Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:4155

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_432
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indicatiebesluit met terugwerkende kracht mogelijk in verband met bijzondere omstandigheden. Eisers dreigen tussen wal en schip te vallen nu zij met terugwerkende kracht recht hebben op uitkering TOG, maar voor die TOG ook een AWBZ-indicatie nodig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2014 in de zaak tussen

[naam] en [naam], eisers, in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam][naam], te [plaats]

(gemachtigde mr. I.T. Martens),

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. A. Blackman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2012 heeft verweerder voor [naam] met ingang van
24 februari 2012 een indicatie gesteld voor functie van begeleiding groep in dagdelen, klasse 2 (2 dagdelen), met einddatum 28 februari 2013. Bij besluit van 13 juni 2012 is het besluit van 27 februari 2012 herzien in die zin dat voor eiser met ingang van 24 februari 2012 tevens indicatie is gesteld voor de functie van persoonlijke verzorging, klasse 2, met als einddatum 11 januari 2013.

Bij besluit van 2 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers voor zover het ziet op de ingangsdatum van het indicatiebesluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank Haarlem zich onbevoegd verklaart dit beroep in behandeling te nemen en de zaak verwezen naar de rechtbank Amsterdam.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. Een van de eisers, de vader van [naam], is verschenen, zonder zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.


Overwegingen

1.

Eisers hebben bij aanvraag van 21 maart 2008 verzocht om een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van [naam] op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft deze aanvraag eerst afgewezen. Uiteindelijk heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een uitspraak van 12 oktober 2011 bepaald dat eisers met ingang van 1 januari 2008 aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de kosten van het onderhoud van [naam] op grond van de TOG 2000. Deze uitspraak is bij uitspraak van 27 februari 2012 gerectificeerd op onderdelen die voor de procedure die thans aan de orde is niet van belang zijn.

2.

Hangende deze procedure is de TOG 2000 per 1 april 2010 gewijzigd in die zin dat er een geldig AWBZ-indicatiebesluit moet zijn, wil iemand in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming. In verband daarmee heeft de SVB bij besluit van 24 oktober 2012 aan eisers bericht dat zij op grond van overgangsrecht slechts volledige TOG ontvangen t/m het derde kwartaal van 2010. Over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 wordt dan nog de helft van de TOG uitbetaald. Aangezien over de periode
1 oktober 2010 tot 24 februari 2012 voor [naam] geen geldige indicatie aanwezig is bestaat over de periode 1 april 2011 tot 1 januari 2012 geen recht op TOG. Vanaf het eerste kwartaal van 2012 krijgen eisers weer TOG voor [naam]. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en tegen de ongegrondverklaring daarvan beroep ingesteld. Bij mondelinge uitspraak van
30 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland het beroep ongegrond verklaard. Eisers zijn hiertegen in beroep gegaan. De CRvB heeft dit beroep nog niet behandeld.

3.

Eisers hebben op 22 januari 2012 (kennelijk ontvangen op 27 januari 2012) een aanvraag indicatiestelling AWBZ-zorg voor [naam] ingediend bij het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, die door verweerder in behandeling is genomen. In het aanvraagformulier wordt onder meer gevraagd wanneer de aanvrager wil dat de hulp/zorg start, daar hebben eisers ‘zo spoedig mogelijk’ ingevuld. Bij de bijzonderheden waar in het formulier naar wordt gevraagd hebben eisers aangegeven dat in december 2011 door de SVB is vastgesteld dat [naam] met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008 een tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) verkrijgt.

4.

Naar aanleiding van deze aanvraag is het primaire besluit genomen, dat vervolgens hangende bezwaar is herzien. Thans is nog slechts de ingangsdatum van het indicatiebesluit alsmede de vergoeding van proceskosten in bezwaar in geschil.

Ten aanzien van de ingangsdatum

5.

De rechtbank constateert dat toen eisers de bij rechtsoverweging 3. beschreven aanvraag deden het bij rechtsoverweging 2. beschreven besluit van de SVB van
24 oktober 2012 nog niet bekend was. In het aanvraagformulier wordt niet met zoveel woorden om een indicatie met terugwerkende kracht gevraagd, naar de rechtbank aanneemt omdat eisers toen ook nog niet bekend waren met het belang daarvan voor hun recht op een TOG-uitkering. Bij de behandeling van het bezwaar was echter duidelijk dat eisers aanspraak maakten op een indicatiebesluit per 1 oktober 2010, de gemachtigde van eisers heeft verweerder daar diverse malen op gewezen. Waar in bezwaar een volledige heroverweging kan worden gemaakt is het ontbreken van een duidelijke vraag om indicatiestelling met terugwerkende kracht op het aanvraagformulier onvoldoende reden om die terugwerkende kracht af te wijzen.

6.1

Verweerder heeft er op gewezen dat eisers eerder een aanvraag voor AWBZ-zorg voor [naam] hadden kunnen en, naar de rechtbank begrijpt zelfs moeten doen. Hun geschil met de SVB over de TOG-uitkering staat daar los van. Indien in oktober 2010 al duidelijk was dat de beperkingen van [naam] van zodanige aard waren dat hij aanspraak maakte op de thans toegekende AWBZ-zorg hadden zij dat moeten aanvragen. De afwachtende houding van eisers is volgens verweerder niet te rijmen met hun verplichting als ouders om zorg te dragen voor de juiste zorg die [naam] in 2010 nodig had.


6.2 De rechtbank kan verweerder in dit betoog niet geheel volgen. Het is juist dat eisers als ouders dienden te zorgen dat [naam] de juiste hulp kreeg. Indien [naam] echter in 2010 ook al deze zorg nodig had en de ouders konden daar zelf (financieel) voor zorgen, is er geen rechtsregel die hen verplicht om de daarmee gepaarde kosten toch ten laste van de gemeenschap te brengen via de AWBZ. Dat zij dan later geen aanspraak meer kunnen maken op een AWBZ-vergoeding is voor hun rekening en risico. Als zij de kosten van de zorg zelf konden en wilden dragen hadden ze in oktober 2010 ook geen belang bij een AWBZ-indicatie. Dat belang bleek pas later, toen de TOG-uitkering waar zij recht op hadden van die AWBZ-indicatie afhankelijk bleek te zijn. Dat eisers niet zelf eerder een AWBZ-indicatie hebben aangevraagd is daarom onvoldoende reden om de thans gevraagde indicatie niet af te geven.

7.1

Verweerder heeft voorts aangevoerd dat haar beleidsregels Indicatiestelling Jeugd-GGZ, versie 6.0 januari 2012, antedateren van een indicatiebesluit in een geval als dit niet toestaan. Daarnaast geldt dat verweerder AWBZ-indicaties afgeeft opdat op grond daarvan de benodigde AWBZ-zorg kan worden gerealiseerd. Het is niet mogelijk een AWBZ-indicatie af te geven zonder die AWBZ-zorg, om louter financiële redenen.


7.2 Uit vaste jurisprudentie van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van
17 december 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG8947), 14 oktober 2009
(ECLI:NL:CRVB: 2009:BK1592) en 23 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN5119) volgt dat uitgangspunt dient te zijn dat een indicatiebesluit in beginsel geen terugwerkende kracht heeft en dat, tenzij er redenen zijn om een latere datum te kiezen, de indicatie wordt verleend met ingang van de datum van het indicatiebesluit. De CRvB sluit niet uit dat de bijzondere omstandigheden van het concrete geval aanleiding kunnen geven om van dit uitgangspunt af te wijken. In de laatstgenoemde uitspraak heeft de CRvB overwogen dat in een advies waarnaar in dat geval werd verwezen ten onrechte een limitatieve opsomming wordt gegeven van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat ze afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De rechtbank ziet niet in waarom de beleidsregels waar verweerder naar verwijst dan wel een limitatieve opsomming zouden mogen geven, temeer daar verweerder ook zelf aanvoert dat de in deze beleidsregels vastgestelde voorwaarden zijn gebaseerd op onder meer de laatstgenoemde uitspraak van de CRvB. Door het stellen van limitatieve voorwaarden wordt miskend dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn waarin een indicatie met terugwerkende kracht kan – en moet – worden verleend. In een dergelijk geval kan met behulp van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid worden afgeweken.

7.3

De rechtbank onderkent dat de aanvraag van eisers niet voldoet aan de cumulatief gestelde voorwaarden van de Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ versie 6.0, januari 2012. Meer in het bijzonder betreft het niet een verzoek om voortzetting van een eerder gelijkwaardig indicatiebesluit. Ter zitting is besproken dat door de vele rapporten die in de loop der tijd over [naam] zijn opgemaakt waarschijnlijk wel alsnog kan worden vastgesteld in hoeverre hij ook in oktober 2010 op de gevraagde zorg was aangewezen.

7.4

De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval waarvan zij thans nog uit dient te gaan, meer in het bijzonder de bij rechtsoverweging 2. genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, aanleiding om te oordelen dat een indicatiestelling met terugwerkende kracht mogelijk moet zijn. Eisers vallen immers tussen wal en schip nu de CRvB enerzijds heeft geoordeeld dat zij recht hebben op een TOG-uitkering, maar anderzijds tussentijds de TOG 2000 is gewijzigd in die zin dat daarvoor nu ook een AWBZ-indicatie nodig is. Hierboven is reeds overwogen dat het niet aan eisers verwijtbaar is dat zij niet eerder om een AWBZ-indicatie hebben gevraagd. Voorts is van belang dat eisers – anders dan personen die op 1 april 2010 daadwerkelijk een TOG-uitkering ontvingen – niet zijn gewaarschuwd voor de wijziging van de TOG die een AWBZ-indicatie nodig maakte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gevolgen van het strak vasthouden aan de beleidsregels Indicatiestelling Jeugd-GGZ in dit geval voor eisers gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen. Dat verweerder in de regel geen indicatiebesluit afgeeft indien daar niet een werkelijke behoefte aan zorg aan ten grondslag ligt maar slechts financiële redenen maakt dat niet anders. Er zijn immers geen financiële lasten die ten koste van verweerder of de AWBZ komen, alleen ten laste van de SVB in het kader van de TOG, maar daarover heeft de CRvB al eerder beslist. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om op grond van de medische informatie die beschikbaar is over [naam] alsnog te bezien in hoeverre hij per 1 oktober 2010 in aanmerking komt voor een AWBZ-indicatie.

7.5

In het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank overwogen om met toepassing van artikel 8:51a Awb een tussenuitspraak te doen. Mogelijk wordt echter in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
30 september 2013, in samenhang met een eventueel beroep in de onderhavige zaak, een resultaat bereikt dat meer recht doet aan het werkelijke geschil. De rechtbank laat het daarom bij na te melden opdracht aan verweerder en beveelt partijen aan om de CRvB te verzoeken deze uitspraak te betrekken bij het beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Noord -Holland in de procedure tegen de SVB.

Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar

8.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de reactie van de bezwaarcommissie van 18 juni 2013 waarin is overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor vergoeding van de proceskosten, omdat eisers zelf het bezwaarschrift van
3 april 2012 hebben geschreven.

8.2

De rechtbank overweegt met betrekking tot de proceskostenveroordeling het volgende. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid Awb en artikel 7:75 Awb in samenhang met artikel 1 van het Besluit proceskosten Bestuursrecht (Bpb) komen kosten gemaakt door een derde die de belanghebbende in verband met de behandeling van bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend voor vergoeding in aanmerking indien het gaat om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bijvoorbeeld een door een professionele rechtshulpverlener namens eisers ingediend bezwaarschrift. Een redelijke uitleg van het Bpb en bijlage brengt met zich mee dat, indien ten minste één van de in bezwaar of beroep ingediende stukken door een professionele rechtshulpverlener is ingediend, daarvoor een vergoeding kan worden toegewezen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
13 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO0271). De rechtbank stelt vast dat SRK rechtsbijstand de gronden van bezwaar heeft aangevuld bij brief van 8 juni 2012 en
3 juli 2012. De rechtbank zal daarom de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het Bpb vaststellen op € 487,-
(1 punt voor het aanvullen van de gronden in bezwaar met wegingsfactor 1).

Conclusie


9. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten worden onder toepassing van het Bpb begroot op € 487,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers een bedrag van € 487,- ter zake van kosten van bezwaar vergoedt;

  • -

    draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

  • -

    € 487,-, te betalen aan eisers;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2014.

de griffier

de rechter

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB