeld door mr. Levinson-Arps voornoemd. Van de zijde van Trigion zijn verschenen [naam 2], [naam 3], [naam 4], vergezeld door mr. Bor voornoemd. Namens WHA zijn [naam 5] en [naam 6] verschenen, vergezeld door mr. Van Marwijk voornoemd. Alle partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting, mede aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1.

Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[naam 1] is beveiliger van beroep. WHA houdt zich onder meer bezig met het voeren van een uitzendbureau, een schoonmaakbedrijf en het leveren van beveiligingsdiensten en -services. Trigion is een landelijk opererend beveiligingsbedrijf.

1.2.

In een door WHA overgelegde, ongedateerde, arbeidsovereenkomst is - kort gezegd - bepaald dat tussen [naam 1] en WHA sprake is van een uitzendovereenkomst voor de duur van de terbeschikkingstelling, dat [naam 1] met ingang van 5 december 2011 ter beschikking zal worden gesteld aan opdrachtgever(s), dat de CAO Uitzendkrachten van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (hierna: de ABU-CAO) op de arbeidsovereenkomst van toepassing is en dat [naam 1] werkzaam is in fase A. Voor wat betreft de duur van de terbeschikkingstelling, het aantal te werken uren en het bruto uurloon wordt verwezen naar een uitzendbevestiging, die niet in het geding is gebracht.

1.3.

Op 20 december 2011 zijn [naam 1] en WHA een arbeidsovereenkomst met elkaar aangegaan voor bepaalde tijd tot 16 februari 2012. In de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat de CAO Particuliere Beveiliging (hierna: de CAO Beveiliging) van toepassing is, dat [naam 1] de functie van Beveiliger heeft, dat de normale arbeidstijd 40 uur per week bedraagt, dat sprake is van een 0-uren basis en dat [naam 1] gemiddeld 24 uur en maximaal 40 uur per week in dienst van WHA Beveiliging werkzaamheden vervult.

1.4.

In een door WHA overgelegde arbeidsovereenkomst van 9 september 2013 is
- kort gezegd - bepaald dat tussen [naam 1] en WHA sprake is van een uitzendovereenkomst voor de duur van een jaar (ingaand op 9 september 2013 en eindigend op 9 september 2014), dat de ABU-CAO van toepassing is, dat [naam 1] werkzaam zal zijn in fase B en dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval eindigt op de dag voordat [naam 1] instroomt in fase C. In de aangehechte uitzendbevestiging is opgenomen dat [naam 1] voor 40 uur per week als Beveiliger werkzaam zal zijn bij Pantar Amsterdam Flexdiensten B.V. (hierna: Pantar) tegen een bruto loon van € 11,00 per uur.

1.5.

Vanaf december 2011 tot en met december 2013 is [naam 1] door WHA bij derden te werk gesteld, waarbij hij op urenbasis is uitbetaald. Zijn werkzaamheden bestonden grotendeels uit het (via Pantar) verrichten van beveiligingswerkzaamheden in het DWI gebouw aan [straatnaam 1] (hierna: het object).

1.6.

Bij brief van 13 november 2013 gericht aan [naam 4] (hierna: [naam 4]) heeft [naam 1] gesolliciteerd naar een plaats als Beveiliger bij Trigion, met als motivering dat hij altijd met plezier en naar tevredenheid op het object heeft gewerkt en zijn werk daar graag wil voortzetten.

1.7.

Op 22 november 2013 heeft [naam 1] een sollicitatiegesprek gevoerd bij Trigion, waarbij van de zijde van Trigion [naam 2] (hierna: [naam 2]) aanwezig was. Tijdens het gesprek is een formulier ‘Gespreksformulier en selectievragen’ ingevuld, dat door zowel [naam 2] als [naam 1] is ondertekend. Op het formulier is onder het kopje ‘Eerste gesprek’ aangegeven: ‘aangenomen in afwachting van contract’.

1.8.

Tijdens een tweede gesprek heeft [naam 1] aan [naam 2] van Trigion de hiervoor onder 1.3 genoemde arbeidsovereenkomst met WHA overhandigd.

1.9.

Bij e-mail van 4 december 2013 heeft [naam 1] [naam 2] geschreven dat hij hem zijn ‘ontslagbrief’ toezendt. De aangehechte bijlage betreft een ongedateerde, maar door beide partijen ondertekend, beëindigingsovereenkomst, waarin
- zakelijk weergegeven - staat dat WHA verklaart de arbeidsovereenkomst met [naam 1] met wederzijds goedvinden te beëindigen, dat artikel 16 van de arbeidsovereenkomst niet meer van kracht zal zijn, een en ander teneinde [naam 1] een kans te bieden bij Trigion aan de slag te gaan.

1.10.

WHA heeft een ongedateerd document ‘Beëindiging contract met wederzijds goedvinden’ - niet zijnde de onder 1.9 genoemde beëindigingsovereenkomst - overgelegd, waarin [naam 1] en WHA verklaren de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen en waarin tevens als datum van beëindiging 1 januari 2014 is vermeld.

1.11.

Op 4 december 2013 zijn [naam 1] en WHA een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar met elkaar aangegaan (ingaand op 12 december 2013 en eindigend op 12 december 2014). Daarin is onder meer bepaald dat [naam 1] voor 40 uur per week bij opdrachtgever Pantar werkzaam zal zijn tegen een salaris van € 11,00 bruto per uur exclusief 8% vakantietoeslag en dat de ABU-CAO van toepassing is.

1.12.

Bij e-mail van 5 december 2013 aan [naam 1] met kopie aan [naam 4], heeft [naam 2] namens Trigion - samengevat - geschreven dat [naam 1], zoals aangegeven, nog geen ontslag had moeten nemen, dat Trigion nog zaken moet onderzoeken, dat het gesprek positief was en dat, indien mogelijk, een contract voor bepaalde tijd zal worden gegeven, maar dat [naam 1] niet wordt aangenomen indien Trigion hem door omstandigheden een contract voor onbepaalde tijd moet geven.

1.13.

Op 9 december 2013 heeft WHA Trigion desgevraagd een verklaring toegezonden, waarin is vermeld dat [naam 1] op 27 februari 2012 in dienst is getreden in fase A, waarna hij is ingestroomd in fase B.

1.14.

Per 1 januari 2014 zijn de beveiligingsdiensten ten behoeve van het object, die voorheen via Pantar aan WHA werden uitbesteed, opgedragen aan Trigion.

1.15.

In januari en februari van 2014 heeft WHA [naam 1] voor in totaal 60 uren uitgeleend aan Pantar voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden in parkeergarages. In april 2014 heeft hij nog enige werkzaamheden voor Pantar verricht. WHA heeft het totale aantal in 2014 door [naam 1] gewerkte uren aan hem uitbetaald.

1.16.

Bij brief van 6 mei 2014 aan Trigion en WHA heeft de gemachtigde van [naam 1] zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat (primair) [naam 1] per 1 januari 2014 op grond van artikel 7:662 Burgerlijk Wetboek (BW) is overgegaan naar Trigion en (subsidiair) hij nog een arbeidsovereenkomst heeft met WHA. Voorts is daarbij Trigion gesommeerd schriftelijk te bevestigen dat de arbeidsovereenkomst van [naam 1] per genoemde datum door haar is overgenomen en zijn ten aanzien van WHA alle rechten en weren voorbehouden.

1.17.

Bij brief van 13 mei 2014 heeft [naam 5] van WHA Dienstverlening [naam 1] geschreven - zakelijk weergegeven - dat [naam 1] zelf had aangegeven geen contact met WHA te willen hebben, dat hij zich volgens de arbeidsovereenkomst minimaal 4 uur beschikbaar dient te stellen voor arbeid en dat het loon wordt stopgezet omdat [naam 1] daar niet aan voldoet.



Vordering

2.

[naam 1] vordert primiair dat Trigion en subsidiair dat WHA bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om:

2.1.

[naam 1] vanaf 1 januari 2014 het loon vermeerderd met 8% vakantiebijslag, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dagvaarding te betalen,

2.2.

[naam 1] binnen 24 uur na het vonnis weder te werk te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 100.000,00,

2.3.

Trigion en WHA te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis niet zijn voldaan.

3.

[naam 1] legt - kort gezegd - aan haar primaire vordering jegens Trigion ten grondslag dat de onder 1.14 bedoelde contractswissel tussen WHA en Trigion kwalificeert als overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW omdat [naam 1] op de peildatum 1 januari 2014 tot het tweekoppig personeel behoorde dat onder het contract van WHA exclusief als beveiliger op het object werkzaam was en zodanig een economische eenheid vormde. Zijn subsidiaire vordering jegens WHA grondt [naam 1] op de onder 1.3 genoemde arbeidsovereenkomst, die volgens hem door ongewijzigde voortzetting is omgezet in een fulltime arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, althans op de onder 1.11 genoemde arbeidsovereenkomst.

Verweer

4.

Trigion betwist dat de contractwissel beschouwd dient te worden als overgang van onderneming. Zij voert daartoe - kort gezegd - aan dat beveiligingsdiensten moeten worden aangemerkt als werkzaamheden in de arbeidsintensieve sector, waarbij eerst sprake kan zijn van overgang van onderneming als daadwerkelijk een economische entiteit wordt overgedragen. Nu met geen van beide op het object werkzame beveiligers een arbeidsovereenkomst is aangegaan en geen materiële activa door Trigion zijn overgenomen, is daarvan volgens haar geen sprake.

5.

WHA voert primair als verweer dat - samengevat - de arbeidsovereenkomst tussen [naam 1] en haar op 5 december 2013 rechtsgeldig is geëindigd met wederzijds goedvinden, nadat [naam 1] weloverwogen had aangegeven bij WHA uit dienst en bij Trigion in dienst te willen treden. WHA betwist dat [naam 1] zijn ontslagname nadien heeft ingetrokken of met Trigion te hebben samengespannen. Subsidiair voert WHA aan dat [naam 1] slechts een contract voor minimaal 4 uur per week heeft als toezichthouder in parkeergarages. Volgens WHA heeft [naam 1] zich in de tweede week van januari 2014 weer bij haar gemeld met het verzoek om werk en zijn partijen toen een arbeidsovereenkomst fase B aangegaan, op grond waarvan hij voor 4 uur per week als allround medewerker bij Pantar toezicht houdt op parkeergarages.

Beoordeling

6.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van [naam 1] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Spoedeisend belang

7.

Met [naam 1] is de kantonrechter van oordeel dat hij een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft, nu dit in de aard van zijn loon- en wedertewerkstellingsvordering besloten ligt en hij onweersproken heeft gesteld dat hij op dit moment behoudens een gedeeltelijke WW-uitkering verstoken is van inkomen.

Primaire vordering jegens Trigion

8.

De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 7:663 BW door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op het tijdstip van die overgang voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer, van rechtswege overgaan op de verkrijger. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang is beslissend of de identiteit van de economische eenheid blijft bestaan. Dat is bij een contractswissel het geval indien de verkrijger een qua aantal en deskundigheid wezenlijk deel van het personeel heeft overgenomen, dan wel of er materiële activa van betekenis zijn overgegaan. Welke van deze twee elementen van belang is, hangt af van het antwoord op de vraag of het personeel dan wel de materiële activa het meest wezenlijke onderdeel vormen. In arbeidsintensieve sectoren, zoals bijvoorbeeld de schoonmaakbranche, kan enkel de overname van een wezenlijk deel van het personeel, zonder dat activa worden overgenomen, voldoende zijn om een overgang te bewerkstelligen. Omgekeerd geldt dat het niet overnemen van (een wezenlijk deel van) het personeel in arbeidsintensieve sectoren ertoe zal leiden dat geen sprake is van een overgang van onderneming.

9.

De kantonrechter is van oordeel dat de beveiligingsbranche heeft te gelden als een arbeidsintensieve sector. Derhalve is voor beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van onderneming met name van belang of Trigion per 1 januari 2014 een wezenlijk deel van het personeel heeft overgenomen. Nu gesteld noch gebleken is dat Trigion activa van Pantar of WHA heeft overgenomen, komt het bij de (voorlopige) beoordeling van het geschil tussen [naam 1] en Trigion aan op beantwoording van die vraag. Tussen partijen is niet in geschil dat er vóór 1 januari 2014 naast [naam 1] één beveiliger van WHA op het object werkzaam was. Voorts heeft [naam 1] niet weersproken dat die andere beveiliger, zoals door Trigion is aangevoerd, niet door haar is overgenomen. Daarmee gaat het dus hooguit om [naam 1] zelf en is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een wezenlijk deel van het personeel en daarmee evenmin van een overgang. Bovendien is voorshands niet komen vast te staan dat sprake is (geweest) van een door Trigion gedaan en door [naam 1] geaccepteerd aanbod voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Anders dan door [naam 1] gesteld, blijkt een dergelijk geaccepteerd aanbod niet uit het onder 1.7 genoemde formulier. In de eerste plaats is dit formulier blijkens haar aanhef en inhoud geen arbeidsovereenkomst maar een gespreksformulier met selectievragen. Bovendien heeft Trigion daarop, zoals terecht door haar is aangevoerd, het voorbehoud gemaakt dat zij in afwachting was van de arbeidsovereenkomst die [naam 1] met WHA had. Dat nog geen onvoorwaardelijk aanbod was gedaan, blijkt ook uit de onder 1.12 genoemde e-mail van 5 december 2013 van [naam 2] aan [naam 1]. Trigion schrijft daarin dat zij nog zaken moet onderzoeken en dat zij [naam 1] hooguit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan aanbieden. Nu tussen partijen vaststaat dat Trigion [naam 1] in de periode daarna geen arbeidsovereenkomst heeft aangeboden, onder meer vanwege de onduidelijkheid van de tussen [naam 1] en WHA bestaande arbeidsovereenkomst, is geen sprake van het door [naam 1] gestelde geaccepteerde aanbod. Dat Trigion zou hebben aangestuurd op een beëindigingsovereenkomst met WHA, zoals [naam 1] nog heeft gesteld, is voorshands niet gebleken. In tegendeel, in voornoemde e-mail van 5 december 2013 bevestigt [naam 2] juist dat hij heeft aangegeven dat [naam 1] nog geen ontslag moet nemen. Bovendien leidt dit, zou dit wel zo zijn - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet tot een ander oordeel. Ook de door [naam 1] gesuggereerde samenspanning tussen Trigion en WHA, waarvan [naam 1] de dupe zou zijn geworden, is naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk geworden.

10.

De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen jegens Trigion zullen worden afgewezen, nu niet aannemelijk is geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van overgang van onderneming.

11.

[naam 1] dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten van Trigion te worden belast.

Subsidiaire vordering jegens WHA

12.

In subsidiair verband dient voorlopig beoordeeld te worden of er tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week bestaat, zoals [naam 1] stelt en WHA betwist.

13.

De kantonrechter volgt [naam 1] niet in zijn primaire standpunt, dat de arbeidsovereenkomst van 20 december 2011 (zie onder 1.3) door ongewijzigde voortzetting is omgezet in een fulltime arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarop de CAO Beveiliging van toepassing is. Daartoe wordt overwogen dat - door overlegging door WHA van de onder 1.2 en 1.4 genoemde arbeidsovereenkomsten - voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat in plaats daarvan achtereenvolgens twee uitzendovereenkomsten zijn gesloten, waarop de ABU-CAO van toepassing is. Weliswaar heeft de gemachtigde van [naam 1] betwist dat de handtekeningen onder die overeenkomsten van [naam 1] afkomstig zijn, maar [naam 1] heeft de - door hem ondertekende - onder 1.4 genoemde overeenkomst van 9 september 2013 vervolgens zelf aan de kantonrechter getoond, zodat aan dit namens [naam 1] gevoerde verweer voorbij wordt gegaan. Bij deze stand van zaken valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe de arbeidsovereenkomst van 20 december 2011 zou zijn omgezet in een fulltime arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

14.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van [naam 1], dat partijen gebonden zijn aan de arbeidsovereenkomst van 4 december 2013 (zie onder 1.11), heeft WHA primair aangevoerd dat deze slechts is aangegaan omdat [naam 1] zijn vrouw naar Nederland wil laten komen en de IND in dat verband overlegging van een dergelijke arbeidsovereenkomst verlangde. Nu [naam 1] dit heeft betwist en WHA heeft nagelaten haar standpunt aan de hand van stukken te onderbouwen, acht de kantonrechter dit voorshands niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor het door WHA gevoerde verweer dat de arbeidsovereenkomst (van 4 december 2013) rechtsgeldig met wederzijds goedvinden is beëindigd. WHA beroept zich in dit verband op de onder 1.9 en 1.10 genoemde beëindigingsovereenkomsten, zich daarbij op het standpunt stellend dat deze dateren van na 4 december 2013. Nu echter beide overgelegde beëindigingsovereenkomsten ongedateerd zijn, partijen het erover eens zijn de dat de onder 1.9 bedoelde beëindigingsovereenkomst de meest recente overeenkomst is (omdat deze een later toegevoegde terzijdeschuiving van het concurrentiebeding bevat) en deze op 4 december 2013 bij e-mail door [naam 1] aan [naam 2] van Trigion is toegezonden, zijn er voorshands geen aanknopingspunten voor het standpunt van WHA te vinden. WHA heeft subsidiair nog als verweer gevoerd dat partijen hooguit gebonden zijn aan de in januari 2014 tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst van 4 uur per week, maar nu zij de desbetreffende arbeidsovereenkomst niet heeft overgelegd, is dit voorshands evenmin aannemelijk geworden. De kantonrechter betrekt bij haar oordeel dat partijen zich ook niet aan die omvang van 4 uur per week hebben gehouden, nu uit de door WHA overgelegde salarisspecificaties kan worden afgeleid dat [naam 1] 44 uur heeft gewerkt in de maand januari 2014. Ook aan het door WHA gevoerde verweer dat [naam 1] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor werk, waar [naam 1] tegenin heeft gebracht dat hij juist de hele tijd belde maar te horen kreeg dat er geen werk was, wordt als onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan.

15.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat [naam 1] en WHA gebonden zijn aan de arbeidsovereenkomst van 4 december 2013. Nu de in die overeenkomst omschreven arbeidsduur 40 uur per week en het uurloon € 11,00 bruto bedraagt, leidt dit ertoe dat de vorderingen van [naam 1] tot wedertewerkstelling en doorbetaling van loon op die basis toewijsbaar zijn, met dien verstande dat het vanaf januari 2014 reeds door WHA betaalde loon daarop in mindering moet worden gebracht. De gevorderde dwangsom zal als onbestreden eveneens worden toegewezen. Het maximum zal evenwel worden beperkt tot € 25.000,00.

16.

WHA dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten van Trigion te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

In de zaak tegen Trigion:

wijst de vordering af;

veroordeelt [naam 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Trigion begroot op € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak tegen WHA:

veroordeelt WHA om aan [naam 1] te betalen vanaf 1 januari 2014 het gebruikelijke loon van € 11,00 bruto per uur gedurende 40 uur per week en vermeerderd met 8% vakantietoeslag totdat een rechtsgeldig einde komt aan de arbeidsovereenkomst, minus hetgeen WHA daarop reeds in mindering aan [naam 1] heeft voldaan;

veroordeelt WHA om aan [naam 1] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel
7: 625 BW tot een maximum van 25% over het te laat betaalde loon;

veroordeelt gedaagde om eiser binnen 24 uur na betekening van het vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze te hervatten, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagde hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00;

veroordeelt WHA in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [naam 1] begroot op € 570,80, waarvan te betalen:

€ 77,00 aan [naam 1] voor griffierecht;

€ 400,00 aan [naam 1] voor salaris gemachtigde;

€ 93,80 aan de griffier van de rechtbank te Amsterdam voor het door de

deurwaarder uitgebrachte exploot van dagvaarding;

________

€ 570,80 in totaal;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. F.J. Verhoeven - van de Poel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.